Woorden van Jezus

in het evangelie van Mariam

 

Het evangelie van Mariam, alias Maria Magdalena, werd reeds in 1896 in Egypte ontdekt. Het is officieel gerepertorieerd als Berolinensis Gnosticus 8502 en wordt bewaard in het Nationale Museum van Berlijn. Een eerste publicatie ervan geschiedde korte tijd na de tweede wereldoorlog. Ook in de kruik van Nag Hammadi bevond zich een manuscript van dit evangelie. Beide exemplaren zijn evenwel fragmentarisch en dus onvolledig. Daarom zijn ze ook moeilijk te situeren en te dateren. Toch wordt aangenomen dat dit evangelie vóór het einde van de tweede eeuw bekend zou zijn geweest.

Gezien het initiële deel van dit evangelie ontbreekt, worden we als het ware gedropt middenin een conversatie tussen Jezus en enkele van zijn discipelen, o.m. Petrus, Andreas, Levi en uiteraard Mariam. De omstandigheden maken duidelijk dat deze ontmoeting zou hebben plaats gevonden na de dood van Jezus. Zij had zich evenwel net zo goed tijdens zijn leven kunnen voordoen. De appreciatie van de omstandigheden is tenslotte minder belangrijk dan een passende aandacht voor zijn boodschap. Diverse apocriefe geschriften, waaronder het evangelie volgens Thomas, maken duidelijk hoe weinig Petrus opgezet was met de aanwezigheid van Mariam als volwaardige discipel van Jezus. Ook in dit evangelie is dit conflict aan de orde. 

Op vandaag hebben we nog steeds een troebele beeldvorming omtrent de waardering die in de primitieve kerkgemeenschap aan Mariam werd toegekend. De meest dominante indruk is dat haar aanwezigheid als verstorend werd ervaren. De ongenuanceerde ingesteldheid van Paulus ten aanzien van de vrouw leert ons dat een vrouwelijke aanwezigheid in religieuze zaken ongewenst was. Anderzijds kent het evangelie van Johannes aan Mariam een bijzondere rol toe als de eerste getuige van de verdwijning van het lichaam van Jezus uit de plaats waar het na zijn kruisiging was neergelegd. Een verdwijning die, onder andere getuigenissen, aan de basis ligt van het geloof in zijn verrijzenis. In het evangelie van Fillipus, dat eveneens deel uitmaakt van de vondst bij Nag Hammadi, wordt zij zelfs voorgesteld als de levensgezellin van Jezus. Tot op heden kan niets met zekerheid worden bevestigd, tenzij dat haar aanwezigheid voor Jezus waardevol is geweest, maar blijkbaar niet te verzoenen was met een cultuurgebonden mannelijke arrogantie.

We beperken onze kennismaking met dit evangelie tot de woorden die Jezus erin uitspreekt. Gezien het manuscript niet ongehavend de tand des tijds heeft doorstaan, werden hier en daar ontbrekende woorden door deskundigen ingepast. Zij werden tussen haakjes geplaatst.

 

Evangelie van Mariam [7]  (begin van de tekst)

… de materie (zal zij vernietigd worden) of niet ?

De Verlosser antwoordde :

alle vormen in de natuur en alle schepselen bestaan in en door een

onderlinge wisselwerking en zullen daarin worden ontbonden waarin

zij geworteld zijn. Want de materie kan slechts teruggaan naar haar

eigen natuur. Wie oren heeft om te horen, hij hore.

 

De natuurlijke werkelijkheid, waarin het leven zich ontplooit doorheen een voortdurende wisselwerking van al haar componenten, bestaat niet uit zichzelf. Zij is geworteld in een werkelijkheid die evenwel elk menselijk begrip overstijgt. Hiervan was ook de profeet Jesaja (6,3) zich bewust. Hij definieerde die realiteit als kadosh, wat totaal verschillend betekent. Dit woord werd later in het latijn vertaald door sanctus of heilig. Doorheen zijn wortels is ieder element in de natuur met een heilige Bron verbonden. Daar waar het begin is, daar zal ook het einde zijn…

Zoals elke minerale, vegetale of animale levensvorm, maakt ook de mens deel uit van de natuur. Het is dezelfde wet die zijn evolutie ondersteunt, dezelfde bron waarin hij geworteld is. Hierin is de mens evenwel uitzonderlijk, dat alleen hij zich bewust kan worden van zijn verbondenheid met zijn niet te bevatten Bron. Dit bewustzijn verheft hem evenwel niet tot meester maar tot dienaar, doorheen zijn betrokkenheid in de expressie van het Heilige : de Geest.

Het volgende fragment dat we aanhalen sluit chronologisch niet bij het vorige aan. Hierin refereert Mariam naar een visioen, waarvan zij de ervaring met haar gezellen wenst te delen.

 

Evangelie van Mariam  [10] - laatste alinea.

Ik zag de Heer in een visioen en zei hem :

Heer, ik zie u vandaag in een visioen.

Hij antwoordde en zei mij :

gezegend bent jij, die niet door mijn aanblik vertroebeld bent.

Want daar waar het bewustzijn [nous] is, daar is de schat.

Ik vroeg hem :

Heer, wie een visioen aanschouwt, neemt hij waar door zijn

innerlijke zelf [psychè] of door de geest [pneuma] ?

Noch door het zelf, noch door de geest neemt hij waar, maar door

de nous die tussen beide is.

 

Het visionaire fenomeen, dat in de bijbelse traditie alomtegenwoordig is, betekent voor ons een moeilijk in te schatten ervaring. Hoe horen we hiermee om te gaan ? In het Thomasevangelie verwijst het woord “zien” vrijwel steeds naar het verwerven van inzicht. Misschien kunnen we aan een visionaire ervaring een gelijkaardige waarde toekennen… Hoe dan ook, de woorden van Jezus nodigen ons uit tot een ongewone bezinning. Hoe maken we een correct onderscheid tussen het zelf, de Geest en het bewustzijn ?

Pneuma, de Geest, betekent letterlijk adem en symboliseert een creatieve  en inspirerende energie die haar bron heeft in het Heilige. Gebruik maken van het woord “geest” om een mentale menselijke faculteit te duiden lijkt ons ongepast want verwarrend. Het bewustzijn is ongetwijfeld de meest waardevolle vrucht die door de Geest werd gegenereerd en zich manifesteert doorheen de neurologische structuren van het centrale zenuwstelsel. De mind of de psychè verwijst naar een mentale component in het bewustzijn, waarin onze gedachten en gevoelens thuis horen. Hierdoor kunnen we ons bewust zijn zowel van een persoonlijk ik als van de omgeving waarin het evolueert. In de psychè heeft het ik of het ego een centraliserende en leidende functie. Als universeel principe kan dit persoonlijke ik ook geduid worden als het individuele zelf.

De harmonie binnen de fysiologische structuren waarin het bewustzijn gedijt, bepaalt de kwaliteit van onze waarnemingen, gedachten, emoties en handelingen. Omdat die harmonie in werkelijkheid ver van perfect is, onthult het bewustzijn slechts op een gebrekkige wijze onze opdracht in dit leven. Die vaststelling betreft zowel de relatie met onze natuurlijke leefwereld als onze ontvankelijkheid voor een inspiratie van de Geest.

Zoals een diamant het licht in een veelheid van kleuren reveleert, zo onthult het bewustzijn aan de mens niet enkel alle wonderen in de natuur, waar hijzelf deel van uitmaakt, het laat hem ook toe kennis te hebben van zijn ware natuur, die geworteld is in een heilige Bron. Wanneer we in de natuur een vrucht plukken, associëren we haar spontaan met de plant of de boom die haar heeft voortgebracht. De talenten en vaardigheden die we in onszelf ervaren verbinden we echter niet met een bron die ze ons ter beschikking stelt, maar we kennen ze spontaan aan onszelf toe. Die egocentrische reflex is het die voeding geeft aan onze fierheid, laat staan aan onze hoogmoed.

De voornaamste vraag, waarmee de mens nu wordt geconfronteerd, is deze : hoe word ik me opnieuw bewust van mijn integratie in een absolute bron en van de consequenties die hieruit voortvloeien ? Wat belet er mij toegang te hebben tot een kennis van mijn diepere natuur? Wat is de oorzaak van mijn beperkingen, van mijn tekorten ? Want oprechtheid gebiedt me te erkennen dat, binnenin mezelf, niet enkel positieve talenten aanwezig zijn, maar ook heel wat minder harmonische neigingen. Zijn ook zij toe te schrijven aan een heilige Bron of zijn er soms twee bronnen : één van het goede en één van het kwade…?

Evangelie van Mariam  [ 7 - vervolg]

Petrus ondervroeg hem : wat is de zonde van de wereld ?

De Verlosser antwoordde : de zonde bestaat niet, maar jullie zijn

het die de zonde voortbrengen, wanneer jullie gedragingen

voortkomen uit een overspelig toestand. Dit is het dat men zonde

noemt. Daarom is het goede onder jullie, in jullie natuur gekomen,

om haar in haar wortel te herstellen.

Daarom (lijden) en sterven jullie, omdat jullie (houden) van wat jullie (misleidt). Dat hij die kan begrijpen dit begrijpe.

(De zinnen veroorzaken) een verlangen dat zijn gelijke niet

kent, omdat het voorkomt uit een tegennatuurlijke toestand. Zo

heerst verwarring in het gehele lichaam.

Daarom zeg ik jullie : hou moed ! En wanneer jullie ontdaan zijn,

vat toch moed bij het waarnemen van de diverse vormen in de

natuur. Wie oren heeft om te horen, hij hore…

 

Die overspelige toestand is in het evangelie volgens Thomas in beeld gebracht in logion 104 :

maar wanneer de bruidegom de bruidskamer verlaat…

Of, wanneer eenheid gescheidenheid geworden is… 

De oorsprong van de zonde ligt noch in een heilige Bron, noch in een bron van het kwade, maar in een gescheidenheid die door de mens zelf wordt veroorzaakt. De verhouding tussen het goede en het kwade is gelijkend aan die tussen het licht en de duisternis. Licht heeft een bron, duisternis niet. Duisternis is afwezigheid van licht, zoals onwetendheid afwezigheid is van kennis. De zonde heeft haar oorsprong in een verduistering van het bewustzijn van eenheid, waardoor de mens het licht uit zijn innerlijke Bron slechts gebrekkig ervaart. Door die deficiëntie verkeert het bewustzijn in een staat van schemerduister, van weinig licht, van beperkte kennis. Wanneer de perceptie van harmonie vertroebeld is, zijn onze gedragingen niet meer conform aan de wet waarin onze natuur geworteld is. Die wet heeft haar bron in een absolute werkelijkheid. Geen menselijke daadkracht is daarom bij machte haar te verstoren. Daar waar de mens wel de oorzaak van verstoringen kan zijn is het gebied waarin de wet zich uitdrukt. Hier is evenwel een wet van kracht die de wisselwerking tussen alle vormen in de natuur beheert. (zie eerste fragment) Omdat mens en natuur een eenheid vormen, zijn zowel de natuur als alle levende wezens betrokken bij de consequenties van elke individuele verstoring.

Elke zonde is het gevolg van een gebrekkige transformatie van een subtiele levensonderhoudende energie. Hiervoor is de mens zelf verantwoordelijk. Door die foute transformatie ligt hij aan de oorsprong van negatieve energieën. Het is aan ons om te erkennen dat we niet het slachtoffer zijn van een bron van het kwade, maar dat we, doorheen de solidariteit die ons allen verbindt, zelf de oorzaak zijn van onze pijnlijke ervaringen en die van anderen. In het vasthouden aan een visie, waarin het goede en het kwade in een onverbiddelijke strijd gewikkeld zijn, ligt de oorzaak waardoor we onszelf beschouwen als slachtoffer en niet als verantwoordelijke uitvoerders.

De uitnodiging van Jezus tot het meer oordeelkundig inzicht in de diverse vormen in de natuur lijkt ons ongewoon. De vertroebelde toestand, waarin ons bewustzijn zich nu bevindt, is de oorzaak van onze beperkte zichtbaarheid. Een innerlijke zuivering is dus aan de orde. De natuurwet leert ons dat de toestand, waarin een natuurlijke harmonie zich optimaal kan handhaven of herstellen, die is van rust. In de natuur stemt elke toestand van lagere energie inderdaad overeen met een toestand van hogere orde. Wanneer we erin slagen in het bewustzijn een toestand van intense rust te induceren, die niet verstoord wordt door gedachten of egocentrische verlangens, zal zich een spontaan proces van zuivering ontwikkelen. Die evolutie reveleert ons een natuurlijke ontvankelijkheid voor een subtiele inspiratie, het licht uit de Bron, waardoor we ons opnieuw van onze eenheid  kunnen bewustworden.

Met de volgende woorden nam Jezus afscheid van zijn discipelen :

Vrede zij met jullie. Geef mijn vrede aan anderen door. Breng

niemand in dwaling door te zeggen : “zie hier of zie daar”, want de

mensenzoon is binnen in jullie. Volg hem. Zij die hem zoeken zullen

hem vinden. Ga en verkondig het evangelie van het Koninkrijk.

Onderricht niets anders dan wat ik u onderricht heb. Leg geen

wetten op, zoals een wetgever doet, opdat jullie er niet zelf door

gebonden worden.

Na dit gezegd te hebben, ging hij heen.

Het is wellicht overbodig hier opnieuw te verwijzen naar Lucas 17,21 en de komst van het Koninkrijk. Tenslotte nog deze bedenking : het Griekse woord eirènè, dat traditioneel vertaald werd door vrede, betekent oorspronkelijk rust.

Dat religie niets te maken heeft met het volgen van menselijke regeltjes of wetten zal voor elkeen wel duidelijk zijn geworden…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 




Home