Begrippen en misverstanden

 

 

Bij elke zoektocht naar kennis is communicatie een onontbeerlijk hulpmiddel. Hierbij wordt gebruik gemaakt van woorden, waarvan de betekenis evenwel niet steeds op een egale manier wordt waargenomen. Taal is immers een levende en dus aan evolutie onderhevige materie. De betekenis die aan woorden wordt toegekend kan evolueren en hierdoor voor enige verwarring zorgen. Daar waar bij de perceptie van een symbolisch beeld aan een persoonlijke interpretatie ervan alle vrijheid hoort te worden toegekend, veronderstelt een doelmatig taalgebruik een zekere discipline, zodat misverstanden omtrent de betekenis van woorden zoveel als mogelijk worden vermeden. Het kan dus zinvol zijn een poging te ondernemen om iets meer duidelijkheid te brengen in een materie die voor misvattingen heel gevoelig blijkt te zijn. Hoewel het niet tot onze bevoegdheid behoort de inhoud van een woord met een wetenschappelijke verantwoording te duiden, lijkt het ons toch belangrijk de verschillende betekenissen die aan een zelfde woord kunnen worden toegekend te onderscheiden.

Een eerste en in de religieuze context buitengewoon belangrijk begrip betreft het woord Geest. Het is de vertaling van het Latijnse spiritus, dat zelf verwijst naar het Griekse pneuma of het Hebreeuwse kadosh : "het gans andere" of het "heilige". Letterlijk betekent pneuma adem. Zo refereert de pneuma o.m. aan een leven insuflerende adem of vibratie bij de oorsprong van de schepping. De Geest hoort evenwel ook te worden erkend als een voortdurend levensonderhoudende energie. Want, wanneer aan zijn présence  in het biologische leven een einde komt, houdt dit leven onherroepelijk op te bestaan.

Zo symboliseert de Geest een tijdloze en dus absolute aanwezigheid, die het bestaan van elke levensvorm conditioneert. Gezien we het logisch vinden alles wat bestaat met een oorzaak te verbinden, werd ook aan de Geest een oorzakelijk "principium" toegekend, dat in de Bijbel Jahwe werd genoemd. Van dit principium is hij de emanatie, de expressie of de logos. Maar de Bijbel houdt ons ook voor dat we, sinds de zondeval van Adam, onverbiddelijk van Jahwe gescheiden zijn. De realiteit leert ons daarentegen dat de Geest zich blijvend doorheen ons lichaam en zijn bewustzijn manifesteert. Hoe is die permanente aanwezigheid te verzoenen met onze bijbelse gescheidenheid van Jahwe...?

Als principium is Jahwe evenwel voor onze intelligentie even onbevattelijk als een oeverloze leegte. Hierdoor is het ook de voedingsbodem geworden van een ongebreidelde menselijke verbeelding. Zo werd Jahwe de Schepper… en niet de Schepster… Een subtiele nuance die de neiging onthult aan het Onbevattelijke een menselijke specificatie toe te kennen. Een tendens die zich bevestigt in het beeld van een koning, een rechter of in dit van een vader. Bovendien werden die beelden voor werkelijk aanzien.

Een gevolg van die bijbelse gescheidenheid is dat we van de in ons bewustzijn aanwezige creatieve hoedanigheden de spirituele origine niet erkennen, maar hen beschouwen als persoonlijke vermogens en benoemen als een menselijke geest. Waar we, de tijd dat het leven duurt, beschikking over hebben bezitten we evenwel niet ! Onze mentale vermogens zijn slechts een persoonlijk en tijdelijk bruikleen, de Geest daarentegen symboliseert een universele en tijdloze werkelijkheid. Dit, dat we als een bruikleen ontvangen, aan onszelf toekennen is zowel onwezenlijk als arrogant. Spirituele hoedanigheden beschouwen als een persoonlijk bezit evenzeer.

De betrachting het "Hogere", het Heilige of het Goddelijke, in een symbool te vatten is van alle tijden. Aan het Onbevattelijke een beeld verbinden is overigens geen laakbare oefening ! Alleen horen we steeds bedachtzaam te blijven het beeld niet met de werkelijkheid te verwarren. Daarom zijn steeds zowel een correct onderscheidingsvermogen als een passende bescheidenheid bijzonder aangewezen. Want de opdracht van de mens is het een dienende transformator te zijn van wat hij blijvend ontvangt.

Wellicht zou het meer zinvol zijn aan God en zijn Geest in een minder menselijk beeld toe te kennen. Zo gebeurde het ook in het Johannesevangelie. Hierin werd de Geest gesymboliseerd in het licht, in het water van een bron ook. Een bron is inderdaad een leegte waaruit water te voorschijn komt. De leegte is dit dat de aanwezigheid van het water mogelijk maakt. Maar ook die leegte is slechts een beeld waarin onze onmacht wordt erkend het Goddelijke te bevatten. Want in werkelijkheid refereert het naar een niet te overzien potentieel, waarvan de spirituele emanatie in subtiliteit elk menselijk begrip van energie overstijgt. Het voornaamste probleem dat zich hierbij stelt is evenwel dat een dergelijke beeldvorming zoveel minder onze verbeelding prikkelt dan de aangrijpende bijbelse verhalen.

De Geest manifesteert zich dus als een voortdurend aanwezige energie, waarvan de gerichtheid evenwel eenduidig is : van het hogere naar het lagere. Uiteraard worden woorden als geest, spiritueel of spiritualiteit vlot gebruikt om te refereren aan een activiteit van het menselijke bewustzijn. Hoewel dit taalgebruik sinds lang is ingeburgerd, is het niet van aard om een sereen inzicht te bevorderen in de relatie die ons met een absolute Geest verbindt.

Daarom lijkt het ons aangewezen het begrip menselijk bewustzijn zo correct mogelijk in te schatten. Dit bewustzijn kunnen we waarderen als een geheel aan mogelijkheden die ons in staat stelt zintuiglijk waar te nemen, gedachten en emoties te ervaren en autonoom te handelen. Zijn werking berust in fysiologische structuren die de materiele basis uitmaken van het centrale zenuwstelsel. Het bewustzijn maakt dus integrerend deel uit van onze lichamelijke structuren. De hoedanigheid te kunnen waarnemen laat de mens toe bewust te worden zowel van zijn eigen lichamelijke aanwezigheid als van zijn omgeving. Zij activeert bovendien een potentieel, dat we benoemen als onze mentale vermogens of onze psyche en het mogelijk maakt die waarnemingen rationeel te ordenen en er emotioneel op te reageren. Reacties die op hun beurt verlangens doen ontstaan, die inhoud geven aan onze wil en zo ons handelen bepalen. 

Zoals elke levensfunctie is ook de activiteit van het menselijke bewustzijn voortdurend afhankelijk van een wisselwerking tussen de Geest en de materiele structuren waarin het berust. Een interactie die evenwel meestal tot het onbewuste gebied van het bewustzijn behoort. Onze psyche, afkomstig van het Griekse psychè, refereert dus aan een mentaal potentieel aanwezig in het bewustzijn. Hoewel de expressie ervan enigszins vergelijkbaar is met die van de Geest, horen we toch steeds bewust te zijn dat zij slechts de vrucht is van wat ons rest aan creatief potentieel nadat de Geest doorheen de structuren van onze psyche is getransiteerd. In dit bewustzijn schieten we evenwel voortdurend te kort ! Het auteurschap van de vaardigheden van onze psyche kennen we immers toe aan ons ik, ons ego of ons "zelf". Sterker nog : we gaan dit "zelf" erkennen als een innerlijke ziel, waaraan velen zelfs een onsterfelijke natuur toekennen... Dit illustreert hoe de mens omspringt met hoedanigheden die hij in zichzelf ervaart de tijd dat zijn leven duurt.

Het concept van een tijdloze ziel is nauw verbonden met het geloof in een tijdloos voortbestaan, een bijbels fantasme dat werd geconcretiseerd in het concept “het Koninkrijk van God”. Zowel Lucas als Thomas getuigen evenwel dat Jezus het met die interpretatie oneens was. In het Thomasevangelie betekent voor Jezus de kennis van de psychè of van het persoonlijke zelf een belangrijke opdracht in de zoektocht die we als mens te ondernemen hebben. De Boeddha van zijn kant vond het onterecht aan dit zelf een bijzondere waarde toe te kennen, omdat de perceptie ervan steeds veranderlijk is, afhankelijk van de voortdurende wisselwerking tussen het individuele bewustzijn en zijn omgeving. Er een absolute dimensie aan toekennen beschouwde hij bovendien als een illusie. Als pragmaticus koos de Boeddha ervoor zijn aandacht te richten naar de dharma, de universele levenswet, eerder dan naar een denkbeeldige bron ervan, die in het Thomasevangelie door Jezus als de pneuma of de Geest wordt erkend.

Wat de mens van de dieren onderscheidt is vooral zijn potentieel aan intelligentie, het vermogen rationeel te kunnen onderscheiden, dat in zijn psyche ligt opgeslagen. Die eigenschap wordt bovendien ondersteund door een uitzonderlijke vrijheid van handelen. Daar waar het dier geleid wordt door zijn instinct, het woord van de Geest aan het dier, beschikt de mens over de mogelijkheid zijn instincten te overstijgen en zo over de vrijheid zelf zijn handelingen te bepalen. Die vrijheid is de basis van zijn verantwoordelijkheid.

In hoofdstuk 10 van het evangelie van Mariam worden we geconfronteerd met een nieuw begrip dat zich onderscheidt zowel van de pneuma als van de psychè : de nous. Op de vraag van Mariam hoe iemand een visioen waarneemt, door de pneuma of door de psychè, antwoordt Jezus : “Noch door de pneuma, noch door de psychè, maar door de nous die tussen beide is”. Uit deze woorden valt af te leiden dat nous hoort te worden begrepen als een schakel tussen de pneuma en de psychè.

Wanneer we op zoek gaan naar de betekenis die aan het Griekse nous werd toegekend is het niet evident een eenduidig antwoord te vinden. Voor Plato betekende de nous het rationele deel van de ziel, dit dat haar met een inspiratie uit het hogere verbindt. Aristoteles erkende in nous het rationele vermogen van het bewustzijn als basis voor elke kennis. De stoïcijnen verbonden nous dan weer met de logos, het principe van een universele rationaliteit. In zijn eerste brief aan de Corinthiërs (2,16) gebruikte Paulus het woord nous in een zin die vertaald werd als “onze gedachte is de gedachte van Christus”… Het ligt dus niet voor de hand aan nous een specifieke betekenis toe te kennen.

Zoals Jezus het in het evangelie van Mariam voorstelt zou nous een verbindingspunt voorstellen dat zich wel in het bewustzijn bevindt maar niet tot de psyche behoort en ons in staat zou stellen een inspiratie van de pneuma bewust te ontvangen. Die spirituele en dus tijdloze schakel zou in wezen een onpersoonlijke fractie van het bewustzijn uitmaken, want wat een spirituele dimensie heeft kan niet als een persoonlijke hoedanigheid worden beschouwd ! Zo zou nous enigszins vergelijkbaar zijn met wat de kundalini yoga als de zevende chakra wordt waargenomen, een punt gelegen onder het schedeldak, waarlangs een spiritueel ontwaken zich zou kunnen realiseren.

De weg die Jezus ons in het Thomasevangelie voorhoudt, opdat we bewust zouden worden van onze spirituele verbondenheid en zo van onze verantwoordelijkheid in het koningschap van de Vader, is niet die van een gebed dat opstijgt uit de persoonlijke psyche of ziel. We horen integendeel onze psyche het zwijgen op te leggen in een onthechting van dit waar zijn activiteit op gericht is. De weg is daarom die van een mentale besnijdenis, van een stilte in de leegte van een innerlijke rust… Teneinde toegang te hebben tot het bewustzijn van een spirituele verbondenheid is het noodzakelijk dat we de activiteit van onze psyche verstillen, dat we ons innerlijke zelf leeg maken, zodat de dwingende aanwezigheid van het ego onbestaande wordt. Een dergelijke mentale onthechting zou de weg vrijmaken voor een bewuste spirituele ontvankelijkheid.

Gezien zowel de nous als de psychè deel uitmaken van het bewustzijn, zal de ervaring van de nous uiteraard door de psychè worden meegenomen. Bovendien zullen, bij een regelmatige herhaling van zo’n toestand van intense innerlijke rust, de fysiologische structuren van de psychè op een natuurlijke wijze een harmoniserend en dus zuiverend effect ondergaan, waardoor de functie ervan juister kan worden ingevuld. Dit resulteert in een aangepaste mentale ingesteldheid waarbij het ego zich bewust is geworden van een spirituele dimensie waarin het geworteld is. In dit bewustzijn kan het ik zich geen enkele verdienste meer toe-eigenen, want het erkent zichzelf niet meer als de meester van alle vaardigheden waarover het beschikt, maar als een verantwoordelijke dienaar die er tijdelijk beschikking over heeft.

Zo lost de hoogmoed, gevoed door de waan de werkelijke bezitter te zijn van een eigen psyche, zich op in het ontwapenende beeld van een kind van zeven dagen. Het bijzondere bewustzijn één te zijn met een spirituele aanwezigheid reveleert ons bovendien dat een feilloze gids ons voortdurend ter beschikking staat. Door een tijdelijk isolement in een tijdloze stilte “weten” we dat we nooit alleen maar steeds verbonden zijn met een niet te bevatten Inspirator. Die ervaring ligt vermoedelijk aan de basis van het beeld van een vader dat Jezus gebruikte. Een ervaring die de hoeksteen is, niet van een “geloof”, maar van een onbegrensd vertrouwen.

Toch zal elke perceptie door de persoonlijke psyche steeds afhankelijk zijn van de fluctuerende toestand waarin het bewustzijn zich bevindt. Die perceptie zal ook steeds subjectief zijn en de communicatie ervan uiterst delicaat. Om aan die moeilijkheid te verhelpen deed ook Jezus beroep op beelden. Teneinde het bewustzijn van eenheid te verduidelijken gebruikte hij o.m. de beelden van de eenheid van het zaad en de goede aarde, de leven wekkende eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke in het huwelijk of in de bruidskamer, de gist in het meel, het kleine kind van zeven dagen of dit dat zijn moeder zoogt. Die beelden illustreren een eenheid die de voornaamste voorwaarde inhoudt opdat het leven zich in volheid zou kunnen realiseren. Een eenheidsbewustzijn is evenwel geen irreversibele toestand… Het kind van zeven dagen zal niet lang zijn originele zuiverheid bewaren... Op ieder ogenblik kan de bruidegom de bruidskamer verlaten… 

Het gezonde verstand houdt ons voor dat de seksuele diversiteit, waardoor de man en de vrouw zich van elkaar onderscheiden, de noodzakelijke voorwaarde is opdat het menselijke leven zich zou kunnen bestendigen. Sinds mensengeheugenis heeft die verscheidenheid steeds voor een zekere fascinatie gezorgd. Ook de Bijbel werd erdoor aangegrepen. Schiep God de mens als man en vrouw (Genesis 1) of was eerst de man en vervolgens de uit de mannelijke rib geschapen vrouw (Genesis 2)? Dat de seksuele potentie meer expliciet zichtbaar is bij de man dan bij de vrouw is een natuurlijk fenomeen. Het is dus begrijpelijk dat dit morfologische verschil aanleiding heeft gegeven tot een vermeend mannelijk superioriteitsgevoel, dat wereldwijd werd uitgedrukt doorheen het fallussymbool. Van dit superioriteitsgevoel is ook de laatste logion van het Thomasevangelie een even realistische als ontnuchterende illustratie.

Dat die natuurlijke diversiteit niet steeds beantwoordt aan de normaliteit, zoals o.m. het geval is bij een hermafrodiete toestand, is inherent aan de kwetsbaarheid van het relatieve leven. Dit belet evenwel niet dat de natuurlijke norm immer geldig blijft. De waarde van het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke, als een essentiële voorwaarde opdat het leven zich zou bestendigen, kan daarom niet ter discussie staan. Toch kan ook dit beeld aanleiding geven tot een dubieuze perceptie.

Wat hier vooral aan de orde is betreft een passend onderscheid tussen eenheid en gelijkheid. Dat de sublimatie van een seksuele gelijkheid tussen man en vrouw, uitgedrukt in de projectie van een hypothetische toestand van een “spirituele androgynie” in het bewustzijn, adepten van een occulte esoterie kan verleiden illustreert vooral de kleurrijke diversiteit in de zoektocht naar een "hogere" vervulling van dit leven. De voorstelling als zou het seksuele onderscheid tussen het mannelijke en het vrouwelijke zich oplossen in een soort spiritueel hermafrodisme komt ons toch vooral over als een onwezenlijke projectie van de seksuele finaliteit.

Het doel van een beeld is dienstig te zijn als hulpmiddel ten einde de zoektocht naar een niet eenvoudig te achterhalen werkelijkheid te ondersteunen. Elk beeld kent evenwel zijn begrenzingen. Bovendien kan het begrip ervan steeds aanleiding geven tot een confusionele perceptie tussen beeld en werkelijkheid. Steeds zal de interpretatie ervan afhankelijk zijn van de graad van harmonie in de individuele psyche. De door Jezus gebruikte beelden vestigen de aandacht op natuurlijke toestanden. Vaak is de natuur inderdaad een meer waardevolle bron van kennis dan de denkbeeldige voorstellingen die ons door verlichte profeten werden aangeboden… De verwijzing van Jezus aan het einde van zijn tussenkomst in het evangelie van Mariam naar een meer oordeelkundige perceptie van wat de natuur ons aanbiedt is dus niet zinloos !

Vaak wordt het begrip eenheid bovendien gezien in een tegenstelling tot de dualiteit waarin de natuurlijke werkelijkheid zich uitdrukt. Het bewustzijn van eenheid houdt evenwel niet in dat die dualiteit zou ophouden te bestaan, ook al wordt de perceptie ervan anders ervaren. Wat het onderscheid uitmaakt tussen licht en duisternis, harmonie en chaos, goed en kwaad, wordt dan niet meer ervaren in termen van oppositie maar van een afwezigheid van het ene ten aanzien van het andere. Duisternis is gewoon afwezigheid van licht, chaos afwezigheid van harmonie, het kwade afwezigheid van het goede... Ooit heeft de projectie van het natuurlijke dualiteitsbeginsel op een absolute werkelijkheid de mens ertoe verleid zich een conflictuele toestand voor te stellen tussen God en Satan. Het dualiteitsbeginsel is een essentiële waarde in de uitdrukking van het relatieve leven waarin tegengestelde energieën een natuurlijke harmonische diversiteit genereren. Dit principe op een absolute realiteit projecteren illustreert de menselijke onmacht die realiteit te kunnen bevatten. 

Het eenheidsconcept, zoals het ons door Jezus wordt voorgehouden, resulteert uit een ervaring van het bewustzijn, waarin het zijn spirituele wortel erkent. Het bewustzijn van een spirituele band die ons met een creatieve Bron of een inspirerende Vader verbindt houdt evenwel niet in dat de dualiteit waarin het relatieve leven zich uitdrukt zou ophouden te bestaan. Steeds zullen zaad en goede aarde, het mannelijke en het vrouwelijke door hun verscheidenheid de voortzetting van het biologische leven ondersteunen.

Deze overwegingen maken duidelijk hoe een verschillende benadering van de inhoud van begrippen en beelden aanleiding kan geven tot een uiteenlopende invulling van de uitdaging die de religieuze zoektocht inhoudt. In dit verband is het niet onbelangrijk een passend onderscheid te maken tussen het religieuze principe enerzijds en godsdienst of geloof anderzijds.

Het concept van een verbondenheid tussen het individuele leven en zijn niet te bevatten Bron, dat we religie noemen, heeft een universeel draagvlak want iedere mens is er op een gelijkwaardige manier bij betrokken. De appreciatie ervan behoort evenwel tot het domein van de persoonlijke vrijheid waarin het ieder vrij staat er een eigen invulling aan te geven. In de loop der tijden en naar gelang de verscheidenheid van de culturen hebben mensen aan die relatie diverse invullingen gegeven. Zij werden geïntegreerd in een collectief bewustzijn, wat onvermijdelijk een begrenzing van de persoonlijke vrijheid voor gevolg had.

Elke relatie veronderstelt noodzakelijker wijze een "kennismaking". In de religieuze relatie wordt ieder ik echter geconfronteerd met een onkenbare partner. Waar kennis te kort schiet komt verbeelding ter hulp. In dit proces, waarbij de impact van het emotionele vaak dominanter is dan die van een realistische logica, hebben godsdiensten een belangrijke rol gespeeld. Het valt ook niet te miskennen dat de appreciatie van onze beleving in termen van levensgeluk zoveel meer door emotionele ervaringen wordt bepaald dan door welke rationele overwegingen ook. De waarde van het emotionele als bron van creativiteit en vervoering valt ook niet te miskennen. Toch is het voor ieder van ons een opdracht die waarde juist in te schatten en een gepast onderscheid te maken tussen verbeelding en werkelijkheid.

Godsdiensten zijn ervan overtuigd over een kennis van het onkenbare te beschikken. Hiervoor beroepen de bijbelse godsdiensten zich op bijzondere mensen, die revelaties of openbaringen zouden hebben ontvangen en profeten worden genoemd. Hun getuigenissen werden voorzien van de nodige verhelderende interpretaties en commentaren waaraan een persoonlijk geloof kan worden toevertrouwd. De uitdaging die de religieuze weg inhoudt behelst echter niet de persoonlijke relatie tussen het individuele ik en de waarheden van een godsdienst, wel die tussen ieder ik en het absolute potentieel dat op elk ogenblik zijn bestaan conditioneert. Het gaan van die weg is een innerlijk gebeuren dat zich slechts kan realiseren in een onthechte persoonlijke vrijheid. Dit veronderstelt niet enkel dat denkbeeldige religieuze zekerheden, die ons werden voorgehouden zo niet opgedrongen, in vraag worden gesteld maar vooral dat de waarde die we aan het eigen ik toekennen in een meer realistisch perspectief wordt geplaatst door de finaliteit ervan juister in te schatten.

Godsdiensten zijn menselijke organisaties die zich beroepen op een goddelijke missie. De interpretatie die ooit door een beperkte gemeenschap aan de bevrijdende boodschap van Jezus werd toegekend is er na twintig eeuwen verkondiging niet in geslaagd de mensheid tot een meer harmonische samenleving te bewegen. Bovendien werd ook vaak door de religieuze overheid zelf het foute voorbeeld gegeven. Voor elke gelovige is het een opdracht zich hierover te bezinnen. Werd de originele boodschap wel correct begrepen of waar is het fout gelopen…? Misschien van bij het begin, wanneer mensen als Paulus en zij die de Johannestraditie uitmaakten in Irenaenus een verwoede verdediger vonden in zijn strijd tegen een gnostische interpretatie van de boodschap. Strijden tegen is evenwel nooit de goede optie. Het licht laten doorschijnen volstaat immers om de duisternis te verdrijven ! En dit licht horen we niet te zoeken bij anderen maar binnenin onszelf… Dit is de ultieme uitdaging die Jezus ons in het Thomasevangelie voorhoudt.

De eenheid die was in het begin, en waar zowel de ganse natuur als het kind van zeven dagen nog steeds van getuigen, werd echter door de mens genegeerd. Hiervan getuigt nog steeds het mythologische verhaal van Adam in het aardse paradijs. Zijn hoogmoed leidde tot gescheidenheid en de hieraan verbonden consequenties. Wat harmonisch hoorde te blijven werd disharmonisch. Voor die staat van gescheidenheid is geen god, godin of satan, maar de hier en nu levende mens nog steeds verantwoordelijk.

 


 




Home