Het evangelie volgens Thomas - algemeen

 

 

Het Thomasevangelie

 

 

 

 

 

Introductie

 

 

Het evangelie volgens Thomas is één van 52 koptische manuscripten die in december 1945 werden ontdekt in de Egyptische woestijn nabij Nag Hammadi. Het laat ons kennis maken met een aantal uitspraken van Jezus, die opgetekend werden door een zekere Didymos Judas Thomas. Dit evangelie confronteert ons met een bijzondere dimensie in de getuigenis van de man, die twintig eeuwen terug in Palestina voor een behoorlijke religieuze beroering zorgde. Sommige van zijn volgelingen beschouwden hem immers als de Messias, waarvan de komst in de Bijbel was aangekondigd. De behoeders van de bijbelse traditie ervoeren zijn prediking echter als ketters. Wat voor de enen consonant was, werd door anderen ervaren als dissonant.

Het ontstaan van het christendom in het spoor van de prediking van Jezus, van de betekenis die aan zijn kruisdood werd toegekend en vooral van het geloof in zijn verrijzenis, behoort nog steeds en ondanks een indrukwekkende literatuur tot de mistige gebieden van onze religieuze geschiedenis. In de officiële geschiedschrijving blijkt Jezus inderdaad nauwelijks bekend te zijn. De in het Nieuwe Testament qua volume meest prominent aanwezige figuur, de jood Paulus, heeft aan de inhoud van zijn boodschap zo goed als geen aandacht geschonken. Enkel de evangeliën houden een aanzienlijke informatie in. Zij vertegenwoordigen evenwel een selecte keuze, die pas tegen het einde van de vierde eeuw officieel door de Kerk werd erkend. Die keuze berustte op menselijke interpretaties van gebeurtenissen, die werden beschouwd als de vervulling van een goddelijk  project. In de loop van hun opeenvolgende redacties en transcripties hebben zij bovendien soms ingrijpende aanpassingen ondergaan, teneinde de homogeniteit van hun inhoud te verzekeren. Door geschriften van “kerkvaders” weten we dat sommige discipelen een verschillende benadering hadden van het onderricht van Jezus. De vondst van Nag Hammadi bevestigt nu het bestaan, van bij het begin van het christendom, van een opvallende verscheidenheid aan inzichten, waartoe zijn prediking aanleiding heeft gegeven.

Het bijzondere in de getuigenis van Thomas is dat, hoewel een beduidende meerderheid van de uitspraken vermeld in zijn evangelie terug te vinden is in de canonische evangeliën, hij ons confronteert met een nieuw religieus concept dat behoorlijk afwijkend is van het oude. Het is de nieuwe wijn die niet thuis hoort in oude zakken, het nieuwe kleed dat geen verstelling behoeft met een oud stuk stof, een religieuze beleving die geen boodschap heeft aan een joodse besnijdenis. In het bewustzijn van zijn innerlijke verbondenheid met een absolute Levensbron en haar wet kan iedere mens immers toegang hebben tot een juister inzicht in zijn ware natuur. Om die verbondenheid concreet voor te stellen deed Jezus beroep doet op het beeld van de relatie die in zijn cultuur een zoon met zijn vader verenigde. Van die Vader zijn we allen, net als Jezus zelf, de kinderen. Het zou dus de bedoeling van zijn onderricht zijn geweest zijn broeders en zusters bewust te maken van de spirituele verbondenheid, waarin zij allen op een gelijkwaardige wijze verenigd zijn. In die bewustzijnservaring zou ook de ware verlossing besloten liggen.

Dit evangelie confronteert ons dus met een ongebruikelijk inzicht in het onderricht van Jezus. De hebreeuwse Bijbel houdt ons immers voor dat, sinds de zondeval van Adam, niet verbondenheid maar gescheidenheid onze relatie met God conditioneert. Dit concept vindt zijn oorsprong in een aantal bijbelse verhalen en de revelatie die sommige door God uitverkoren “profeten” zouden hebben ontvangen. Het lag aan de basis van het geloof in een verbond dat Jahwe met het joodse volk zou hebben gesloten. Een religieuze voorstelling die bovendien de voedingsbodem zou worden zowel van het christendom als van de islam. 

Het feit dat de prediking van Jezus zowat twintig eeuwen geleden plaats vond maakt onze perceptie er vandaag zeker niet makkelijker op. De culturele kloof die ons van de joodse werkelijkheid van toen scheidt is inderdaad indrukwekkend. Dit houdt in dat onze appreciatie ervan grondig verschillend kan zijn van die van de joden in het toenmalige Palestina. In de mate nochtans dat zijn onderricht, zoals dit van Krishna, van de Boeddha en van anderen ook, getuigt van een universeel religieus bewustzijn, kan de tijd geen belemmering betekenen om te trachten die universele dimensie erin te erkennen.

 

 

Het universele religieuze bewustzijn

 

Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid het twintig eeuwen oude onderricht van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn. In dit bewustzijn worden de waarheden, geboden en verboden, die godsdiensten voor zichzelf en hun gelovigen hebben vastgelegd, overstegen.

Het woord religie heeft zijn wortel in het latijnse religare, dat verbinden betekent. Wat verbonden is, is één. Zoals dit ook voor de originele betekenis van yoga het geval is, verwijst religie dus naar een eenheid, niet naar gescheidenheid… Vaak wordt religie begrepen als de verbondenheid waarin mensen die eenzelfde geloof belijden verenigd zijn. Vanuit een universeel religieus bewustzijn definiëren we religie als de eenheid waarin iedere mens, ongeacht zijn culturele achtergrond, met een absolute Zijnsbron en haar wet verbonden is.

De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie en materie. Het religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat aan de oorsprong van die werkelijkheid een oorzaak is, een bron, die niet gebonden is aan die relatieve begrippen. Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut. Dit houdt in dat de mens, vanuit zijn relatieve begrenzingen, het absolute niet kan bevatten, niet kan kennen. Ook in de hebreeuwse Bijbel wordt YHWH, de God van de joden, de Onkenbare genoemd. Zelfs zijn naam kon niet worden uitgesproken...

Voor de mens betekent het onbekende evenwel heel vaak een bron van angst. Daarom werd sinds mensengeheugenis het onkenbare een quasi obsessioneel object van kennis. In de betrachting het ontoegankelijke te ontmaskeren, zich een kennis ervan eigen te maken, deed de mens beroep op zijn verbeelding. Het onbevattelijke werd gebeiteld in een beeld. Hiervan werd de oorsprong toegeschreven aan directe goddelijke openbaringen. Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden, verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.  

De innerlijke tragiek eigen aan godsdiensten is evenwel dat, in hun streven naar een toenadering tot God, naar een godskennis, zij niet tot het inzicht van eenheid zijn gekomen maar tot dit van gescheidenheid. De niet te bevatten oorzaak van elke levensvorm werd voor de hier en nu levende mens een ontoegankelijke werkelijkheid. De wortel, die iedere mens in dit leven met zijn absolute Levensbron verbindt, werd miskend.

Door de kerkelijke overheid wordt aan dit evangelie een gnostisch karakter toegekend. Gnosis is het Griekse woord voor kennis. Een correcte definitie verzinnen voor wat als gnostisch kan worden begrepen is geen eenvoudige opgave. De verwoording van gnosis in de meeste van de in Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van die in het evangelie volgens Thomas. We stellen daarom de volgende definitie van gnosis voor. Gnosis is niet de onmogelijke kennis van God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven met een spirituele zijnswaarde verbonden te zijn. Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of wanneer ook ter wereld. Gezien echter elke kennis afhankelijk is van de toestand van het individuele bewustzijn en dit bewustzijn zelf voortdurend in evolutie verkeerd, zal het gaan van de weg van gnosis tijd en bezinning vergen. Daarom ook kan gnosis nooit als een waarheid aan een ander worden voorgehouden. Zij is de vrucht van een persoonlijke zoektocht, bevrijd van elke overtuiging van anderen. Hiervan getuigt zowel het onderricht van Krishna in de Bhagavad Gita, van de Boeddha en ook dit van Jezus in dit evangelie.

Het pad van gnosis leidt tot de erkenning dat iedere mens een tijdgebonden uitdrukking is van een tijdloos Zijn, waarmee hij blijvend verbonden is en waarin de bron ligt van alle talenten die hij in zichzelf ervaart. De hoedanigheden te kunnen denken, emoties te ervaren, zintuiglijk waar te nemen en vrij te handelen ontvangen we voortdurend uit Dit dat, zoals een bron, blijvend gevend is. Het bewustzijn met Dit verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf. De erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de schenker...

Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is de natuurlijke expressie ervan wel kenbaar. Die kennis van de relatieve werkelijkheid, van de “wereld der verschijnselen”, noemen we wetenschap. Elke juiste kennis in welk levensgebied ook kan niet strijdig zijn met een andere juiste kennis. Een correcte kennis van mens en natuur kan dus ook niet strijdig zijn met een juist religieus inzicht. Wel horen we voortdurend bewust te zijn van de begrenzing eigen aan elk menselijk weten...

De uitdrukking van een niet-manifest Zijn in een manifeste werkelijkheid heeft haar wet. De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische vibraties manifesteren die materie scheppend zijn. Zo ontstaan eerst elementaire deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en moleculen vormen. Die moleculen verenigen zich op hun beurt tot de opbouw van steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte. Zo ontwikkelt zich het leven, vanuit een leegte, in een voortdurend samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak. Het voornaamste kenmerk van de wet aan de basis van dit creatieve proces is harmonie.

 

Een leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets. Een leegte waarin het gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen totaal overstijgt... Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar heeft ieder celletje van zijn lichaam zijn bedding. Dit betekent ook dat ieder atoom of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie... In het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens : wat we door een creatieve harmonie ontvangen horen we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.

Harmonie in het denken is intelligentie, het vermogen te onderscheiden. Harmonie in onze gevoelens is liefde, het vermogen goed te zijn. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt. In een rust, de stilte in de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, intelligentie en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken. Die ervaring reveleert hem zijn spirituele verbondenheid met een absolute Zijnswaarde.

Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een absolute wet heeft miskend. In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam - de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom van kennis - het gezag dat enkel de Schepper toebehoort - aan zichzelf toegekend. Gezag is de natuurlijke vrucht van kennis. Misbruik van kennis leidt tot macht. Van het gezag van de Schepper heeft de mens macht gemaakt. Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid met de wet van harmonie verbroken. Dit was en is nog steeds zijn zonde van hoogmoed : wat één was en één hoorde te blijven heeft de mens gescheiden. Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu opnieuw bewust te worden van de verbondenheid, die was in het begin.

Wat verbonden is, is één. De kerngedachte in dit evangelie is eenheid. Omdat onze verbondenheid met een absolute zijnswaarde van een spirituele orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook moeilijk in woorden uit te drukken. Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep op beelden. Een beeld is evenwel slechts een middel om een werkelijkheid te benaderen. Nooit kan het middel verward worden met zijn doel, met de werkelijkheid die het tracht toegankelijk te maken. Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin Jezus ooit zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een beeld erkend maar voor werkelijk aanzien... Hij beschouwde zich dus als een zoon van God, aldus werden zijn woorden begrepen... Die verwarring bekocht hij met een kruisdood. Daarom zal het voor iedere toehoorder van dit evangelie een uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist in te schatten en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.

 

 

Een stukje historiek

 

Het lijkt wel een ongeschreven wet dat belangrijke ontdekkingen met toeval te maken hebben. Met de vondst, die Mohammad Ali al Samman en zijn broeders in december 1945 nabij Nag Hammadi in Boven Egypte te beurt viel, was het niet anders. In het gebied van de Jabal al Tarif, een ruwe bergstreek bezaaid met grotten en holen, waren zij op zoek naar een bijzondere soort aarde om hun akkers meer vruchtbaar te maken. Terwijl hun houwelen de grond omwoelden stootten zij op een oude kruik. Na enige aarzeling - er kon wel eens een jinn of kwade geest in verscholen zitten - besloten zij de kruik te openen. Wat zij erin ontdekten was, voor hen althans, erg teleurstellend : geen kostbare schat maar een aantal oude manuscripten, geschreven in het koptische schrift en ingepakt in dertien lederen omslagen. Terug thuis gekomen gooiden zij hun vondst bij het stro naast de oven. Een deel ervan zou zelfs gebruikt zijn om het vuur aan te steken.

Het vervolg van dit verhaal bevat alle ingrediënten voor een klassieke thriller, waarin bloedwraak, maffiapraktijken, zwarte handel en gerechtelijke processen de toegang tot de inhoud van een uitzonderlijke archeologische vondst voor langere tijd zouden beletten. Ook de hebzucht van sommige geleerden, die in deze ontdekking een opportuniteit zagen om hun eigen faam behoorlijk wat op te krikken, vertraagde aanzienlijk het onderzoek en kenbaar maken van deze geschriften.

Korte tijd na hun vondst wreekten de broeders de dood van hun vader en vermoordden zij Ahmed Ismaïl. Vrij snel werd hun bloedwraak bij de politie bekend. Uit vrees dat bij onderzoek de manuscripten zouden worden ontdekt, werden zij toevertrouwd aan een priester uit een nabijgelegen dorp. Benieuwd naar wat de waarde ervan zou zijn, vertrouwde de man één van de ledere omslagen toe aan een vriend die zich naar Cairo begaf. Zo belandde een eerste van de dertien codices, zoals die omslagen worden genoemd, op de zwarte markt. Andere zouden volgen. Want de beruchte éénogige Baj Ali, een lokale maffioso, had de hand kunnen leggen op een groot deel van de overige boeken en ze doorverkocht aan een antiquair in Cairo. Een niet onbelangrijk deel van een codex kwam zo in het bezit van Albert Eid, een Belgische antiquair die zich in de Egyptische hoofdstad gevestigd had.

Al spoedig trok die handel de aandacht van de politie, want de waarde van de ontdekking was inmiddels tot de Egyptische overheid doorgedrongen. Reeds in 1947 had de Franse egyptoloog Jean Doresse enkele door de staat gerecupereerde koptische handschriften kunnen onderzoeken. Zijn besluit was indrukwekkend. Doresse stelde noch min noch meer dat deze ontdekking een nieuwe wending zou betekenen in het onderzoek naar de oorsprong van het christendom.

Inmiddels had antiquair Tano, die de codices van Baj Ali had gekocht, deze doorverkocht aan een Italiaanse verzamelaar. Na een jarenlang proces kwamen zij uiteindelijk in het bezit van de Egyptische staat. Albert Eid wist nochtans zijn manuscripten uit Egypte te smokkelen en bood hen te koop aan in de Verenigde Staten. De vrees voor inbeslagname door de Egyptische regering belette echter elke transactie. Uiteindelijk belandde het in de geborgenheid van een kluis in een Belgische bank.   

De Nederlandse professor Gilles Quispel, die de wetenschappelijke waarde van de te koop aangeboden papyrusbladen vermoedde maar onwetend was omtrent de illegaliteit ervan, zette het Jung Instituut in Zürich aan zich dit manuscript aan te schaffen. Via een tussenpersoon in een Brussels café en een pak Zwitserse franken slaagde Quispel er in alle onschuld in een vijftigtal papyrusbladen naar Zwitserland te smokkelen. Een hele poos later, nadat hij tot de bevinding was gekomen dat één van de teksten onvolledig was, begaf hij zich naar het koptische museum in Cairo. Daar ontdekte hij de ontbrekende bladen. Zijn verbijstering was totaal toen hij de aanhef ervan las : “dit zijn de verborgen woorden die jezus de levende gesproken heeft en die judas didymos thomas heeft neergeschreven”. Dit was de aanhef van het evangelie volgens Thomas, één van de tweeënvijftig teksten die uit de kruik van Nag Hammadi in de openbaarheid zijn gekomen.

Door allerhande belangenspelletjes van geleerden duurde het nog tot 1977 vooraleer een eerste volledige publicatie in het Engels het daglicht zag in de Verenigde Staten. Inmiddels was duidelijk geworden dat de kruik van Nag Hammadi een soort bibliotheek bevatte van een gnostische gemeenschap. Tot nog toe was het bestaan van het gnosticisme ons vooral bekend door traktaten van kerkvaders, o.m. van Irenaeus, die deze ketterij bestreden. De studie van de koptische geschriften zou een meer dan verhelderend licht moeten werpen op het belang van die belevingsvorm in het vroege christendom.

De oorsprong van de manuscripten kon vrij nauwkeurig worden gesitueerd rond de helft van de vierde eeuw, de periode waarin door de Kerk een definitieve selectie werd gemaakt van de door haar erkende “boeken”, die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament. De oudste codices van de kerkelijke canon, o.m. de Codex Sinaïticus en de Codex Vaticanus, geschreven in de Griekse taal, dateren eveneens uit dezelfde periode. Het was ook in die tijd dat een machtsbevestiging van de katholieke Kerk mogelijk werd door de erkenning die zij verkreeg van de romeinse keizer Constantinus. Dit betekende meteen een zweepslag voor de bestrijding van alles wat niet tot de zuivere leer behoorde. Zo gebeurde het dat monniken van een gnostische gemeenschap de getuigenissen van hun geloof in een kruik opborgen en op een onherbergzame plek in veiligheid brachten. Pas zestien eeuwen later zou hun testimonium opnieuw voor de mensheid toegankelijk worden.

Omtrent de datering van de originele verschijning van het Evangelie volgens Thomas zijn, zoals te verwachten viel, de meningen verdeeld. De auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de Bijbelschool van Jeruzalem, het meest gezag hebbend instituut voor bijbelstudie binnen de katholieke Kerk, beschouwen dit evangelie als voortijdig aan de redactie van de canonische evangeliën. Helmut Koester van de Harvard University, die met een ploeg medewerkers de manuscripten grondig bestudeerde, situeert de oorsprong ervan rond het jaar 50. In die vroege datering wordt hij door een aantal collega’s gevolgd o.m. door Ron Cameron, S.L. Davis en C.W. Hedrick. Een niet onbelangrijke indicatie is de vaststelling dat Paulus in zijn eerste brief aan de korinthiërs quasi letterlijk logion 17 uit dit evangelie aanhaalt. Een citaat dat hij evenwel laat voorafgaan door de woorden : “zoals geschreven is”. De levende Jezus en diens evangelie wou Paulus immers niet kennen. (2Kor 5,16) Er was dus minstens één uitspraak van Jezus, die niet in de overige evangeliën vermeld wordt, bekend in het midden van de eerste eeuw. Overigens is het allerminst een uitgemaakte zaak of de canonische evangeliën, althans in de vorm waarin we ze nu kennen, een eeuw later reeds waren voltooid. Tot na het midden van de tweede eeuw is er inderdaad geen enkel citaat uit een evangelie bekend waaraan de naam van een evangelist expliciet verbonden is. Enkel het evangelie van de Heer wordt vernoemd.

Is dit evangelie nu de meest originele en dus de meest authentieke getuige van woorden, die ooit door Jezus zouden zijn gesproken ? Op die vraag zal de wetenschap ons wellicht nooit een sluitend antwoord kunnen bieden. Het meer recente onderzoek naar de Dode Zee rollen bracht aan het licht hoe krampachtig, laat staan vijandig, de relatie tussen geloof en wetenschap wel kan zijn wanneer de ontdekking van nieuwe getuigenissen aan de orde is. Omdat het traditionele geloof een geruststellende zekerheid inhoudt omtrent een tijdloze toekomst na dit leven en dus een oplossing biedt voor existentiële angsten, voelen heel wat gelovigen zich geborgen binnen de veilige muren van hun geloof. Het draagvlak van het geloof berust nochtans niet op rationele gronden maar op een gevoelsmatige benadering van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Daarom ook kunnen rationele bespiegelingen hierop nauwelijks vat hebben. Dit maakt van de ontmoeting tussen geloof en wetenschap een heel problematische aangelegenheid.         

In Jezus ligt de getuigenis besloten dat een juist religieus inzicht nooit aanleiding kan geven tot macht, en evenmin tot enige vorm van angst... Zijn kennis was dienend en dus bevrijdend ! Daarom kunnen we ook niet om de bedenking heen hoe de machtspolitiek, die door de Kerk eeuwenlang werd gehuldigd en waarin de angst voor het onbekende een wezenlijke rol speelde, te verzoenen is met de ingesteldheid waarvan Jezus getuigde. Is de Kerk, in haar drang naar zelfbevestiging, niet zoveel meer Paulus gevolgd dan Jezus...? Waren er geen volgelingen van Jezus voor wie een correcte benadering van diens onderricht belangrijker was dan dit voor Paulus ooit is geweest...? De uitklaring van het belang van de gnostische beleving in de eerste eeuwen kan ongetwijfeld bijdragen tot een vernieuwd inzicht in het ontstaansproces van het christendom. Nooit echter zal de wetenschap in staat zijn een antwoord te bieden op de vraag naar de ware toedracht van de religieuze getuigenis van Jezus.

 

 

 

De commentaar

 

 

Elke uitspraak of logion in dit evangelie voorzagen we van een hopelijk verhelderend commentaar. De bedoeling ervan is niet een zoveelste religieuze “waarheid” te poneren maar de zoektocht naar de niet conventionele inhoud in de boodschap van Jezus voor ieder die het wenst iets meer toegankelijk te maken. Interpreteren behoort tot de vrijheid van ieder individueel bewustzijn. Daarom ook kan een interpretatie nooit als een waarheid aan een ander worden voorgehouden, laat staan opgedrongen. In een religieuze context behoort de waarheid overigens tot het pretentieuze menselijke weten, tot het venijn van de paradijselijke slang. Dit venijn is het dat elke toenadering tussen religieuze gemeenschappen zo bijzonder moeilijk maakt.

Van elke kennis is een elementaire mentale vrijheid de noodzakelijke basis. Vanuit die vrijheid benaderen we Jezus als een mens die, zoals de Boeddha en zovele anderen nog, ooit getuigenis aflegde van zijn religieuze bewustzijn. Die gebeurtenis gaf aanleiding tot het ontstaan van een nieuw geloof. We zijn er ons wel van bewust dat het in vraag stellen van de interpretatie van de prediking, waaruit het christelijke geloof is ontstaan, bij heel wat gelovigen gevoelig ligt. Voor die gevoeligheid hebben we niet alleen begrip maar ook respect. Vrijheid impliceert echter verantwoordelijkheid, want kennis is slechts zinvol indien zij dienend ter beschikking wordt gesteld. Hoe met kennis wordt omgegaan behoort dus tot de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens.

Het gaan van een vrije religieuze zoektocht wordt niet bepaald door een cultuurgebonden traditie maar is afhankelijk van de toestand van elk individueel bewustzijn. Bij het zoeken naar een antwoord op levensvragen staat iedere mens in een eenzame naaktheid tegenover zichzelf. Overtuigingen van anderen zijn hem van geen nut... Toch kan elke kennis voor een ander iets bevrijdend inhouden, een gelegenheid zijn om een straaltje licht te ontwaren waar duisternis is, inzicht te verwerven waar twijfel heerst. Voor elke toehoorder van de boodschap in dit evangelie, gelovig of niet, zal het dus een uitdaging zijn eigen overtuigingen even opzij te schuiven en “open minded”, zonder vooringenomenheid, te luisteren en op zoek te gaan naar de diepere betekenis in de religieuze getuigenis van een medemens. De basisvraag, waar we allen in dit leven mee te maken hebben, is niet wie of wat God zou kunnen zijn maar wel : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is de zin van mijn bestaan, wat mijn finaliteit...?

In verband met de voorgestelde commentaar nog deze opmerking. In de loop van de 114 uitspraken of logia komen dezelfde thema’s bij herhaling aan bod. De essentie van de boodschap is te vatten in een paar “radicale” - radix betekent wortel - inzichten. Hiervan worden ook regelmatig nevenaspecten belicht. Het is daarom moeilijk te vermijden met de commentaar in herhaling te vervallen. We zijn er echter bewust van uit gegaan dat een dergelijke getuigenis een gelegenheid tot bezinning kan betekenen, waarbij de lezer zich tot één of enkele logia kan beperken.

 

 

Vertalen is verraden...

 

 

...wordt wel eens en vaak terecht beweerd. De overdracht van een religieuze kennis heeft steeds en in elke cultuur aanleiding gegeven tot een vervorming of een ontaarding van de initiële boodschap. Dit lot werd ook de boodschap van Jezus niet bespaard. Nog steeds is het een realistische vraag hoe zijn getuigenis door joodse discipelen werd begrepen, hoe de opeenvolgende redactoren van de evangeliën hiermee zijn omgegaan, welke interpretatieve manipulaties die geschriften hebben ondergaan in de loop van hun overlevering. Zelfs bij de vertaling van de Griekse basistekst naar een moderne taal vertoont de transcriptie te vaak interpretatieve ingrepen. Aan een dergelijke manipulatie ontsnapt ook deze getuigenis niet.

De taal van dit evangelie is koptisch en is dus reeds een vertaling, want Jezus heeft niet in het koptisch gesproken. Omtrent de waarheidsgetrouwheid ervan zullen steeds niet te beantwoorden vragen blijven bestaan. De vertaling van het koptische origineel naar een moderne taal is weliswaar specialistenwerk, maar kan normaliter vrij secuur gebeuren. Uit diverse vertalingen, die we konden inkijken, blijkt nochtans hoe vaak de vertaler de neiging vertoont reeds in het vertaalwerk de inhoud van de boodschap voor de lezer iets meer toegankelijk te maken. Soms leidde onbegrip tot een ronduit foute vertaling. Interpreteren en vertalen zijn twee verschillende oefeningen, die blijkbaar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vertaling van sommige woorden plaatste ons overigens voor een quasi onmogelijke opgave.

Zo is monachos een sleutelwoord in dit evangelie. We hebben het bewust onvertaald gelaten omdat de inhoud ervan niet in één woord te bevatten is. Monachos is zowel Grieks als koptisch. De stam ervan is monos, dat één of alleen betekent. In monachos herkennen we het woord “monnik” : een persoon die zich van de wereld heeft afgezonderd om dit te zoeken wat “God” genoemd wordt. Niet het uiterlijke gedragspatroon maar de innerlijke ingesteldheid is evenwel bepalend voor de eigenschap van de monachos. Hij of zij is een persoon die een innerlijke weg is gegaan en tot het bewustzijn is gekomen van de integratie van het individuele “zelf” in een absolute zijnswaarde.

Een gerichtheid naar het innerlijke veronderstelt een zich onthechten van de gebondenheid aan uiterlijke waarden. In dit “loslaten” richt de zoektocht zich niet naar een God maar naar het diepere wezen van het eigen “zelf”. De ultieme onthechting bestaat erin het zo belangrijke “ikje” en zijn dominante positie binnen het eigen leven te relativeren tot zijn werkelijke waarde als dienende transformator van een inspiratie, die uit het hogere - dit dat binnenin is - kan ontvangen worden. In die bevrijdende ervaring heeft de monachos de initiële én ultieme realiteit van het eigen wezen erkend. Zowel één, eenzaam, onthecht als bevrijd, zijn eigenschappen die horen bij monachos.

Een ander vertaalprobleem stelt zich bij het woord psychè. We erkennen dit woord als de stam van psychologie. Een vertaling door ziel ligt dus voor de hand. Maar is het de ziel in “bezieling” of “zieleroerselen” of daarentegen die in de uitdrukking : “een mens is een onsterfelijke ziel in een sterfelijk lichaam” ? En wanneer we hierbij aansluitend ook nog het begrip pneuma, dat adem maar ook geest betekent, van een correcte inhoud moeten voorzien, is de klus nog lang niet geklaard ! Beide begrippen sluiten bovendien aan bij een lichamelijke realiteit en ook hiervoor worden twee termen gebruikt: soma en sarks. Soma verwijst naar het lichaam als de materie gebonden component van de mens. Onder sarks wordt dan eerder het door de psychè “bezielde” lichaam bedoeld, naar het beeld : “een mens van vlees en bloed”, zoals ook Paulus in die betekenis sarks gebruikte. (1 Kor 15,50)

De mens is een psychosomatische entiteit, een eenheid van psychè en soma, die wordt uitgedrukt in het woord sarks. De psychè zouden we kunnen omschrijven als een soort innerlijk reservoir, dat zowel rationele als emotionele inhouden bevat die voortkomen uit de aanhoudende wisselwerking tussen het ik en zijn omgeving, en zowel bewuste als onbewuste inhouden bevat. Hierdoor bepaalt de psychè het “innerlijke zelf” van de mens en geeft zij inhoud aan zijn ego.

De inhoud van pneuma, dat adem betekent maar tevens de Geest of Spiritus symboliseert, pogen te omschrijven is evenmin een eenvoudige opgave. Zoals een dier beschikt over een leiding gevende inspiratie, die we het instinct noemen, zo ontvangt ook de mens een inspiratie om zijn hoedanigheden juist en dus harmonisch uit te drukken. De bron ervan ligt in het hogere en wordt in een religieuze optiek de “werking van de Geest” genoemd. We hebben evenwel de gewoonte aangenomen het te hebben over een menselijke “geest”. In werkelijkheid bedoelen we hiermee dit, dat ons rest van een inspiratie uit het hogere, na haar transgressie doorheen de mentale component van ons bewustzijn. Door deze interferentie is de “menselijke geest” vooral gekenmerkt door een persoonlijke gevoeligheid. Het is dus belangrijk de menselijke “geest” te onderscheiden van de absolute Geest en haar te erkennen als een product van de mentale fractie van het bewustzijn, die we de psyche noemen.

Het al dan niet harmonisch samengaan van deze onderscheiden functies binnenin de mens resulteert uiteindelijk in een wel bepaalde toestand van zijn bewustzijn. Hoe zuiverder de structuren van het bewustzijn zijn, des te doeltreffender de pneuma zich kan manifesteren en des te beter de kwaliteit van elke beleving zal zijn : van het denken, het voelen, het ervaren en het handelen. Met deze verduidelijkingen hopen we misverstanden, inherent aan een delicate vertaling, te vermijden. We vertaalden dus : psychè door “innerlijke zelf”, pneuma door “geest”, soma door “lichaam” en sarks door “vlees”.

In de evangelische traditie stelt er zich nog een bijzonder vertaalprobleem, namelijk bij de betekenis van het Griekse woord basileia. Aansluitend bij de joodse verwachting werd het vertaald door koninkrijk. De eerste betekenis ervan is echter koningschap, dat verwijst naar de koninklijke waardigheid. Door extensie kan het ook koninkrijk betekenen. Toch is er een wezenlijk onderscheid tussen beide begrippen. Een koninkrijk is een gebied waarover een koning heerst, waarover hij zijn macht uitoefent. Wie tot zijn koninkrijk behoort moet zijn wetten aanvaarden en kan uiteraard ook genieten van de voordelen ervan. Het begrip koningschap legt daarentegen de nadruk op het koninklijke gezag en de verantwoordelijkheid die hieruit resulteert.

Op te merken valt dat een Messias een koning was, die weliswaar over macht beschikte maar vooral een enorme verantwoordelijkheid had, namelijk die van de komst van het Koninkrijk van God voor te bereiden. In dit evangelie verwijst de titel van koning overigens niet naar macht maar naar gezag en dus naar verantwoordelijkheid. In de betrachting geen interpretatie op te dringen hebben we bij de vertaling het woord Koninkrijk behouden. Aan de lezer om, zo gewenst, de betekenis ervan zelf bij te sturen.

Deze weergave van het evangelie volgens Thomas berust op een vergelijkende studie van diverse vertalingen. Als basistekst maakten we vooral gebruik van de Franse versie van “Évangile selon Thomas” (Collection Metanoia 1979), omdat die uitgave een kritische woord aan woord vertaling bevat vanuit het koptische origineel. Daar waar we dachten te moeten bijsturen, omdat we het vermoeden hadden dat zich transcriptiefouten of een of andere vorm van bezoedeling hadden voorgedaan, deden we dit in alle helderheid. Vele logia hebben herkenbare sporen nagelaten in de canonische evangeliën. Telkens dit het geval is werden de nodige verwijzingen aangegeven. Zo kan de lezer voor zichzelf uitmaken welke weergave de meest originele zou kunnen zijn.

Tenslotte nog dit : het koptische origineel is een doorlopende tekst, zonder spatie tussen de woorden, zonder leestekens noch hoofdletters. Om iets van de oorspronkelijke sfeer te behouden hebben we daarom leestekens en hoofdletters weggelaten en enkel de woorden van elkaar gescheiden.

 

 

 

Het evangelie volgens Thomas

 

 

 

 

 

dit zijn de verborgen woorden

die jezus de levende gesproken heeft

en die didymos judas thomas heeft neergeschreven

 

 

De aanhef van dit evangelie maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos judas thomas. De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het Grieks. Judas was toen een veel voorkomende naam. Thomas betekent tweeling in het Aramees, de taal die Jezus sprak. Het is niet duidelijk naar wat die dubbele referentie naar tweeling verwijst. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of zus. Die bijnaam zou ook kunnen verwijzen naar de spirituele verbondenheid waarin Judas met Jezus verenigd was. “Elke volmaakte discipel zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie (Lc.6,40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft. De naam Didymos wordt hem ook in Joh.11,16 en 21,2 toegekend. In Joh.14,22 wordt hij gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse varianten van het Johannesevangelie. (*)

De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is, verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak. Zijn kennis is verborgen in het beeld. Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand liggende interpretatie van verborgen woorden. In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal geschriften in omloop, waarvan de inhoud niet door de primitieve Kerk als waarheidsgetrouw werd aanzien. Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden “apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos, dat verborgen betekent.

Een vertaling door “geheime woorden” vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel toegankelijk voor een ingewijde. De boodschap van Jezus getuigt van een universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd. De betekenis van de woorden leven en dood heeft in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch leven en dood wordt begrepen. Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is    doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.

 

(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan enkel worden gespeculeerd. De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de “verrader”. In het verhaal van de onthulling door Jezus van de aanwezigheid van een verrader, een man waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse werkwoorden gebruikt : paradidomai en prodidomai. Het eerste betekent : doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven. Het tweede heeft de connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden, verraden dus. Gezien de verbaasde reactie van de apostelen bij het bekend maken door Jezus dat iemand hem zou verraden - “zou ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbaar te veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn boodschap over te leveren. Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit de erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers van Johannes, blijkbaar onaanvaardbaar was. Zo werd het scenario van een verraad bedacht. De apostel Thomas als een verrader beschouwen was evenwel een brug te ver. Een andere Judas, Iskariot genaamd, zou zo het slachtoffer geworden zijn van een obscure manipulatie. De naam Iskariot is afgeleid van sica, een soort dolk die gedragen werd door de sicariotes. Die naam verwees naar een strijdvaardige groep binnen de sekte van de zeloten en verbasterde tot iscariot. Door hem als verrader te brandmerken zou men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest... Anderzijds weten we uit de evangeliën dat Judas ook de naam was van een broeder van Jezus. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben, blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...

 

 

1

en hij heeft gezegd

wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

                                                                                                                               

Joh 8,51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart... nooit zal hij de dood smaken.”

 

De uitdaging waar we voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn is, des te juister het inzicht zal zijn. Dit houdt in dat een interpretatie steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van de verwoorde kennis tijd en bezinning vergen.

De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet enkel bij Johannes terug te vinden. Noteer terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord bewaren... Wie de juiste betekenis, die in zijn woorden verborgen ligt, zal ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht en onwetendheid afwezigheid van kennis. De ervaringskennis, die toen gnosis genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks geassocieerd met leven. Toegang hebben tot gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware leven. De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van het biologische ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute innerlijke bron, niet deren.

 

 

2

jezus heeft gezegd

dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt

en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn

en indien hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn

en hij zal koning zijn over het al

 

vergelijk : Mt 7,7-8 - Lc 11,9-10

 

Wie tot een juiste interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van het eigen ik en zijn overtuigingen worden gerelativeerd in het licht van een nieuwe kennis. Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend. Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict met het oude. Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in het koningschap van de Vader.

Zoals verder zal blijken (zie logion 81), verwijst de titel van koning vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.

 

 

3

jezus heeft gezegd

indien zij door wie jullie worden aangetrokken zeggen

zie het koninkrijk is in de hemel

dan zullen de vogels van de hemel jullie vóór zijn

indien zij zeggen het is in de zee

dan zullen de vissen jullie vóór zijn

maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie

wanneer jullie jezelf zullen erkennen zullen jullie erkend zijn

en jullie zullen weten dat jullie zijn

de kinderen van de vader de levende

indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen

dan verblijven jullie in een armoede

en jullie zijn de armoede

 

Lc 17,21: “De komst van het koninkrijk van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos ùmôn estin.

 

Hier begint de confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen is niet zinvol. De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van een zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij van anderen ? De vraag is veeleer : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is hier en nu mijn opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat “mens” heet ?

Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht duidelijk omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het Koningrijk van God”. De komst van dit Koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw. Dit zou hen op de nakende “dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7,29) Die droom werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het Koninkrijk tot het hiernamaals behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17,21, door de christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer ingrijpend geweest dan dit van Jezus...

De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de uiterlijke ervaring ervan - en het is buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk behoort tot een reële ervaring hier en nu, in dit leven. Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder celletje van ons lichaam naar Zijn wet. Zich van die verbondenheid bewust worden impliceert de erkenning van een levensbron  binnenin zichzelf. Wie dit erkent zal ook erkend zijn. Zich bewust worden van een innerlijke bron houdt dus een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid verdrijft. Indien we ons hiervan niet bewust zijn verblijven we in een armoede. Dit is de toestand waarin Jezus zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is... (zie verder logion 28)

Om het intieme karakter van zijn verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die verbondenheid is echter niet uitsluitend aan hemzelf voorbehouden ! Allen zijn we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de Vader, de Levende. Terloops kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, naar een ruimte die onze relatieve schepping omsluit. Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid, dienstig kan zijn als een symbool dat naar “het hogere” verwijst.

 

 

4

jezus heeft gezegd

in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen een klein kind van zeven  dagen te ondervragen naar de plaats van het leven

en hij zal leven

want vele eersten zullen zich laatsten maken

  en zij zullen één zijn

 

voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19,30 - Mc 10,31 - Lc 13,30

 

Van deze woorden van Jezus overleefde in de canonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een kind van zeven dagen verenigt. De eerste heeft een gans leven achter zich, het laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat naar het volmaakte verwijst, niet toevallig gekozen. Het kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie van en met zijn levensbron. Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van de oude man zodanig beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid inziet.

Ooit is ook hij een kind van zeven dagen geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij zich vragen. Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te bespeuren geweest. De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven. Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had hij toch steeds aan zichzelf toegekend.

Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens wel in overeenstemming met het plan dat God met hem had ? Had hij niet moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”

Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... tot hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette. Als door een plotse intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste, want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het kleine kind, het laatste, want het laatstgeborene... Immers, de plaats van het leven, de absolute bron waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.

 

 

5

jezus heeft gezegd

erken wat voor je aangezicht is

en wat verborgen is zal zich voor jou ontsluieren

er is inderdaad niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

 

vergelijk: Mc 4,22 - Mt 10,26 - Lc 8,17 en 12,2

 

Dit logion richt onze aandacht op de kennis van het uiterlijke aspect van het Koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is : de natuur en haar wetten. Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op verfijnde technologische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische harmonie naar waarde te schatten. Moderne media bieden ons het voorrecht het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale, de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht. En toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als binnenin zichzelf te verstoren... In de mens kan het leven slechts dan tot vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van harmonie.

Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn met een juist religieus inzicht...

 

 

6

zijn discipelen ondervroegen hem en zeiden

wil je dat we vasten en op welke manier zullen we bidden

en zullen we aalmoezen geven

en welke voedselnormen zullen we in acht nemen

jezus zei

zeg geen leugens en wat jullie verwerpen doe het niet

want vóór het aanschijn van de hemel wordt alles onthuld

er is immers niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

en niets dat bedekt is dat niet zal ontsluierd worden

 

 

Het joodse geloof is de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak te kunnen maken op een toegang tot het Koninkrijk van God. De weg die Jezus voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet, behoeft geen menselijke voorschriften ! De inspiratie uit de bron is een unieke en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere, handelt in harmonie met het scheppende, het hogere. Wie fout handelt ondergaat de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit betekent hier en nu - aangerekend. Dit verwijst naar de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)

Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden. Aan opgelegde handelingen, zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde voedselnormen, als een middel om voor zichzelf een toegang tot het Koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen boodschap. Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn aandacht niet...

 

 

7

jezus heeft gezegd

gelukkig is de leeuw die door de mens gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

en te misprijzen is de mens die door de leeuw gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

 

 

In de mond van Jezus is dit voorons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is... Toegegeven, de interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten, wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen zinvolle verklaring te komen.

Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone realiteitszin.

Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch leidt tot eenzelfde conclusie : en de leeuw zal mens zijn. De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens weliswaar biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden. Het is de finaliteit van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis, maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter beschikking staan. Om dit waar te maken is het noodzakelijk dat hij zijn aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied van het lagere, daar waar de leeuw heerst. De wet van de leeuw is de wet van de sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te gaan en hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden bedacht.

Soms hoort men wel eens zeggen : in dit leven zijn er twee soorten mensen : winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie met de leeuw, hebben overwonnen. Zij hebben het gemaakt en verkeren in de illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon machtswellust. Daarom : gelukkig is de leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens zal de leeuw heersen : en de leeuw zal mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.

De verliezers zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren, want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan. Een totale afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven” maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.

Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw. Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door zijn hoogmoed. Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten van een lagere orde en macht uit te oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met de leeuw. Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat, steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.

Ambitie is een natuurlijke stimulans die het mogelijk maakt eigen talenten te ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase. Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken. Wanneer hij tot het bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf geen machtspositie meer opeisen. (zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel dankbaar zijn en dienen. Zijn opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het hogere.

De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit een terechte keuze !

 

 

8

en hij heeft gezegd

de mens is gelijkend aan een attente visser

die zijn net had uitgeworpen in de zee

hij haalde het uit de zee op gevuld met kleine vissen

onder hen vond hij een grote uitstekende vis

alle kleine vissen wierp hij terug in zee

moeiteloos koos hij de grote vis uit

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

Mt 13,47-50 : “En nog is het rijk der hemelen gelijkend aan een net, dat in de zee geworpen werd en zich vulde met allerhande zaken. Wanneer het vol was trokken zij het langs de oever op, gingen zitten en vulden de manden met wat goed was. Het slechte gooiden zij terug. Zo zal het zijn op het einde van de wereld. Engelen zullen komen en zij zullen de slechten van de rechtvaardigen scheiden en hen in het laaiend vuur werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars.”

 

 

Thomas met Mattheüs vergelijken is meer relevant dan honderd commentaren… “Wie oren heeft...” De aanwezigheid van vissers onder de discipelen zal aan dit beeld wellicht niet vreemd zijn geweest. Beter dan wie ook waren zij in staat de waarde van die éne grote vis in te schatten. De man is een attente visser - letterlijk : “die er met zijn hart bij is” - die zijn vangst aandachtig onderzoekt vooraleer de veelheid aan kleine vissen terug in zee te werpen. Zo ontdekte hij die éne grote vis en aarzelde niet langer.

Een juist onderscheidingsvermogen ontwikkelen is de boodschap, aandacht hebben voor het meest waardevolle, zich niet laten afleiden door waarden van een lagere orde. Aan waarden allerhande hebben we in dit leven geen gebrek, noch aan theorieën of ideologieën van verlichte zieners of wetenschappers. Voor zichzelf een openheid van geest ontwikkelen is een belangrijke opdracht om vanuit een kritische kijk op de eigen levenservaring een correcte waardeschaal aan te leggen. Hierbij is de natuur en haar wet een uitgelezen gids. Wat vergankelijk is heeft evenwel de waarde van het vergankelijke. Die éne uitzonderlijke waarde, waar de zoekende mens naar uitziet, behoort niet tot het gebied van “hebben” maar tot dit van “zijn”. Een zijnswaarde heeft een absoluut draagvlak, is universeel en tijdloos, want gevestigd in de bron zelf van het Zijn. Hiervan is het volgende logion een bijzondere illustratie.

 

 

9

jezus heeft gezegd

zie de zaaier ging uit hij vulde zijn hand en wierp

sommige vielen op de weg vogels kwamen en pikten ze op

andere vielen op rotsen en schoten geen wortel in de aarde

noch richtten zij aren naar de hemel

en andere vielen op doornen zij verstikten het zaad

en de worm at het op

en andere vielen op de uitgelezen aarde

en zij richtten een uitstekende vrucht naar de hemel

de opbrengst was zestig per maat en honderdtwintig per maat

 

vergelijk: Mt 13,1-23 - Mc 4,1-20 - Lc 8,4-15

 

 

Het is de kracht van het woord van Jezus én de weg én de finaliteit van het leven te vatten in een natuurlijk beeld dat voor iedereen toegankelijk is. In de drie synoptische evangeliën is dit zijn eerste parabel. Wie de zin ervan in zijn totaliteit heeft doorzien, heeft meteen de essentie van zijn boodschap begrepen ! Toch blijkt de eenvoud van het beeld geen waarborg te zijn voor een eenvormig begrip...

In de evangeliën wordt deze parabel inderdaad gevolgd door een interpretatieve verduidelijking, die Jezus zou hebben gegeven omtrent de betekenis van de zaden die niet in de goede aarde vallen. Een vrij verwarrende verduidelijking overigens wanneer de verschillende evangeliën aandachtig met elkaar worden vergeleken. De evangelisten zijn het niet eens in hun interpretatie... Daarom wordt zij door de auteurs van de Bijbelschool van Jeruzalem afgevoerd als een interpretatie die door verantwoordelijken van de primitieve Kerk in de mond van Jezus zou zijn gelegd. Overigens hebben we hier te maken met de kleine vissen uit het vorige logion : zaden die waardeloos zijn omdat zij hun finaliteit niet waarmaken. Ook is het een eeuwenoude twistappel of het nu de goede aarde is dan wel de zaden die de vruchten voortbrengen... In het licht van dit evangelie blijkt ook dit een steriele discussie te zijn.

Zoals het noch de zaadcel is van het mannelijke, noch de eicel van het vrouwelijke die het biologische leven voortbrengen maar de nieuwe eenheid die ontstaat door hun vereniging, zo zijn het noch de zaden noch de goede aarde die de vruchten voortbrengen. In hun eenheid manifesteert zich het leven spontaan !

De wezenlijke vraag, die hier aan de orde is, is deze : hoe komt de mens tot een leven waarin hij, overeenkomstig zijn finaliteit, vele vruchten kan voortbrengen waar hijzelf kan van genieten ? Ooit was de goede aarde de voedingsbodem van het zaad. Wil het zijn finaliteit, dit waarvoor het te dienen heeft, waarmaken dan moet het teruggaan naar de plaats waar zijn oorsprong was. (zie logion 18) Zolang het zaad, dat tot het zaaigoed behoort, zaad blijft brengt het geen vruchten voort en dient het dus het levensproces niet. Wanneer het, in de eenheid met de grond waaruit het zelf is ontstaan, zijn uiterlijke omhulsel loslaat en dus ophoudt zaad te zijn, wordt het dienend voor het leven en brengt het vele vruchten voort. Pas dan heeft het zijn finaliteit waargemaakt.

Zoals in de natuur, kan ook in de mens het nieuwe slechts ontstaan uit een “ontmanteling” van het oude. Het loslaten van het oude is de voorwaarde om, vanuit de eenheid die was in het begin, de plaats waar het kleine kind van zeven dagen nog in verblijft, het nieuwe te laten ontluiken. We hoeven niet te treuren bij het verlies van het oude. In het loslaten van de hoogmoed, waarmee we onszelf hebben bekleed, van onze pretentieuze ik-waarden, van een vermeende godskennis ook, ligt hier en nu de nieuwe geboorte.

Zoals het nirwana voor de Boeddha, is ook voor Jezus het “deel hebben in het koningschap van de Vader” geen realiteit die slechts na een biologische dood kan worden bereikt, maar het reveleert zich in de vervulling van onze levensopdracht hier en nu ! In het licht van dit inzicht krijgen de woorden van het priesterlijke gebed in Joh 17,21-23 hun volle betekenis : “opdat allen één zijn zoals U Vader in mij en ik in U, ... zodat zij volmaakt zijn in het éne...

 

 

10

jezus heeft gezegd

ik heb een vuur in de wereld gebracht

en zie ik behoed het tot het ontvlamt

 

vergelijk: Lc 12,49-50

 

 

Misschien zijn dit wel profetische woorden van Jezus. Ongetwijfeld zal hij tot de bevinding zijn gekomen hoe moeilijk de opdracht voor zijn medemensen was het nieuwe en verstorende van zijn kennis - hier gesymboliseerd in het vuur, dat toen ook een bron was van licht - in zich op te nemen. Meestal was onbegrip hun deel. Het ontvlammen, het doorstromen van zijn kennis, was toen blijkbaar nog niet aan de orde. Zijn vuur zou een waakvlam blijven tot het collectieve bewustzijn van de mensheid voldoende ontvankelijk zou zijn om het te laten ontbranden.

Wellicht is het niet toevallig dat dit evangelie pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een nieuwe openbaarheid is gekomen. Nu de mensheid aan een bevrijdende bewustwording toe is en dus de openheid heeft te luisteren naar een nieuw geluid, kan het immers de aanzet betekenen tot een spiritueel ontwaken.

 

 

11

jezus heeft gezegd

deze hemel zal voorbijgaan en die erboven zal voorbijgaan

en zij die dood zijn leven niet

en zij die levend zijn zullen niet sterven

de dagen dat jullie aten wat dood is

maakten jullie er iets levend van

wanneer jullie in het licht zullen zijn

wat zullen jullie doen (*)

in de dagen dat jullie één waren hebben jullie de twee gemaakt

wanneer jullie daarentegen twee zijn wat zullen jullie doen (*)

 

vergelijk: Mt 5,18  8,22  24,34-36 - Mc 13,30-32 - Lc 9,60  16,17  21,32-33

 

 

Een interpretatieve verduidelijking zou er kunnen in bestaan na de eerste regel aangeduid met (*) een “!” te plaatsen en na de laatste een “?”.

Het biochemische proces, waardoor we in de spijsvertering van dode materie iets levend maken, behoort tot een absolute wet die het biologische leven in stand houdt. Bewust van dood naar leven gaan betekent een spirituele geboorte, waarbij het licht van het hogere zich integreert in het lagere. Dit is de weg waarlangs in iedere mens het bewustzijn van een spirituele eenheid kan ontluiken. In het verhaal van de zondeval ligt de scheiding besloten van één naar twee. In die scheiding ligt onze spirituele dood. Het beeld van het zaad verduidelijkt onze opdracht : teruggaan naar de natuurlijke eenheid die was in het begin. Zou de diepere betekenis van verrijzenis niet eerder in een spirituele transformatie te zoeken zijn dan in een fysieke terugkeer ? Zou Jezus, ruim vóór zijn kruisdood, die verrijzenis soms niet binnenin zichzelf hebben verwezenlijkt...?

Zoals reeds bleek in logion 3 is de hemel niet de plaats waar God verblijft, maar overkoepelt hij onze leefwereld. Hierin zijn we weliswaar biologisch levend maar spiritueel meestal nog steeds dood. De weg van een spiritueel ontwaken gaan betekent : tot het inzicht komen verbonden te zijn met een absolute bron, die ons zovele mogelijkheden biedt, en in die verbondenheid onze verantwoordelijkheid erkennen. Wie zich richt naar die innerlijke bron, haar licht ontvangt, bevrijdt zichzelf uit de illusie van zijn of haar dominante ik-waarde en komt tot leven. Een andere hemel zal voortaan dit leven overkoepelen. Niet meer de wet van dualisme maar die van eenheid zal de basis zijn voor een nieuwe beleving. Maar ook aan die ervaring komt een einde, want in de eenheid van het biologische en het spirituele is het biologische tijdgebonden.

Wie verblijft in de duisternis van de gescheidenheid is nog steeds “dood” en ondergaat de wetten van het lagere. Wie het licht ontvangt komt tot leven en zal de dood niet smaken...

 

 

12

de discipelen zeiden tot jezus

we weten dat jij ons zult verlaten

wie zal er groot zijn over ons

jezus zei hen

daar waar jullie zullen zijn gekomen

zullen jullie naar jacobus de rechtvaardige gaan

wat hemel en aarde aanbelangt komt hem toe

 

vergelijk: Mt 18,1 - Mc 9,33-34 - Lc 21,32-33

De vertaling van de laatste lijn is problematisch. Letterlijk staat er namelijk : deze omwille van wie hemel en aarde zijn geweest. Uiteraard is dit moeilijk te bevatten. Ofwel hebben we te maken met een transcriptiefout, ofwel is dit een specifieke uitdrukking die niet letterlijk kan worden vertaald en waarvan onze interpretatie slechts een voorstel is.

Blijkbaar hebben de discipelen van Jezus vernomen dat zijn aanwezigheid onder hen slechts van korte duur zal zijn.(*) Bovendien is uit zijn woorden af te leiden dat hij, op het ogenblik dat hij hen dit antwoord geeft, de illusie heeft laten varen hen tot het juiste bewustzijn te kunnen verheffen. De zoektocht die zij, zoals wij allen, te volbrengen hebben is duidelijk nog niet volbracht, want nog steeds hebben zij de behoefte aan een leidsman.

Vermoedelijk is Jacobus de broeder van Jezus (zie Mt 13,55 en Mc 6,3), die na de dood van Jezus de verantwoordelijkheid voor de primitieve geloofsgemeenschap op zich nam. Ook hij zou door de joodse overheid worden ter dood gebracht. Hij wordt de rechtvaardige genoemd. Hij heeft dus kennis van rechten en plichten die noodzakelijk zijn om binnen een lagere orde - want hemel en aarde gaan voorbij - de harmonie te handhaven. Hoe waardevol zijn raad ook mag zijn, nooit echter zal hij het licht kunnen brengen, dat in de woorden van Jezus besloten ligt. (zie logion 38)

(*) Traditioneel wordt aangenomen dat het “openbare leven” van Jezus drie jaren zou hebben geduurd. Het voornaamste argument hiervoor is de aanwezigheid van drie paasfeesten in het Johannesevangelie. Die voorstelling van de feiten duikt, volgens de Bijbelschool van Jeruzalem, slechts op in de derde redactie van dit evangelie. In de tweede redactie zou er voor zijn openbare optreden een tijdsindeling van zes weken zijn geweest. Hoeveel tijd er tussen elke week kan zijn verlopen is evenwel niet bekend. De vermoedelijke duur van zijn prediking zou hoe dan ook heel wat korter zijn geweest. Het valt overigens moeilijk te begrijpen dat de joodse overheid een dergelijke onorthodoxe prediking drie jaren lang zou hebben getolereerd...

 

 

13

jezus zei tot zijn discipelen

vergelijk me zeg me aan wie ik gelijk

simon petrus zei hem je gelijkt aan een rechtvaardige engel

mattheüs zei hem je gelijkt aan een wijze filosoof

thomas zei hem meester mijn mond zal geen woord aanvaarden

dat zegt aan wie je gelijkt

jezus zei

ik ben je meester niet want je hebt gedronken

en je hebt je bedronken aan de opborrelende bron

die ikzelf heb gemeten (*)

en hij nam hem terzijde en zei hem drie woorden

wanneer thomas terug bij zijn gezellen kwam

ondervroegen zij hem wat heeft jezus je gezegd

thomas zei hen

indien ik jullie één woord zou zeggen van wat hij mij heeft gezegd

dan zouden jullie stenen nemen en naar mij gooien

en vuur zou uit de stenen komen en jullie verbranden

vergelijk: Mt 16,13-20 - Mc 8,27-30 - Lc 9,18-21

 

(*)  Wie met mate drinkt bedrinkt zich niet…

Het vorige logion situeerde het niveau van de discipelen. Het zijn nog zeer menselijke bekommernissen die hun bezorgdheid uitmaken. Tot die bekommernissen behoort ook de ambitie de beste onder de discipelen te zijn. Hieromtrent ontstond weleens een discussie, waar o.m. Mc 9,33-34 en Lc 9,46 van getuigen. De vraag van Jezus is bedoeld als een test. Enkel Thomas heeft geen woorden om een zinnig antwoord uit te brengen. Om dit duidelijk te maken spreekt hij Jezus aan als meester. Hiervoor wordt hij echter terecht gewezen. Voor iedere mens is het immers de opdracht dienend te zijn. Een dienaar is geen meester...

Toch kan dit het ogenblik zijn geweest waarop Jezus in zijn discipel zijn gelijke erkent. Omtrent de drie woorden die hij sprak verblijven we evenwel in het ongewisse. Misschien was het iets als  “jij bent mij” of “ik ben jou”... Hoe dan ook was Thomas zich bewust dat de erkenning, die hij gekregen had, niet door zijn gezellen in dank zou worden aangenomen. Afgunst zou hun deel zijn en een negatieve of zelfs agressieve reactie uitlokken waarvan zijzelf, overeenkomstig de wet, het slachtoffer zouden zijn.

 

 

14

jezus zei hen

indien jullie vasten zullen jullie een fout begaan

en indien jullie bidden zullen jullie worden veroordeeld

en indien jullie aalmoezen geven

zullen jullie kwaad berokkenen aan jullie geest

en naar welk land jullie ook gaan

welke streken jullie ook doortrekken

wanneer men jullie ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet

verzorg hen die ziek zijn

want niet wat in jullie mond komt zal jullie bezoedelen

maar wat uit jullie mond komt dit zal jullie bezoedelen

 

vergelijk: Mt 10, 11-14 - Mc 6, 10-11 - Lc 10, 5-11

 

In logion 6 kregen de discipelen geen concreet antwoord op hun vragen. Jezus ontweek ze met de aanmaning : wees oprecht in woord en daad. Misschien hebben zij op meer duidelijkheid aangedrongen… Ditmaal spreekt hij een onverbloemde taal : wat tot de rituelen van de joodse godsdienst behoort is niet te verzoenen met zijn religieuze inzichten. Wie ontvankelijk wil worden voor een inspiratie van de Vader, heeft zich niet in te laten met misleidende rituelen ! Ook in Mt  9,14, Mc 2,18 en Lc 5,33 krijgt Jezus het verwijt te horen dat zijn discipelen het vasten niet onderhouden. (zie ook logion 104) Maar bovendien : indien jullie bidden zullen jullie veroordeeld worden...

Opnieuw worden we geconfronteerd met het nieuwe in de boodschap van Jezus. We bidden tot God. Maar wat betekent God ? Wie is de God van de joden, de God van onze verbeelding en wat is de realiteit waarvoor Jezus beroep doet op het beeld van een vader ? Voor een gelovige zijn dit uitdagende vragen ! In dit evangelie is de bijbelse voorstelling van God niet te verzoenen met de werkelijkheid, die Jezus doorheen het beeld van een zoon-vader relatie tracht duidelijk te maken.

De communicatie, die een jood meent te hebben met zijn God bij middel van het gebed, is louter denkbeeldig. Communiceren met een zelf verzonnen beeld behoort tot de wereld van de verbeelding en is dus misleidend. De realiteit, die Jezus als een vader in beeld brengt, is van een spirituele orde en transcendeert daarom de grenzen van het menselijke bewustzijn. Elke benadering ervan binnen de begrenzingen van dit bewustzijn kan slechts denkbeeldig zijn. (zie logion 53)

Is bidden dan steeds zinloos ? Zeker niet ! Maar het gebed moet wel én de juiste inhoud hebben én de juiste gerichtheid... Onze menselijke verlangens in een gebed verheffen tot een denkbeeldige almachtige bron is een foute ingesteldheid. Wie zich bewust is geworden van zijn of haar dienende opdracht, in een verbondenheid met een hogere levensbron, kan zich enkel naar die bron richten in een dankbare erkenning voor wat ontvangen wordt en met het verlangen een juiste inspiratie te ontvangen om die dienende opdracht blijvend te kunnen uitvoeren.

Tenslotte wijst Jezus ook hier op de meest elementaire menselijke plicht : oprecht met zichzelf juist handelen en dus dienend zijn. Wie in de juiste ingesteldheid verblijft is verheven boven door anderen opgelegde regels, boven een mogelijke bezoedeling ook door een ongepaste voeding. Een juiste voeding is weliswaar belangrijk om een innerlijke biologische harmonie niet te verstoren. Maar, wie zich juist voedt en foute waarheden verkondigt, bezoedelt zich meer dan een ongepaste voeding vermag te doen !

 

 

15

jezus heeft gezegd

wanneer jullie hem zullen zien die niet uit een vrouw is geboren

buig dan jullie aangezicht ten gronde

en verheerlijk hem deze is jullie vader

 

 

Zien” betekent hier uiteraard geen zintuiglijke ervaring maar symboliseert het verwerven van inzicht. Niet de verheerlijking van een zelf verzonnen beeld van God moet in dit leven onze bekommernis zijn, wel het inzicht in de werkelijkheid waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. Die realiteit overstijgt het biologische, want : die niet uit een vrouw is geboren. Zij behoort dus niet tot onze relatieve wereld en is daarom voor ons ook niet kenbaar. Het bewustzijn binnenin onszelf verbonden te zijn met een absolute levensbron is niet te verwarren met de onmogelijke kennis van die bron.

De ervaring van een innerlijke verbondenheid betekent voor Jezus een alles overstijgende rijkdom. In die rijkdom wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar zij bezitten niet het zuivere bewustzijn dat het zijne is. Om hiervan te getuigen is hij daarom genoodzaakt beroep te doen op een beeld dat tot hun leefwereld behoort, dat voor hun bewustzijn toegankelijk is. Daarom is het onze opdracht het beeld van de vader correct in te schatten.

In de joodse cultuur was de status van de vader heel wat belangrijker dan hij nu in onze cultuur is. Hij is immers niet enkel de biologische verwekker van zijn kinderen, niet enkel de bezitter van het familiegoed, hij is vooral het gezag dat de wet dicteert, dat voor zijn kinderen leidinggevend en dus inspirerend is. Van dit beeld maakt Jezus gebruik om het bewustzijn van zijn medemensen ontvankelijk te maken voor een innerlijke realiteit, die van een spirituele orde is. Helaas, zoals het beeld van Adam en Eva in het bijbelverhaal, zo werd ook het beeld van de vader niet begrepen als een middel maar voor werkelijk aanzien. Wanneer Jezus in die bewoordingen over “zijn vader” sprak, begrepen de joodse religieuze leiders dat hij hun bijbelse God bedoelde, wat uiteraard godlasterend was.

In het Johannesevangelie (hfdst.6) maakt Jezus nochtans een duidelijk onderscheid :

Jullie voorvaderen hebben het manna uit de hemel gegeten en zij zijn gestorven... niet Mozes heeft het brood uit de hemel gegeven maar mijn Vader geeft u het brood, het ware... ik ben het brood... wie dit eet zal leven.

In Ex 16,15b zegt Mozes : “Dit is het brood dat Jahwe u te eten gegeven heeft”. Niet Mozes maar Jahwe heeft, volgens het bijbelverhaal, het manna gegeven ! Het onderscheid tussen Jahwe en de Vader is duidelijk. Het gaat noch om hetzelfde brood noch om dezelfde bakker... Om die verstorende tegenstelling te versluieren werd in de loop van de ontwikkeling van het Johannesevangelie het manna niet toegekend aan Jahwe, maar aan Mozes... Het essentiële onderscheid tussen Jahwe en de Vader is dat Jahwe totaal van de mens gescheiden is, terwijl het beeld van de vader verwijst naar een innerlijke en dus een spirituele verbondenheid.

Wat voor het mensenkind de verheerlijking van de Vader inhoudt ligt in de dankbare erkenning van een alles overstijgende rijkdom, waarin het zelf deelachtig is. Het bewustzijn deel te hebben in het koningschap impliceert de erkenning én van een absoluut gezag én van de eigen dienende verantwoordelijkheid. Hierin ligt tevens de zin van het ware offer besloten : de dienaar verheft de vruchten van zijn dienstbaarheid tot zijn schenkende Heer. Ook dit hoort een blijvende ingesteldheid te zijn, zich niet te beperken tot een symbolisch ritueel...

De confrontatie van nieuwe inzichten met oude denkbeelden leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict. Aan ieder om hiermee met zichzelf in het reine te komen. Tenslotte zegt Jezus aan het einde van dit logion niet : deze is mijn vader, wel : deze is jullie vader. In zijn spirituele verbondenheid met de Vader is hij niet de enige zoon...

 

 

16

jezus heeft gezegd

ongetwijfeld denken de mensen dat ik gekomen ben

om de vrede op de wereld te werpen

en zij erkennen niet dat ik gekomen ben

om verdeeldheid op de aarde te werpen het vuur het zwaard de strijd

want vijf zullen zijn in één huis

drie zullen zijn tegen twee en twee tegen drie

de vader tegen de zoon en de zoon tegen de vader

en monachos zij zullen opstaan

 

vergelijk: Mt 10,34-36 - Lc 12,51-53

 

 

Dit logion bevestigt de bedenking die we bij het vorige logion maakten. De uitnodiging van Jezus om het nieuwe in ons op te nemen leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict, dat slechts een oplossing kan vinden in een doorgedreven, oprechte innerlijke zoektocht.

Die innerlijke strijd is een leidmotief dat in diverse religieuze concepten aanwezig is. Zo werd hij in beeld gebracht in de Bhagavad Gita. Arjuna, de edele krijger, heeft aan zijn verheven morele normen, aan zijn kennis van dharma, niet voldoende om tot een juiste beslissing in zijn innerlijke conflict te komen. Krishna, die het goddelijke in de mens belichaamt, onderricht hem omtrent de weg waarlangs het goddelijke zich in de mens kan openbaren. De weg die de Boeddha is gegaan getuigt van een aanhoudende innerlijke strijd om tot een juist inzicht in de dharma, de levenswet te komen. In de islam kennen we het begrip jihad, dat misbruikt werd als een noodzakelijk te voeren strijd tegen “ongelovigen”, maar initieel zou hebben verwezen naar een innerlijke confrontatie die iedere moslim met zichzelf had aan te gaan.

De bijzondere gaven waarvan hij getuigde werden door de volgelingen van Jezus gezien in het licht van hun bijbelse traditie. Voor de ene was hij een profeet, voor anderen zelfs een Messias. Zo iemand zou de orde herstellen, vrede en vertrouwen geven aan de joodse gemeenschap en de komst van het Koninkrijk van God voorbereiden. Die misvatting ontkracht Jezus hier. Het nieuwe waarvan hij getuigt is verstorend ! Wie zijn kennis in zich tracht op te nemen komt niet alleen in conflict met de bestaande religieuze orde en haar waarheden maar ook met zichzelf, met persoonlijke waarden en hierdoor ook met relationele banden.

Wie waarden loslaat, banden verbreekt, onthecht zich. Enerzijds is hij of zij bevrijd, anderzijds is conflict en vereenzaming de losprijs. De stam van monachos is monos en betekent één of alleen. Hiervan is het woord monnik afgeleid. De begrippen onthecht, bevrijd en eenzaam liggen allen vervat in dit éne woord. Daarom is de vertaling ervan zo moeilijk. Op de weg die we te gaan hebben geeft het een kerngedachte weer, waar we later nog zullen op terugkomen. In essentie gaat het niet om een uiterlijk gedragspatroon maar om een innerlijke ingesteldheid. Wie tot het juiste inzicht wil komen in zijn of haar verbondenheid met het hogere, de innerlijke levensbron, heeft zich te ontdoen van verslavende banden met het lagere, zich innerlijk vrij te maken, en te dienen zoals het zaad. Die ingesteldheid is het waarvan Jezus getuigt.

 

 

17

jezus heeft gezegd

ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien

en wat het oor niet heeft gehoord

en wat de hand niet heeft geraakt

en wat het hart van de mens niet heeft beroerd

 

1 Kor 2,9: “maar, zoals geschreven is: wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord, wat het hart van de mens niet heeft beroerd, alles wat God heeft bereid voor hen die van Hem houden.”

Jes.64,3-4: “neen, geen oor heeft ooit gehoord, geen oog ooit gezien: een God, buiten u, die helpt, op u hoopt, vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet en uw wegen gedenkt”

 

Paulus levert hier het bewijs dat minstens één uitspraak van Jezus hem bekend was. Enkel het naar zijn gevoel vermoedelijk te sensuele zinnetje : wat de hand niet heeft geraakt ontbreekt in zijn citaat. Maar, omdat hij niets met de “Jezus van vlees en bloed” - kata sarka - wou te maken hebben (2 Kor 5,16), wel alles met de “gekruisigde én verrezen Christus”, versluiert hij diens uitspraak met de woorden: “zoals geschreven is”... Referenties naar de Schriften zijn overigens ver van overtuigend.

Wat kan ontvangen worden behoort noch tot het gebied van een emotionele of zintuiglijke beleving, noch tot dit van een rationele kennis. Het is een ervaring van een andere orde waar het bewustzijn van de mens toegang kan toe hebben. De verrijking, die het gevolg is van de integratie van het hogere in het lagere, is echter geen spectaculair gebeuren maar een progressieve evolutie in het bewustzijn. Het is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar bevrijdende weg van onthechting.

 

 

18

de discipelen zeiden tot jezus hoe zal ons einde zijn

jezus zei

hebben jullie dan het begin ontsluierd

zodat jullie zich om het einde bekommeren

want daar waar het begin is daar zal het einde zijn.

gelukkig wie zich zal vestigen in het begin

hij zal het einde kennen en de dood niet smaken

 

vergelijk: Mt 16,28 - Mc 9,1 - Lc 9,27

 

 

In dit logion beantwoordt Jezus de angstige vraag van zijn discipelen, die ook de vraag is die vele mensen onrust inboezemt : wat staat ons te wachten na de dood ? Zijn antwoord brengt nochtans geen verheldering. Onze bezorgdheid hoort zich immers niet richten naar wat er na een biologische dood zou kunnen zijn. Wel zou het onze bekommernis moeten zijn om aan dit leven hier en nu een optimale expressie te geven.  

Voor de zaaier ligt de vervulling in de oogst. De plaats van de oogst is daar waar hij zaaide, waar de eenheid van zaad en goede aarde werkelijkheid werd. Dit is de plaats van het begin, de plaats ook waar het kind van zeven dagen nog in verblijft. Die plaats heeft een absolute waarde en is dus tijdloos. Begin en einde, de zaaier en de maaier zijn één. (Joh 4,35-36) Wie zich bewust is geworden van dit absolute draagvlak van het leven, de permanente levensbron binnenin iedere mens, heeft zijn of haar dienende opdracht erkend. In die erkenning ligt ook de finaliteit van het leven. In het bewustzijn van een spirituele verbondenheid is elke bezorgdheid om het einde onbetekenend. Het spirituele is immers tijdloos…

De weg van de mens is zoals die van het zaad. In de terugkeer naar de goede aarde, het begin waarin het is ontstaan, moet het zaad ophouden zaad te zijn, zijn ikje loslaten, om in “zelfloosheid” dienend te worden. Dit is de weg van de vervulling van het leven, waarin begin en einde één zijn : de terugkomst van de verloren zoon in het vaderhuis, zijn reïntegratie in het gezag van zijn vader.

 

 

19

jezus heeft gezegd

gelukkig hij die reeds was vooraleer hij werd

indien jullie mijn discipelen zijn en mijn woorden aanhoren

zullen deze stenen jullie dienen

voor jullie zijn er inderdaad vijf bomen in het paradijs

die niet bewegen in de zomer noch in de winter

en hun bladeren verliezen zij niet

wie hen zal erkennen zal de dood niet smaken

 

 

De absolute zijnswaarde, waarin ieder ik zijn bedding heeft, wordt in dit logion op een bijzondere manier bevestigd. Zoals met de leeuw van logion 7 het geval was, worden we ook hier met een ongewone beeldspraak geconfronteerd. Zijn dit authentieke woorden van Jezus of is het een fantasierijk beeld, eigen aan de gnostische gemeenschap die verantwoordelijk was voor de overdracht van dit evangelie ? Wat er van zij, we kunnen steeds een poging wagen om ook deze opmerkelijke beeldspraak te ontsluieren.

In dit relatieve bestaan is alles onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Vandaag is niets of niemand nog precies zoals gisteren. De wet, die het natuurlijke leven stuurt, die de evolutie en de harmonie in de natuur bepaalt, die ooit gesymboliseerd werd in de boom van kennis van goed en kwaad, die wet behoort geen Adam toe. Binnen die wet heeft niemand aan zichzelf iets toe te kennen ! De finaliteit van de mens is te dienen zoals het zaad.

Het beeld van het zaad brengt ons terug naar het begin. De hier en nu biologisch levende mens maakt deel uit van een absoluut levensconcept, waarvan hij slechts een tijdelijke exponent is. Het biologische leven is een tijdgebonden uitdrukking van een absoluut en dus tijdloos Zijn. Zoals over een bruikleen beschikken we tijdelijk over een eigen lichaam, een eigen identiteit, een bewustzijn van het eigen ik. Dit bewustzijn houdt de mogelijkheid in onze realiteit juist in te schatten, bewust te worden van de absolute bron waaruit we zijn ontstaan en waarmee we verbonden zijn. Die bron in onszelf erkennen en die verbondenheid als een bewuste ervaring beleven is een essentiële opdracht in dit leven. Van dit leven is tijdloosheid de basis. Wat in het tijdelijke werd, was reeds - in potentie - in het tijdloze. In dit eenheidsbewustzijn ben ik opnieuw wat ik was : een tijdloos zijn in een tijdgemeten dimensie...

Een regendruppel ontstaat uit de oceaan, vervult zijn taak binnen de natuurlijke harmonie en keert vroeg of laat terug naar de oceaan. Hij was oceaan, werd druppel en opnieuw oceaan. Een mens is echter zoveel meer dan een regendruppel, zijn mogelijkheden zijn zoveel waardevoller, zijn opdracht zoveel meer verheven. Alles staat hem ter beschikking om dit leven in volheid te ervaren en ervan te genieten : een regendruppel, een kluit aarde, een steen ook... De grond kan slechts goede aarde zijn, kan slechts vruchtbaar worden, indien de regendruppel deel heeft in de harmonie ! Binnen die wet heeft ook de mens dienend te zijn.

Wat zou het leven op aarde nu zijn, indien iedere mens in de oorspronkelijke harmonie zou zijn verbleven en dus zijn finaliteit juist zou hebben ingeschat...? Een paradijs wellicht ! De ervaring van onze vijf zintuigen - is dit misschien de symboliek van de vijf bomen ? - die ons met de “wereld der verschijnselen” verbindt, is afhankelijk van de toestand van ons bewustzijn. Van dit bewustzijn is de bron verheven boven alle fenomenen van verandering en vergankelijkheid, want gevestigd in een absoluut Zijn, zonder beweging of veranderlijkheid...

Sorry voor diegenen die in de tweede lijn van dit logion een bevestiging menen te zien van de wet van reïncarnatie. Kan de idee ooit in een ander lichaam in deze wereld te zijn verbleven - een veronderstelling die overigens niet de facto is uit te sluiten - evenwel van enige waarde zijn op de weg van zelfkennis...?

 

 

20

de discipelen zeiden tot jezus

zeg ons waaraan is het rijk der hemelen gelijkend

hij zei hen

het is gelijkend aan een mosterdzaad het kleinste van alle zaden

maar wanneer het in de bewerkte aarde valt

verheft het een grote stengel

die bescherming biedt aan de vogels van de hemel

 

vergelijk : Mt 13,31-32 - Mc 4,30-32 - Lc 13,18-19

 

De boodschap van Jezus is als een symfonie waarin diverse thema’s steeds opnieuw worden bespeeld. De verwachting van de komst van het Koninkrijk in de joodse godsdienst is een reeds bekend verhaal. De discipelen hebben zich echter aan een nieuwe visie van die werkelijkheid aan te passen, wat niet evident is ! Een opmerkelijk detail toch : het zaad moet in de bewerkte aarde vallen.

Het bewustzijn van de mens is als een grond met een niet te overzien potentieel, die echter aan een grondige opknapbeurt toe is. Want de toestand waar het zich thans in bevindt is niet meer die van zijn oorspronkelijke zuiverheid. Schijnwaarden en waanvoorstellingen hebben het vergaand bezoedeld. Wat harmonisch was en hoorde te blijven is disharmonisch geworden. Voor die toestand is enkel de mens zelf verantwoordelijk. Daarom kan alleen hijzelf, dit betekent ieder voor zich, hieraan verhelpen. Bewust binnenin zichzelf de ploeg hanteren is daarom de boodschap.

In de laatste regel van dit logion wordt onze dienende verantwoordelijkheid beeldend uitgedrukt. Zoals het de opdracht is van alles wat groeit en bloeit binnen een natuurlijke harmonie, zo is het ook onze opdracht in dit leven te dienen. De eenheid van het hogere en het lagere kenmerkt zich door een integratie van de waarden van het hogere in het lagere.

 

 

21

mariam zei tot jezus

aan wie zijn jouw discipelen gelijkend

hij zei

zij gelijken aan jonge kinderen

die bezit namen van een veld dat hen niet toebehoort

wanneer de bezitters van het veld zullen komen zullen zij zeggen

laat ons het veld

in hun aanwezigheid ontdoen zij zich van hun klederen

die zij hen achterlaten en geven hen hun veld terug

daarom zeg ik dit

indien de heer des huizes weet dat de dief komt

zal hij waken vóór hij komt

en niet dulden dat hij zou inbreken in het huis van zijn rijk

en er zijn goederen zou wegnemen

jullie daarentegen wees waakzaam ten aanzien van de wereld

omgord jullie lenden stevig

zodat geen rover de weg naar jullie kan vinden

want de winst waar jullie naar uitzien zullen zij ontdekken

mag er binnenin jezelf een oplettend mens zijn

eens de vrucht rijp is hij snel gekomen

de sikkel in de hand heeft hij haar geplukt

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

vergelijk: Mt 11,16 en 24,43-44 - Lc 7,31-32 en 12,39-40 - Mc 4,29

 

 

In dit logion zijn twee onderscheiden delen te onderkennen. Vermoedelijk betreft het hier twee verschillende uitspraken die werden samengebracht op grond van de analogie van het gebruikte beeld : de bezitters van een veld enerzijds, de bezitter van een huis anderzijds. In het eerste deel beantwoordt Jezus een vraag van Mariam, in het tweede spreekt hij zijn toehoorders aan met “jullie”. Klaarblijkelijk betreft het hier discipelen.

Zo goed als zeker is Mariam Maria van Magdala, ons beter bekend als Maria Magdalena. Uit het evangelie van Fillipus en dit van Maria Magdalena zelf, die beide eveneens deel uitmaken van de vondst van Nag Hammadi, valt op te maken dat zij een bijzondere band met Jezus had. Door Fillipus wordt zij zelfs voorgesteld als zijn levensgezellin. Uit haar vraag is af te leiden dat zij zichzelf niet als beschouwt als een gewone discipel.

Voor die discipelen is het antwoord van Jezus weinig lovend. Zij gebruiken het veld, hun biologische entiteit die zij in bruikleen ontvingen, om er spelend als kinderen van te genieten, niet vermoedend dat dit veld hen niet toebehoort. Wanneer de bezitters hun veld komen opeisen moeten zij het niet alleen afstaan, ook dit waarmee zij zich hebben “bekleed” moeten zij afleggen. Voor Jezus is het duidelijk dat de discipelen zich nog steeds niet bewust zijn van hun werkelijke opdracht. Hun zoektocht is niet eens begonnen...

Onze biologische entiteit, dit lichaam en het bewustzijn waarover we beschikking hebben, ontvangen we niet als een geschenk maar als een bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een bruikleen horen we terug te geven... Alles zal ons worden ontnomen, het fysische leven en alles waarmee we ons in dit leven hebben bekleed. Wat is de zin van dit bruikleen, wat zijn finaliteit...?

Het tweede deel van dit logion gaat over de bezitter van een huis, die een normale menselijke bezorgdheid heeft om zijn verworven goed voor inbraak te behoeden. Tot de discipelen, die niet geroepen zijn om aardse goederen te vergaren en dus ook geen huis te beschermen hebben, zegt Jezus : jullie, daarentegen, wees waakzaam ten aanzien van de wereld. Want de wereld is het gebied van de leeuw, waarin steeds de verleiding wenkt het eigen ik te betrekken in een machtsstrijd met anderen. Zij, die erop rekenen deel te hebben in het koningschap, horen hun gebondenheid aan die wereld los te laten.

Het gaan van een weg van kennis omtrent onze innerlijke verbondenheid met een werkelijkheid die van een hogere orde is, veronderstelt een groeiproces in het bewustzijn. Dit is een evolutief gebeuren waarbij zich enkel stap voor stap nieuwe inzichten kunnen ontwikkelen. Elk nieuw inzicht is als een stap die een volgende mogelijk maakt, als een vrucht die te plukken is. Ons onderscheidingsvermogen moeten we scherp houden om de vruchten met een absolute waarde te onderscheiden van deze die vergankelijk zijn. Hiervoor is het noodzakelijk, zoals de attente visser in logion 8, steeds alert te blijven. In dit beeld symboliseren de rovers wellicht onze egocentrische verlangens, die nog steeds in de ban zijn van de macht van de leeuw.

 

 

22

jezus zag kleintjes die zoogden

hij zei tot zijn discipelen

deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan

zij zeiden hem

zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan

jezus zei hen

wanneer jullie de twee één zullen maken

en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het innerlijke

en wat boven is als wat beneden is

zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken

opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt

noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt

wanneer jullie één oog zullen maken in de plaats van ogen (*)

en één hand in de plaats van handen (*)

en één voet in de plaats van voeten (*)

en één beeld in de plaats van beelden (*)

dan zullen jullie het rijk binnengaan

 

vergelijk : Mt 19,13-14 - Mc 13,15 - Lc 18,15-17

2 Clem. 12,2-6 : “Inderdaad, de Heer zelf, ondervraagd over de komst van zijn rijk, zei: wanneer de twee één zullen zijn en het uiterlijke als het innerlijke en het mannelijke met het vrouwelijke, noch mannelijk noch vrouwelijk… wanneer jullie deze dingen zullen doen, zal het rijk van mijn Vader komen.”

 

De regels aangeduid met (*) werden, overeenkomstig de basisgedachte : wanneer jullie de twee één zullen maken, gecorrigeerd. De letterlijke vertaling ervan is:

wanneer jullie ogen maken in de plaats van een oog

en een hand in de plaats van een hand

en een voet in de plaats van een voet

en een beeld in de plaats van een beeld

De verwarring bij de discipelen is totaal. Hoe zouden zij opnieuw klein kunnen worden !? De symboliek in het beeld van de zuigelingen is niet aan hen besteed. Zij beschouwen het beeld als een werkelijkheid en die valt niet te rijmen met hun joodse verwachtingen. De verbondenheid van het kind van zeven dagen met zijn levensbron is een beeld waarvan de zin hen nog ontgaat. De noodzakelijke terugkeer naar de eenheid, die was in het begin, is voor hun bewustzijn nog niet te bevatten. Zullen zij ooit bevattelijk zijn...?

Het nieuwe begrip van het Koninkrijk, als een leven dat bewust ervaren wordt in zijn originele eenheid, behoort tot de essentie van de boodschap van Jezus. In het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde vindt die realiteit een perfect symbolisme. Meer dan eens echter moet op eenzelfde nagel worden gehamerd wil die komen vast te zitten !

De correctie die we aanbrachten lijkt ons verantwoord. Jezus tracht hier immers het begrip “eenheid” letterlijk met handen en voeten duidelijk te maken: uiterlijk en innerlijk, beneden en boven, mannelijk en vrouwelijk... Ook in Mt. 6, 22 en Lc 11, 34-36 zegt Jezus : “Indien dus je oog enkelvoudig is, zal je lichaam verlicht zijn”. De vertaling van het Griekse haplous door helder en niet door één of enkelvoudig is zonder meer een foute vertaling ! Zo kunnen we vaststellen dat hier zowel de moderne vertaler als de koptische transcriptor, door twintig eeuwen gescheiden, in eenzelfde fout vervielen omwille van eenzelfde onbegrip...

Naar buiten toe zien we met twee ogen en herkennen we een indrukwekkende variatie aan kleuren. In een innerlijke gerichtheid zijn twee ogen overbodig. Wie kleuren onderscheidt, zonder het licht te kennen, kent enkel kleuren… Wie het licht kent, kent alle kleuren ! Filmbeelden, die op het scherm van ons bewustzijn verschijnen, zijn niet de ware werkelijkheid, enkel een projectie. In de duisternis van een filmzaal lijken zij nochtans, de tijd dat de vertoning duurt, de werkelijkheid te zijn...

Alles wat tot de manifeste werkelijkheid van deze wereld behoort, het uiterlijke, dit dat beneden is, drukt zich uit doorheen een samenspel van energie en materie en resulteert voor de mens in een ervaring van dualisme. Alles is er polair, elke eigenschap heeft er z’n tegengestelde of z’n complement : warm en koud, licht en duisternis, vreugde en verdriet, mannelijk en vrouwelijk, yin en yang... De unieke waarde, die onderliggend is aan die polariteit, is van een absolute orde en heet harmonie. Zij is het die alles beheerst, van het subatomaire tot het kosmische. Zij alleen is in staat van tegengestelde energieën complementaire creatieve krachten te maken. Wie zich van die originele orde bewust is geworden overstijgt het fenomeen van dualisme.

Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke heeft aanleiding gegeven tot allerhande seksuele speculaties, zoals die van het hermafrodiete of het androgyne type. Van dergelijke interpretaties werd gretig gebruik gemaakt om dit evangelie en de ganse gnostische beleving in een troebele sfeer te plaatsen. Hoeveel eenvoudiger kan een interpretatie evenwel zijn... Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is toegankelijk voor ieder die vertrouwd is met de landelijke natuur. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke kan nu worden verwoord in het meer subtiele beeld van de eenheid van een zaadcel en een eicel aan de oorsprong van ieder menselijk leven. Noch is het de zaadcel, het mannelijke, noch de eicel, het vrouwelijke, die het leven voortbrengt... Uit hun eenheid ontspringt het leven spontaan !

Het begrip van de beeldspraak, het inzicht in de waarde van eenheid is tenslotte slechts een aanzet tot een spiritueel ontwaken en, vanuit die kennis, tot een bewuste ervaring te komen. De eenheidsbeleving kan zich immers niet beperken tot een mentaal proces, waarin het dualisme enkel rationeel overstegen wordt...

 

 

23

jezus heeft gezegd

ik zal jullie uitkiezen één uit duizend en twee uit tienduizend

en één zijnde zullen zij opstaan

 

vergelijk: Mt 22,14

 

In dit logion wordt de mathematische logica genegeerd. Maar met logica komen we in deze materie ook niet zover. De realiteit, waarvoor Jezus onze aandacht opeist, overstijgt zowel het gebied van het logische denken als dit van het emotionele voelen. Tot op een zekere hoogte is het rationele denken een kostbaar hulpmiddel, tot de limiet van het begrijpbare bereikt is. Hier voorbij rest ons enkel de persoonlijke ervaring van de weg die gegaan wordt. En daar gelden de regels van het lagere niet langer. De enige leidraad die ons dan rest is onze eigen kritische oprechtheid. Het nieuwe zou niet nieuw zijn indien er niet iets nieuw te beleven viel !

Het uitkiezen is niet op te vatten als een voorrecht dat iemand toevallig zou te beurt vallen maar als het gevolg van een erkenning. (even teruggaan naar logion 3) In een vorig logion erkende Jezus in Thomas de discipel die in bewustheid één met hem was. Daarom koos hij hem uit. Zichzelf als uitverkozen beschouwen is een hoogmoedig spelletje “wishful thinking”. Dit overkwam het joodse volk, het overkwam ook Paulus en in zijn spoor de katholieke Kerk. Nog steeds beschouwt zij immers zichzelf als de door de bruidegom Christus uitverkoren bruid... Evenmin als aan Paulus kan haar een overdadige nederigheid worden aangerekend.

 

 

24

zijn discipelen zeiden

leer ons de plaats waar jij bent

want voor ons is het noodzakelijk dat wij die zoeken

hij zei hen

hij die oren heeft dat hij hoort

er is licht binnenin een verlicht mens en hij verlicht de hele wereld

indien hij niet verlicht is hij een duisternis

 

vergelijk: Jn 1,38-39

 

 

Wisten de discipelen dan niet waar Jezus verbleef...? Soms missen we in dit evangelie de context waarin een uitspraak gedaan werd. Vermoedelijk bevinden we ons in de situatie van hoofdstuk 14 in het Johannesevangelie. Hierin verwijst Jezus naar zijn verbondenheid met de Vader, naar het vaderhuis waar plaats is voor velen. Het was de bezorgdheid van Thomas de weg naar de Vader te kennen, terwijl Filippus het verzoek had  “toon ons de Vader”... Beiden getuigen van het verlangen deel te hebben in het bewustzijn van Jezus.

De komst van het Koninkrijk is geen zintuiglijk te ervaren gebeurtenis. Daar waar Jezus zich ophoudt, de plaats van het leven, is evenmin een ruimtelijke locatie maar een innerlijke zijnstoestand. Dit behoort tot het nieuwe begrip van het Koninkrijk... In bewustzijn is Jezus één met de bron. Wie één is met hem verblijft in de bron. Wie één is met de bron kan het water niet voor zich houden, het licht niet verborgen houden. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Het kenmerk van de ware discipel is dat hij of zij het innerlijke licht, dat ontvangen wordt, ook uitstraalt. Wie niet ontvankelijk is voor dit licht verblijft in de duisternis en kan niet verlichten...

 

 

25

jezus heeft gezegd

bemin je broeder als je innerlijke zelf

waak over hem als over je oogappel

 

vergelijk: Mt 22,37-38 - Mc 12,29-31 - Lc 10,27

 

In dit leven zijn we allen kinderen van dezelfde Vader en dus broeders en zusters van elkaar. Uiteraard verschillen we genetisch, werden we ook verschillend beïnvloed door een opvoeding, een cultuur, door ethische of godsdienstige overtuigingen van anderen. Die relatieve verschillen overstijgen en onze aandacht toespitsen op die éne realiteit, waarin we allen op eenzelfde wijze verbonden zijn met een eenzelfde levenswet, dit is de uitdaging die we met z’n allen delen. Naar het voorbeeld van elk celletje in ons lichaam is het onze opdracht samen te leven in harmonie. Dit houdt in dat we allen ook verantwoordelijk zijn voor elkaar.

“Hieraan zullen allen erkennen dat jullie mijn discipelen zijn : indien jullie elkaar liefhebben.” (Joh. 13,35). Zoals de naïeve apostelen dachten opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het Koninkrijk, zo denken velen nog steeds dat het volstaat het gebod van naastenliefde na te volgen om hun ticket voor het eeuwig leven veilig te stellen. Uiteraard is de bezorgdheid voor anderen een essentiële taak in de uitdrukking van de harmonie. Toch is zij niet het middel waarmee een ingebeeld doel - het Koninkrijk - kan bereikt worden.

Liefde is de vrucht van de verbondenheid met een bron, waaruit we de eigenschap ontvangen om lief te hebben. Aan zichzelf de verdienste van goedheid toekennen is niet zinvol, want wat we in liefde kunnen geven ontvangen we. Onze voornaamste opdracht zal er daarom in bestaan de verbondenheid met die bron in onszelf te verankeren. In het bewustzijn van een integratie in de wet van harmonie, van het deel hebben in het koningschap van de Vader, ligt de dienende verantwoordelijkheid van ieder mensenkind.

In het christendom werd vooral het gebod van naastenliefde als de essentie van de goede boodschap weerhouden. In dit evangelie blijkt echter zo vaak hoeveel dieper de woorden van Jezus ons bewustzijn doorploegen. Harmonie is de absolute waarde die aan de oorsprong ligt van elke levensuiting. Harmonie in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Hoewel beide, liefde en intelligentie, symbolische met een verschillende bron worden geassocieerd - het hart en het hoofd - toch ontspringen zij in hetzelfde bewustzijn. Juist handelen doet evenzeer beroep op goedheid als op intelligentie. Kennis gebruiken zonder een ingesteldheid van goedheid is even zinloos als goed willen zijn zonder een juiste kennis te bezitten. Elk individueel bewustzijn kan de juiste inspiratie ontvangen om beide harmonisch te beleven.

Ieder ikje ontspringt op eenzelfde wijze uit een absolute levensbron en is dus even waardevol. De waarde die iedere persoon aan zichzelf toekent is afhankelijk van de eigen psyché. Die ik-waarde kunnen relativeren binnen een universele broederschap maakt het mogelijk in iedere mens, man of vrouw, blank of donker, jood, palestijn of christen, een volwaardig mensenkind te erkennen. Discriminatie hoort niet bij harmonie !

 

 

26

jezus heeft gezegd

het strootje in het oog van je broeder zie je

maar de balk in je eigen oog zie je niet

wanneer je de balk uit je oog zult verwijderd hebben dan zal je zien

om het strootje uit het oog van je broeder te verwijderen

 

vergelijk : Mt 7,3-5 en Lc 6,41-42

 

Omdat leven in harmonie de finaliteit van dit leven is, verlangt iedere mens ernaar gelukkig te zijn. Maar de wetten van het lagere, de spelregels die door de mens zelf werden bedacht, leggen ons op onze eigen ambities waar te maken, onze eigenwaarde steeds weer te bewijzen en de confrontatie met anderen aan te gaan.

Sinds de mens van één twee maakte en zolang hij zijn oorspronkelijke verbondenheid niet opnieuw erkent, zal het lagere gescheiden blijven van het licht uit het hogere. In het lagere geldt de wet van de leeuw en is het dus belangrijk de zwakheden van een andere te kennen om er munt uit te slaan ! Onze kritische aandacht gaat daarom zoveel vlotter naar de gebreken van anderen dan naar de eigen tekorten. Ook hier is onze ingesteldheid aan een grondige ommekeer toe.

Het vertrekpunt van die ommekeer is een oprechte zelfbeschouwing. Met welke waarden heb ik mezelf bekleed ? Waarin berusten de kennis, de macht en de rechten die ik aan mezelf toeken ? Van welke verwarring ben ik het slachtoffer geworden ? Een oprecht zelfonderzoek is het aangewezen wapen dat ons kan behoeden tegen de hoogmoed die ons voortdurend belaagt, het uitgelezen middel dat ons bewust kan maken van de balk in het eigen oog, die ons belet te zien.

Binnen de wet van harmonie is geen ruimte voor beoordeling of discriminatie, want allen zijn we op een evenwaardige wijze kind van dezelfde Vader. Ook al gaat iemand zwaar in de fout, nooit kan de achtergrond van zijn of haar daden door een ander juist worden ingeschat. De vaststelling van een fout bij een medemens kan nooit een aanleiding zijn om over de mens zelf een oordeel uit te spreken.

“Z’n vijand liefhebben” is een uitspraak die niet aan Jezus kan worden toegekend ! Want voorafgaand aan de erkenning van iemand als z’n vijand ligt een beoordeling. Hierin onderscheidt zich het boeddhistische begrip van mededogen : bij onbegrip voor een andere hoort het steeds bewust te zijn van de eigen begrenzing. Een blinde kan je niet verwijten tegen je aan te lopen...  tenzij je zelf blind bent...

 

 

27

indien jullie niet vasten ten aanzien van de wereld

zullen jullie het koninkrijk niet ontdekken

indien jullie niet van de sabbat de sabbat maken

zullen jullie de vader niet zien

 

Opnieuw heeft Jezus het over praktijken die gangbaar zijn in het joodse geloof. Zijn afwijzende houding ten aanzien van die rituelen is ons reeds bekend. Wat is er dan wel fout mee ? Zowel het vasten als de sabbat verwijzen naar een onthouding, maar beide rituelen beantwoorden niet meer aan hun originele zingeving. Het vasten is meer dan een zich tijdelijk onthouden van een traditionele voeding, de sabbat meer dan een wekelijks ritueel, waarbij onze aandacht wordt onttrokken aan doordeweekse bekommernissen, om zich te richten naar God.

In logion 21 gaf Jezus aan zijn discipelen de waarschuwing mee waakzaam te zijn ten aanzien van de wereld. Hier gaat hij een stapje verder en heeft hij het over vasten ten aanzien van de wereld. Dit vasten is geen tijdgebonden ritueel maar een blijvende ingesteldheid ! Willen we de confrontatie met de leeuw uit logion 7 uit de weg gaan, dan is het noodzakelijk geen aandacht te schenken aan die waarden, die de wetten van de leeuw voorstaan. Vasten ten aanzien van de wereld betekent niet de wereld de rug toe keren maar zich onthouden van elke betrokkenheid bij waarden van een lagere orde. Aandacht hebben voor een juiste voeding is zeker een zinvolle ingesteldheid. Zich gedurende een beperkte periode bepaalde leef- en voedingsregels opleggen, omwille van een goddelijke wet, is echter niet zinvol. Wie zich juist voedt behoeft geen vasten ! Ook hier geldt de wet van harmonie.

Eenzelfde gedachtegang kan gevolgd worden voor de sabbat. Bij de ware sabbat horen geen regels die door mensen werden bedacht. De aandacht voor het hogere kan zich niet beperken tot het wekelijks bijwonen van een verheffend ritueel. Zo’n ritueel kan weliswaar zinvol zijn als een hulp om een juiste ingesteldheid levendig te houden, maar niet als een dwingend middel om zich een toegang tot het koninkrijk te verzekeren. De gerichtheid één dag op zeven naar God, al was het maar de duur van een ritueel, kan nooit als compensatie gelden voor een aardse betrokkenheid gedurende de zes resterende dagen ! Onze betrokkenheid in een Bron van hogere levenswaarden hoort een blijvende ingesteldheid te zijn. Dit gaat spontaan gepaard met het loslaten van schijnwaarden uit het lagere. Inhoudelijk zijn het vasten en de sabbat dus niet van elkaar te scheiden.

Het zien van de vader moet uiteraard figuurlijk worden begrepen als het zich bewust worden van de aanwezigheid van een realiteit, waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. De zintuiglijke ervaringen zien en horen symboliseren in dit evangelie vrijwel steeds het verwerven van inzicht.

 

 

28

jezus heeft gezegd

midden de wereld ben ik opgestaan en in vlees ben ik hen verschenen

allen heb ik dronken gevonden

onder hen vond ik niemand die dorstig was

en in mijn innerlijke zelf  [psychè] had ik pijn omwille van de mensenkinderen want blind zijn zij in hun hart

en zij zien niet dat zij leeg in de wereld zijn gekomen

en dat zij ook zoeken leeg de wereld te verlaten

ware het niet dat zij nu bedronken zijn

wanneer zij hun wijn zullen hebben uitgebraakt

pas dan zullen zij hun ingesteldheid veranderen

 

De vaststelling die Jezus hier maakt is vernietigend voor zijn medemensen... Wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is ? De mens is zich niet meer bewust noch van zijn oorsprong, noch van zijn finaliteit. In zijn zelfbewustzijn heeft hij zich bedronken...

Het fysieke lichaam, dat mij werd toevertrouwd en zovele mogelijkheden inhoudt, is een waardevolle maar dienende entiteit. Toch beschouw ik mezelf als de fiere bezitter ervan. Zoals de spelende bengels bezit namen van hun veld, zo ben ik de hautaine eigenaar van mijn lichaam geworden en leef ik nu in de illusie de enige meester te zijn van wat ik kan, bezit en vermeen te weten. Ik ben dronken geworden ! Van de werkelijke bron van mijn eigenheden heb ik mij afgescheiden. Van die illusie zal ook het kind van zeven dagen, dat zich wel nog leeg in de oorspronkelijke harmonie met zijn levensbron bevindt, snel het slachtoffer zijn. Want dit behoort nu eenmaal tot de regels van het lagere, waar de leeuw het voor het zeggen heeft.

Zoals de goede aarde voor het zaad én zijn oorsprong is én zijn finaliteit, zo zijn beide ook voor de mens één. In het herstel van de eenheid met zijn bron ligt voor hem zijn finaliteit : zelf bron zijn. De mens heeft te dienen als een beker. Een beker kan slechts dienen indien hij leeg is. Pas dan kan hij zich laten vullen door het water uit de bron en, zoals de bron zelf, dienend zijn. Wie tot een juiste zelfkennis is gekomen, kan de toestand van dronkenschap in zichzelf erkennen, de wijn uitbraken en opnieuw leeg worden.

Een weg van verlossing gaan impliceert een noodzakelijke innerlijke zuivering. Die weg kan niemand voor een ander gaan, ook Jezus niet...

 

 

29

jezus heeft gezegd

indien het vlees is geworden door de Geest

is dit een wonder

indien daarentegen de Geest (wordt erkend) door het lichaam

is dit het wonder der wonderen

maar ik ben in verwondering over dit

hoe die grote rijkdom is verbleven in die armoede

 

44

jezus heeft gezegd

wie de vader beledigt hem zal vergeven worden

en wie de zoon beledigt hem  zal vergeven worden

wie daarentegen de zuivere Geest beledigt

hem zal niet vergeven worden

noch op aarde noch in de hemel

 

vergelijk : Mt 12,31-32 - Mc 3,28-29 - Lc 12,10

 

Voor het eerst brachten we hier twee logia samen, omdat we in beide kennis maken met een nieuw en belangrijk begrip : de pneuma, de “adem” die symbool staat voor de Geest. Uitzonderlijk gebruiken we hier een hoofdletter om een onderscheid te maken met de menselijke geest : de leidinggevende inspirator, die we binnenin onszelf ervaren als een ego-gebonden component. Uit logion 44 blijkt inderdaad hoe bijzonder de Geest wel is : wie de Geest beledigt begaat een niet te vergeven fout ! Dit is niet het geval, noch voor een belediging van de Vader, noch voor die van de zoon.

In logion 29 wordt de relatie toegelicht tussen het vlees (sarks in lijn 2), het lichaam (soma in lijn 4) en de Geest (pneuma), een relatie die we ook terugvinden in de proloog van het Johannesevangelie: “en het woord (de logos) is vlees geworden”.

Traditioneel wordt in het christendom het goddelijke voorgesteld als een drie-eenheid : God de Vader, Christus als zijn enige zoon en de H.Geest, de goddelijke inspirator van de mens. Zij zijn onderscheiden en toch één. Dit wordt een mysterie genoemd. Het woord mysterie klinkt als een verbloeming voor de pretentie die de mens ertoe bracht een structuur voor het goddelijke te verzinnen. In die structuur wordt de mens Jezus verheven tot een goddelijk wezen, ondanks het feit dat hij zichzelf nooit expliciet als een “zoon van God” kenbaar maakte. Zij die meenden in hem een zoon van God te erkennen - wat die bijbelse uitdrukking ook mag betekenen - wees hij overigens met een vermanende vinger terug. (Lc 4,41 - Mc 3,12) Toch werd de kruisiging het fatale lot van een mens die zich van zijn innerlijke verbondenheid met het goddelijke bewust was geworden. Het goddelijke en het menselijke hoorden immers gescheiden te blijven...

Het nieuwe inzicht in de drie-eenheid houdt in dat de verbondenheid, waarvan Jezus getuigt, tot het wezen van iedere mens behoort. Iedere mens is, in een spirituele verbondenheid, kind van de Vader. Het bewustzijn van die verbondenheid maakt het verschil uit tussen leven en dood. Maar, hoe kan men zich bewust worden één te zijn met “iets” dat niet kenbaar is ?

In het scheppingsverhaal, verwoord in de proloog van het Johannesevangelie, speelt de logos een essentiële rol. Vóór het begin was hij bij God. In hem is leven. Hij is het licht dat in de schepping kwam, waardoor de schepping geworden is en dat nog steeds in de schepping verblijft. Maar de schepping erkende dit licht niet. Aan hen, die het ontvangen, geeft het de mogelijkheid kinderen van God te worden...

Vóór het begin was “niet iets”, noch tijd noch ruimte, enkel leegte : het niet-manifeste, absolute en onberoerde Zijn. In die leegte ligt het totale potentieel van de gehele schepping besloten. De logos symboliseert de initiële vibratie. Vibratie veronderstelt tijd, ruimte en energie. Het verbeeldt de expressie van het absolute Zijn, de manifestatie van het niet-manifeste, waardoor de ganse schepping en dus ook de mens geworden is. In het Oosten wordt die initiële vibratie gesymboliseerd in de universele mantra “Aum”. Het woord was niet alleen in het begin, het is er nog steeds, op ieder ogenblik. Maar de mens erkent het niet. Toch kan de mens het erkennen, want voor dit innerlijke licht hij kan ontvankelijk worden.

De logos symboliseert de Geest, de Spiritus. Door de Geest is de schepping en dus ook de mens geworden. Hij verblijft in de schepping en dus ook in de mens, door wie hij te ervaren is. Het absolute, in zijn niet-manifeste aspect, is niet kenbaar. Geen woord, geen beeld kan “Het” bevatten. Elke voorstelling ervan, ook die van een vader, behoort tot een virtuele realiteit ! De Geest is het zichzelf uitdrukkende aspect van de Vader. Daarom is de Geest wel een te ervaren realiteit. Hij is de spirituele brug, die de mens met zijn absolute bron en haar wet verbindt. De mensenzoon is het sluitstuk in de schepping. Wat hij voortdurend door de Geest ontvangt, heeft hij volgens zijn wet uit te drukken.

De drie-eenheid is geen structurele eigenheid ooit door de mens aan het goddelijke werd toegekend maar een zijnswaarde die binnenin iedere mens blijvend aanwezig is. Door de Geest kan de mensenzoon zich bewust worden van zijn verbondenheid met zijn absolute levensbron. In het beeld van een bron vindt de eenheid van Vader en Geest een verhelderende symboliek. Een bron is een leegte waaruit water te voorschijn komt. De bron is noch de leegte noch het water maar beide in eenheid verenigd : zonder leegte geen water, zonder water geen bron... De leegte is niet te ervaren. Wel te ervaren is het water... Maar wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is, niemand in wie of door wie het water tot leven kan worden ? Hierin ligt de finaliteit van de mens : in eenheid met de bron dienend zijn zoals de bron zelf dienend is. Dit inzicht in de drie-eenheid is het dat tot het nieuwe behoort.

De interpretatie van logion 29 is zeker niet eenvoudig. In het licht van het nieuwe inzicht trachten we de inhoud van dit logion enigszins anders te verwoorden :

Indien de Geest de oorsprong is van het vlees, de bezielde mens, is dit een wonder : het wonder van de schepping van het biologische leven. Indien echter het lichaam, dat in de duisternis van de onwetendheid verblijft, de mogelijkheid bezit zich bewust te worden van de Geest, de Geest kan erkennen, is dit het wonder der wonderen...

Het is het wonder van het biologische leven dat de Geest de oorsprong is van “het vlees”. Het grootste wonder is evenwel dat het lichaam, de materiële basis van het bewustzijn, de Geest kan erkennen en hierdoor tot “leven” kan komen. Dit betekent de nieuwe geboorte ! Het onderscheid dat hier aan de orde is tussen sarks (lijn 2) en soma (lijn 4) is heel subtiel ! Sarks refereert naar het “bezielde lichaam”, de eenheid van psychè en soma. Wil de mens zich opnieuw bewust worden van zijn oorspronkelijke verbondenheid, hoort zijn bezielde lichaam opnieuw leeg te worden (zie vorig logion). Dit betekent dat de psyche tot stilte, tot rust moet komen. Wat dan nog rest zijn de niet meer “bezielde” structuren van sarks : soma, het lichaam. Het personeel heeft de burelen verlaten, de deur werd gesloten, binnenin heerst enkel stilte, rust... Rust is het uitgelezen middel waardoor de psyche kan gezuiverd worden. Doorheen die zuivering zal de Geest zich in de psyche optimaler kunnen manifesteren.  

De Geest is de grootste rijkdom die ons ter beschikking staat, want de “drager” van het gehele levenspotentieel. Hij is het water waardoor de bron erkend kan worden. Het is de Geest die de harmonie in de ganse natuur handhaaft, die alle hoedanigheden van het lichaam en zijn psyche blijvend ondersteunt, die ook het licht is dat in zich kennis en inzicht draagt. Toch wordt hij door de mens miskend. Hierdoor verblijft de mens nog steeds in de duisternis van de gescheidenheid...

wie de Vader beledigt, beledigt een beeld, schiet een pijl af in de leegte...

wie de zoon beledigt, beledigt zichzelf, wat slechts domheid is...

maar wie de Geest beledigt, miskent dit wat het leven in zich draagt.

We zijn hier ver verwijderd van het dualisme van lichaam en geest, dat vaak als het kenmerk geldt voor de gnostische visie. Ver verwijderd ook van de dualistische visie van Paulus, die verkondigde :

Vlees en bloed kunnen niet deel hebben in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid. (1 Kor15,50)

 

 

30

jezus heeft gezegd

daar waar drie goden zijn daar zijn ze goden

daar waar er twee zijn of één ben ik met hem

 

Wanneer de joden Jezus hoorden spreken over “zijn vader”, begrepen zij wellicht dat hij hun God Jahwe bedoelde. Maar zich de zoon van Jahwe noemen kon niet. Dit was godslastering ! Geen mens kan zich immers beroepen op een directe goddelijke afkomst. Een misverstand met ernstige gevolgen, zoals zou blijken. Over die essentiële relatie ondervroegen zij hem dus.

Opnieuw is zijn antwoord verstorend ! Dat drie goden, goden zijn is zonder meer duidelijk. Maar spreken van twee of één, waar hij mee verbonden is... Eens te meer worden we hier voor een raadsel geplaatst. Hoe kan het absolute, gesymboliseerd in het woord God, worden opgesplitst zodat er twee zijn ? Het absolute is toch niet te splitsen... tenzij in een beeld…

Wanneer Jezus, om te getuigen van zijn innerlijke verbondenheid met een absolute Zijnswaarde, het beeld van een vader gebruikt is dit beeld enkelvoudig. Zo is het ook wanneer hij, zoals in logion 74, gebruik maakt van het beeld van een bron. Wanneer we echter in een bron de leegte en het water onderscheiden als symbolen voor de Vader en de Geest (zie commentaar bij vorig logion), is het beeld niet meer enkelvoudig maar tweevoudig... Geen twee evenwel als een onmogelijke deelbaarheid van één, maar als twee onderscheiden aspecten van één Zijn : het tijdloze onberoerde Zijn en het zich uitdrukkende Zijn. In geleerde bewoordingen noemt men dit het transcendente en immanente aspect van God. Met die werkelijkheid is Jezus verenigd : ik ben met hem.

Zo geeft hij uitdrukking aan zijn bewustzijn van verbondenheid, van eenheid met een absolute Zijnswaarde. Dit houdt echter niet in dat hij zich met die Zijnswaarde identificeert ! De zoon en de vader zijn één maar niet identiek... Ook het kind van zeven dagen verblijft nog steeds in de eenheid met zijn levensbron... Eenheid en gelijkheid zijn twee verschillende begrippen... Jezus verheft zich hier niet tot een goddelijke status !

Omdat de twee-eenheid van Vader en Geest beschouwd werd als de oorsprong zelf van het leven, lag het als het ware voor de hand de menselijke begrippen mannelijk en vrouwelijk op het goddelijke te projecteren. Zo wordt de Geest - ruah in het hebreeuws is vrouwelijk - in diverse gnostische geschriften voorgesteld als de Moeder naast de Vader. Overigens werden in Juda duidelijke sporen gevonden, die dateren uit het begin van de VIII° eeuw vóór onze tijdrekening, van de verering van Asherah als de gezellin van YHWH.

Het absolute is per definitie door het relatieve niet te bevatten. We kunnen dus enkel pogen het te benaderen met behulp van beelden, waarin ons analytische vermogen opsplitst wat in werkelijkheid één is. Essentieel bij de interpretatie van een beeldspraak is zich steeds bewust te zijn van de functie van het beeld als middel. Nooit echter kan het beeld verward worden met de werkelijkheid die erdoor benaderd wordt.

Zoals Geest en Vader één zijn, zo is ook het mensenkind één met de bron. Want de mogelijkheden, die de mens in zichzelf ervaart en die hij zo graag aan zichzelf toekent, ontvangt hij door de Geest. Omdat de schepping bestaat, bestaat ook de mens en omdat de mens bestaat, bestaat het begrip “God”. Vooraleer de mens op aarde verscheen, was alles één : het geschapene en het scheppende, het lagere en het hogere. Door de mens werden beide gescheiden in natuur en bovennatuur. Het is de zin van de religieuze weg het inzicht in de originele verbondenheid opnieuw in het bewustzijn te integreren.

 

 

31

jezus heeft gezegd

een profeet wordt niet aanvaard in zijn dorp

een therapeut verzorgt niet hen die hem kennen

 

vergelijk : Mt 13,57-58 - Mc 6,4-5 - Lc 4,23-24 - Jn 4,44

 

Het is de opdracht van een profeet een juiste religieuze kennis te verwoorden omtrent de verbondenheid van het lagere met het hogere. Van een therapeut is het de taak een verstoorde lichamelijke of psychische harmonie te herstellen. In Jezus zijn beide opdrachten verenigd zijn. Uit logion 14 blijkt dit ook de opdracht te zijn die hij zijn discipelen meegeeft. Zowel vermeende kennis als ziekte of lijden zijn symptomen van een verstoorde innerlijke harmonie. Zijn kennis is holistisch, want zij ontspringt uit de eenheid.

Wellicht is deze uitspraak ingegeven door de eigen ervaring van Jezus. Als jood heeft hijzelf de begrenzingen van zijn cultuur moeten overstijgen om tot de religieuze inzichten te komen die nu de zijne zijn. Vertrouwde mensen in dit nieuwe bewustzijn deelachtig maken is geen eenvoudige opdracht ! Voor vreemde geluiden hebben we nu eenmaal meer ontzag dan voor bekende stemmen... Ook voor ons geldt dat Jezus ons zoveel meer nabij is dan de Boeddha. Toch zullen zijn vernieuwende inzichten in dit evangelie op heel wat minder luisterbereidheid kunnen rekenen dan de weliswaar vaak boeiende woorden van een Dalai Lama...

 

 

32

jezus heeft gezegd

een stad die gebouwd werd op een hoge berg en sterk is

noch kan zij worden ingenomen noch kan zij verborgen blijven

 

33

jezus heeft gezegd

dit dat je met je oor zult horen

met het andere oor schreeuw het uit over de daken

er is toch niemand die een olielamp aansteekt

en haar onder een struik plaatst of haar verbergt

maar de lamp wordt op een staander geplaatst

zodat ieder die binnenkomt of naar buiten gaat haar licht kan zien

 

vergelijk : Mt 5,14-16  7,24-27 en 10,27  Lc 6,47-49  8,16  11,33  12,3  Mc 4,21

 

In beide logia tracht Jezus, met een niet verdoken enthoesiasme, de waarde van de rijkdom, die hij in zichzelf ervaart, beeldend voor te stellen. De kracht die hij uit zijn innerlijke bron ontvangt vergelijkt hij met een versterkte stad. Elk nieuw inzicht, dat een mens in zichzelf uit het hogere kan verwerven, ook al is hij nog ver van zijn einddoel verwijderd, heeft een absolute waarde. Het is een rijkdom die niet door anderen kan worden ontnomen, enkel door eigen falen. (zie logion 35) Zoals het licht kan het ook niet verborgen blijven, want het draagt in zich een kracht die in staat is duisternis te verdrijven.

Het beeld van een versterkte stad roept spontaan de gedachte op aan macht. Licht associëren we evenwel niet met macht. Omdat het licht de uitdrukking is van een absolute wet - een versterkte stad daarentegen is mensenwerk - kan het enkel dienend zijn en dus nooit een bron zijn van macht, tenzij het door de mens wordt misbruikt. Elke juiste kennis hoort, zoals het licht, dienend te zijn. De vrucht van een dienende kennis is gezag, nooit macht !

 

 

34

jezus heeft gezegd

indien een blinde een andere blinde leidt vallen zij beiden in een put

 

vergelijk : Mt 15,14 - Lc 6,19

 

Zolang een mens geen kennis heeft van zijn ware natuur, zolang hij in bewustheid gescheiden blijft van het licht uit zijn innerlijke bron, verkeert hij in een duisternis die ook armoede is. Daarom is lijden zijn dagelijkse partner. Het is niet de finaliteit van de mens te lijden, noch in de duisternis te verblijven. Zoals hij beschikt over twee ogen om naar buiten te zien, zo kan hij ook de aandacht van zijn bewustzijn naar binnen richten en vaststellen dat hieruit een ander licht straalt, dat niet met twee ogen te ervaren is. De ontvankelijkheid voor dit licht bepaalt wie blind is en wie niet.

Leiders volgen die in de mening verkeren in de duisternis de weg te kennen is geen zinvolle optie. Velen denken nochtans de waarheid in pacht te hebben en voelen zich geroepen om als een lichtbaken te fungeren. Zolang we zelf in de duisternis verblijven, zijn we niet in staat een onderscheid te maken tussen een blinde en een ziende ! Wie in zichzelf zijn of haar gerichtheid wijzigt en het innerlijke licht ervaart, heeft geen behoefte meer aan blinde leiders.

In het evangelie van Fillipus lezen we deze merkwaardige uitspraak van Jezus. Wanneer de discipelen hem het verwijt maken dat hij meer houdt van Maria Magdalena dan van hen - want hij kuste haar vaak - antwoordt hij hen : wel, indien een blinde en een ziende samen in de duisternis verblijven, verschillen zij niet van elkaar. Maar wanneer het licht komt zal de ziende zien en de blinde in de duisternis blijven...

 

 

35

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat iemand met geweld

het huis van een sterke man binnenvalt

tenzij hij hem de handen boeit

pas dan zal hij zijn huis door elkaar halen

 

vergelijk : Mt 12,29 - Mc 3,27 - Lc 11,21-22

 

Logion 21 bevatte reeds een aanmaning tot waakzaamheid. Die waarschuwing herhaalt zich hier. Wat we uit het hogere kunnen ontvangen heeft weliswaar een absolute waarde die ons sterkte geeft, toch blijven we steeds mensen van vlees en bloed. Verleidingen uit het lagere zijn nooit ver weg, onze zwakheden evenmin. Met beide ogen zien we zovele schitteringen, die in schijn het innerlijke licht tijdelijk kunnen overtreffen. Zo laat de sterke zich door schijnwaarden toch beetnemen, laat hij of zij zich de handen boeien

De vijand die we het meest te vrezen hebben, die onze verworven vrijheid opnieuw aan banden kan leggen, onze innerlijke harmonie grondig kan verstoren, is tenslotte ons eigen ikje en zijn egocentrische verlangens. Wie aan het lagere gebonden is stelt het juist op prijs die verlangens waar te maken. Dit betekent pas vrijheid ! Maar wie zoekt zichzelf te dienen verslaaft zich, want egocentrische verlangens verkeren steeds in de ban van de leeuw en verlangen daarom steeds meer...

Het behoort tot een natuurlijk proces dat onze verlangens de inhoud van onze wil inkleuren en zo de gerichtheid van ons handelen bepalen. “Leven zonder verlangens” als een ideaal beschouwen, berust op een foute inschatting van oosterse wijsheden. Wat wel tot onze opdracht behoort is de gerichtheid van onze verlangens te wijzigen. Onze sterkte en onze vrijheid liggen niet in het dominerende maar in het dienende ik... Ook die ommekeer behoort tot het nieuwe. Het leven is geen “self service”...

 

 

36

jezus heeft gezegd

wees niet bezorgd van de ochtend tot de avond

en van de avond tot de ochtend

om wat jullie zullen aantrekken

 

vergelijk : Mt 6,25 en volg. - Lc 12,22 en volg.

 

Dit logion sluit aan zowel bij het vorige als bij het volgende. De bezorgdheid om wat we zullen aantrekken, om dit waarmee we ons in dit leven “bekleden”, is een oppervlakkige bezorgdheid. Uiteraard zijn de klederen niet letterlijk op te vatten. Zij symboliseren alle relatieve waarden, waardoor we onszelf in de ogen van anderen belangrijk kunnen maken. IJdelheid, de bezorgdheid om het eigen imago, is er slechts één van.

Dit logion houdt echter geen veroordeling in van de aandacht die we aan zovele relatieve waarden kunnen besteden. Zij maken immers deel uit van de rijkdom, die dit leven aangenaam en mooi kan maken. Hiervan genieten hoort bij het leven ! De levenswet is evenwel een wet van harmonie en dus van maat. Van de ochtend tot de avond en van de avond tot de ochtend is mateloos... Hoe maak ik gebruik van de tijd en het onderscheidingsvermogen die mij ter beschikking staan ?

 

 

37

de discipelen zeiden

welke dag zal je ons verschijnen en welke dag zullen wij je zien

jezus zei

wanneer jullie zich hebben ontdaan van jullie schroom

en jullie klederen hebben genomen

ze aan jullie voeten hebben neergelegd en vertrappeld

zoals de kleine kinderen doen

dan zullen jullie de zoon zien van hem die levend is

en jullie zullen niet vrezen

 

Blijkbaar verkeren de discipelen in de verwachting dat Jezus hen op een dag, nadat hij hen heeft verlaten, (zie logion 12) opnieuw zal verschijnen. Die hoop is slechts een illusie (zie volgend logion). Zo is ook de messiaanse verwachting een droom is die deel uitmaakt van een religieus concept, waarin het joodse volk zichzelf beschouwt als door Jahwe uitverkoren. Met die ijdele gedachte heeft een gans volk zich bekleed… Ook religieuze voorstellingen, waarin onze onwetendheid werd verhuld, behoren tot onze klederdracht…

De ommekeer die Jezus zijn discipelen voorhoudt is radicaal. Schijnwaarden moeten worden ingeruild voor een reële zoektocht naar de zoon van hem die levend is. De term “mensenzoon” werd in het christelijke geloof voorbehouden voor de Christus. De zoon zien van hem die levend is betekent niet enkel Jezus erkennen als een bewust geworden mensenkind, maar ook en vooral die potentiële hoedanigheid in zichzelf erkennen. Hiervoor is het evenwel noodzakelijk dat we, zoals het kind van zeven dagen, innerlijk opnieuw leeg en dus naakt worden. Ons bewustzijn moet de weg teruggaan van de zuiverheid die was in het begin.

De schroom, die ons weerhoudt onszelf in naaktheid te zien, is onze hoogmoed. Wie zich hiervan heeft ontdaan, die wijn heeft uitgebraakt, die klederen vertrappeld heeft, kan in zichzelf zijn of haar ware zelf erkennen : het mensenkind dat kind is van hem die levend is. Het verdwaalde kind, dat de weg naar het vaderhuis heeft teruggevonden en zichzelf opnieuw erkent als kind van zijn vader, hoeft niet meer te vrezen. De hereniging heeft slechts een naam : vreugde ! In het onderricht van Jezus is geen ruimte voor angst…

 

 

38

jezus heeft gezegd

hoe vaak hebben jullie er niet naar verlangd

de woorden te horen die ik jullie zeg

en voor jullie is er geen ander van wie ze te horen

er zullen dagen komen waarop jullie mij zullen zoeken

en mij niet zullen vinden

 

vergelijk : Lc 17,22 - Jn 7,33-34 en 8,21

 

Het vorige logion verduidelijkte de weg van de discipelen : een ontluistering van hun ego, een ontmanteling van de schijnwaarden waarmee zij zich hebben bekleed... Ook geloofswaarheden, die anderen ons voorhouden, hebben slechts een relatieve waarde. Zij zijn niet in staat twijfels en onzekerheden weg te nemen. Die kunnen slechts in een innerlijke kennis, een gnosis, worden opgelost. Naar die kennis verlangt iedere mens, ook de discipelen. Maar Jezus spreekt een onverwachte taal ! De kennis die hij hen voorhoudt behoort niet tot het gebied van het weten maar tot dit van het zijn. Gnosis is immers een ervaringskennis. De weg van zelfkennis moeten de discipelen zelf gaan. Die tocht kan niemand in hun plaats volbrengen. Ook Jezus niet... Zijn opdracht is het te dienen door hen de richting van de weg aan te wijzen. Hierin onderscheidt hij zich van anderen.

De hoop van de joden is gevestigd in een verlossing die komen moet. Voor de christenen is de verlossing er gekomen door het kruis... Het woord van Jezus is verstorend : de verlossing ligt in een weg die jullie in jullie eenzame zelf te gaan hebben... Van die weg is de naam bewustwording. Op die weg moeten jullie niet mij zoeken maar jezelf...

 

 

39

jezus heeft gezegd

de farizeeërs en de schriftgeleerden

hebben de sleutels van de kennis [gnosis] genomen

en hebben ze verborgen

noch zijn zij zelf binnengegaan

noch lieten zij toe dat zij die wilden zouden binnengaan

jullie daarentegen wees bedachtzaam als de slangen

en zuiver als de duiven

102

jezus heeft gezegd

beklagenswaardig zijn zij de farizeeërs

want zij gelijken aan een hond die slaapt in de voerbak van de ossen

want noch eet hijzelf noch laat hij toe dat de ossen zich voeren

 

vergelijk : Mt 23,13 en 10,16 - Lc 11,52

 

Geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde... Wat Jezus hier aan de kaak stelt is de houding van die mensen, die in de mening verkeren het onkenbare te kennen en hierdoor anderen beletten de weg van de ware kennis, de gnosis, te gaan. Het proces dat hij hier wezenlijk voert is dit van het onderscheid tussen godsdienst, als een geheel van door mensen bedachte waarheden omtrent God, en gnosis, als het gaan van een innerlijke, zoekende weg die leidt tot inzicht.

We kennen inmiddels een veelheid aan godsdiensten, die zich over de wereld hebben verspreid. De fascinatie voor een absolute macht, die de natuurlijke grenzen overstijgt, is universeel. Sinds de mens op aarde verscheen heeft hij zich een kennis van het onkenbare toegeëigend en aan anderen doorgegeven. Zowel het jodendom, het christendom als de islam hebben hun wortels in de hebreeuwse Bijbel. Hun gemeenschappelijke stamvader is Abraham. Samen delen zij het geloof in een unieke God. Maar ieder van hen verkondigt zijn waarheden omtrent de gescheidenheid die zou bestaan tussen de mens en zijn Schepper. Hiervoor beroepen zij zich op goddelijke revelaties. Die revelaties werden echter niet eenduidig waargenomen... Elke godsdienst is nochtans overtuigd van zijn eigen goddelijke uitverkiezing. Vreselijke confrontaties in naam van Jahwe, God of Allah hebben in onze geschiedenis bloedige sporen nagelaten en laten die nog steeds na. Behoeft de menselijke hoogmoed een meer overtuigende bewijsvoering...?

Er is kennis en onwetendheid, werkelijkheid en verzinsel. Nooit zal iemand een andere kunnen beletten voor zichzelf zijn of haar onwetendheid in verzinsels te verhullen. Begrenzing is het kenmerk van het menselijke weten. Dit in onszelf erkennen is een eerste stap op de weg van zelfkennis. In wat we denken te weten, wat we als een waarheid erkennen, zijn we aanvankelijk totaal van anderen afhankelijk. Willen we religieus volwassen worden dan horen we die afhankelijkheid af te bouwen. De weg van gnosis is een zelfbevrijdende weg. Nooit kan het gaan van die weg een aanleiding zijn om een ander in zijn of haar vrijheid te beperken !  

Wie een religieuze kennis aan een ander als dé waarheid voorhoudt, begaat een fout van hoogmoed en draagt hierin een grote verantwoordelijkheid. Kennis hoort dienend te zijn, bevrijdend voor een ander. Van zijn gnosis maakte Jezus nooit macht !

De waarschuwing aan het einde van logion 39 geldt zowel naar anderen toe als naar onszelf : wees bedachtzaam als de slangen en zuiver als de duiven... Innerlijke zuiverheid is de voorwaarde om niet in dezelfde fout te vervallen als die waar we ooit zelf het slachtoffer van werden. De bedachtzaamheid herinnert aan de alertheid van de attente visser uit logion 8.

 

 

40

jezus heeft gezegd

een wijnstok werd geplant buiten de vader

en gezien hij niet sterk is zal hij met de wortel worden uitgerukt

en zal hij vergaan

 

vergelijk : Mt 15,12-13 - Jn 15,5-6

 

Elke investering in het lagere behoort tot het lagere en is dus vergankelijk. Elke kennis is er relatief en dus begrensd. Ook alles wat buiten ons is en waarvan we een kennis kunnen verwerven is onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Elke menselijke ervaring is afhankelijk van de toestand van het individuele bewustzijn en ook dit is voortdurend in evolutie. Voor die evolutie zijn we ook zelf verantwoordelijk... Want wanneer we onze gerichtheid wijzigen, niet meer naar buiten maar naar binnen, naar de stilte binnenin onszelf die ook leegte is, kan het bewustzijn tot rust komen en een weg gaan van terugkeer naar zijn originele zuiverheid. Kennis die berust in een zuiver bewustzijn heeft haar wortels in de Vader en is geïnspireerd door de Geest. Enkel die kennis heeft een absoluut draagvlak.

 

 

41

jezus heeft gezegd

aan wie heeft in zijn hand hem zal gegeven worden

aan wie niet heeft zelfs het weinige dat hij heeft

zal uit zijn hand ontnomen worden

 

vergelijk : Mt 13,12 en 25,29 - Lc 8,18 en 19,26 - Mc 4,25

 

Wat we in de hand hebben is slechts waardevol indien het een zijnswaarde heeft, indien het de vrucht is van wat binnen de vader werd geplant. Elk streven om dit te bereiken wordt erkend. Op die weg heeft elke stap positieve gevolgen voor onszelf en voor anderen. Ook dit is een niet onbelangrijk aspect van de wet, dat ook door Krishna in de Bhagavad Gita wordt onderkend. Wat daarentegen volgens de wetten van het lagere verworven werd, hoe weinig het ook mag zijn, zal onherroepelijk ontnomen worden. Dit is een logisch vervolg op het vorige logion en vindt zijn eenvoudige conclusie in logion 42.

 

 

42

Jezus heeft gezegd

jullie wees voorbijgaand

 

 

Dit is het kortste logion in dit evangelie. Voorbijgaand zijn betekent niet onverschillig zijn ! Dit leven is een weg die we in een dienende betrokkenheid met anderen te gaan hebben. Aan aardse en dus tijdelijke verworvenheden hebben we evenwel voorbijgaand te zijn.

In dit leven is het ons gegeven te genieten van de vele rijkdommen die de natuur ons aanbiedt, andere mensen en culturen te ontdekken en in alle levensgebieden kennis te verwerven. Vooral is het ons gegeven in harmonie met mens en natuur te leven en te handelen. Harmonisch handelen betekent handelen zonder een gebondenheid aan de vruchten van de handeling, zonder de bezorgdheid iets aan onszelf toe te kennen. Onthecht zijn en vrij blijven is de boodschap. Dit is het merkteken van de monachos.

In het begin van deze eeuw ontdekte men dit opschrift boven de grote stadspoort van de oude stad Fateh pur Sikri, ten zuiden van Delhi, gebouwd door de grote Mogol Akbar, de rechtvaardige :

Jezus - vrede ruste op hem - heeft gezegd

de wereld is een brug

ga erover maar vestig er je woning niet

Die uitspraak van Jezus was reeds in de XI° eeuw bekend bij de muzelmaanse schrijver Al-Ghazali.

 

 

43

de discipelen zeiden hem

wie ben je die ons dit zegt

door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben

maar jullie zijn als de joden

want zij houden van de boom en verwerpen zijn vrucht

en zij houden van de vrucht en verwerpen de boom

 

Joh 8,25: “Zij zeiden hem: wie ben je? Jezus zei hen : eerst wat ik jullie zeg.”

Van Joh 8,25 zijn verschillende versies in omloop. We volgen de lezing van de Bijbelschool van Jeruzalem, die doorgaans heel betrouwbaar is.

 

Blijkbaar was “wie ben je ?” ook voor zijn discipelen een beklijvende vraag. Wie is die man die, zoals uit andere bronnen blijkt, zieken geneest, soms onvoorstelbare dingen doet en vooral een beeldentaal spreekt die hen in verwarring brengt. Zijn antwoord is duidelijk : dit, dat ik jullie zeg. Belangrijker dan zijn daden is de inhoud van zijn woord. Zijn voornaamste opdracht is het een kennis te brengen die getuigt van een spirituele verbondenheid die hij in zichzelf ervaart. In dit bewustzijn wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar het godsbeeld, dat hen werd voorgehouden, is niet te verzoenen met het beeld van een vader dat Jezus hen voorhoudt.

Daarom sluit hij dit logion af met een verwijzing naar de tegenstrijdige houding van de joden. Wat betekent echter de boom waar de joden van houden, zonder evenwel zijn vruchten te waarderen en wat zijn de vruchten die zij wel op prijs stellen, maar waarvan zij de boom verwerpen ?

De joden hebben een geloof in een God maar de vruchten van hun geloof smaken bitter. Jahwe is immers een almachtige en vreesaanjagende God, die het lot van iedere mens in zijn hand houdt. Willen zij kunnen rekenen op Zijn milde oordeel, dan moeten zij in dit leven Zijn wet nauwgezet onderhouden, hun rituelen plichtsbewust volbrengen. Met hun God leven zij in een soort afhankelijkheid die dwingend is, voortdurend eisen stelt, niet aangenaam te beleven is. De vruchten van hun geloof smaken inderdaad bitter...

De vruchten waar zij wel van houden zijn die waar iedere mens van houdt : een leven in harmonie met zichzelf en de anderen. Die vruchten behoren tot de boom die Jezus “vader” noemt, maar die niet door de joden wordt erkend. Bij die vruchten horen geen dwingende wetten of rituelen. De mens, die in zichzelf zijn verbondenheid met de Vader erkent, ontvangt meteen de vruchten - Zijn inspirerende aanwezigheid - als een gave uit de bron. Dit reveleert hem het leven in een steeds toenemende vervulling. Die boom is het die de joden verwerpen, hoewel ook zij van zijn vruchten houden...

Dit onderstreept nog maar eens dat het zien van een verbondenheid tussen de boodschap van Jezus en het bijbelse geloof enkel het gevolg kan zijn van een misbegrip van zijn woord of, zoals voor Paulus het geval was, van een miskenning ervan.

 

 

44  zie  logion 29

 

45

jezus heeft gezegd

druiven worden niet geoogst op doornen

noch worden vijgen geoogst op distels

zij geven inderdaad geen vruchten

uit zijn rijkdom geeft een goed mens het goede

een slecht mens brengt het kwade voort

uit de verderfelijke schat die in zijn hart is

en hij spreekt met een kwade tong

zo brengt hij uit de overvloed van zijn hart het kwade naar buiten

 

vergelijk : Mt 7,15-20 - Lc 6,43-45

 

Elke handeling is de uitdrukking van een ingesteldheid. Het bewustzijn, waarin onze gedachten en gevoelens ontstaan, bepaalt ook onze ingesteldheid en de keuzen die we maken. De oorzaak van foute daden, van onjuiste inzichten, van een verkeerde ingesteldheid, ligt niet in een of andere bron van het kwade maar in de mens zelf, in de verstoring van zijn bewustzijn. Wie handelt vanuit de duisternis kan enkel verstoring naar buiten brengen. Licht kan niet ontstaan uit de duisternis, wel uit een bron van licht. Duisternis heeft geen bron, zij is enkel afwezigheid van licht. Daarom heeft de duisternis geen macht op het licht en is strijden tegen de duisternis, tegen het kwade, zinloos. Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis !

Zich de wereld voorstellen als een strijdtoneel tussen de machten van het goede en het kwade is een voorstelling die velen kon verleiden, maar behoort tot de wereld van de verbeelding. De oorzaak van het kwade toeschrijven aan een satan kan niet, want hierdoor ontvluchten we een verantwoordelijkheid die het spontane gevolg is van onze betrokkenheid in het koningschap van de Vader. Wie geen aandacht heeft voor een gerichtheid naar de lichtgevende bron binnenin zichzelf en verkiest te verblijven in de duisternis die hem of haar omhult, is zelf verantwoordelijkheid voor de verstoringen in de eigen psyche of, zo men wil, in het eigen hart. De vruchten van zijn of haar daden zullen hiervan onvermijdelijk de sporen dragen...

 

 

46

jezus heeft gezegd

van allen die door een vrouw werden gebaard

van adam tot johannes de doper

is niemand meer verheven dan johannes de doper

zodat zijn ogen niet zullen gebroken worden

ik heb daarentegen gezegd

wie onder jullie klein zal zijn zal het koninkrijk kennen

en meer verheven zijn dan johannes

 

vergelijk : Mt 11,11 en Lc 7,28

 

De verwijzing naar het kleine kind behoeft geen commentaar meer. Opmerkelijk hier is de erkenning van Johannes de Doper als de meest verhevene. Wie is die man ? Uit evangelische getuigenissen kennen we hem als een originele woestijnprediker, zoon van Zacharias en Elisabeth, de nicht van de moeder van Jezus. Hij predikte de komst van “een” Koninkrijk en zou ooit Jezus hebben gedoopt. Hij is tot een juist inzicht gekomen, zodat het zien hem niet meer kan worden ontnomen. Hierdoor overstijgt hij alle bekende figuren uit het Oude Testament... Toch heeft ook hij het eindpunt nog niet bereikt, want : hij is nog niet klein geworden...

Eens te meer blijkt hoe Jezus afstand neemt van hen, die hem in de joodse religieuze geschiedenis zijn voorgegaan. In het Johannesevangelie brandmerkt hij hen zelfs als “rovers en dieven”. (Joh 10,8)

 

 

47

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat een man twee paarden bestijgt

of twee bogen spant

en het is niet mogelijk dat een dienaar twee meesters dient

want hij zal de ene eren en de andere beledigen

nooit zal een man oude wijn drinken

zonder meteen te verlangen de nieuwe wijn te drinken

en men doet geen nieuwe wijn in oude zakken

omdat er barsten zouden ontstaan

en oude wijn doet men niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven

men naait geen oude lap aan een nieuw kleed

want er zou een scheur ontstaan

 

vergelijk : Mt 6,24 en 9,16-17 - Mc 2,21-22 - Lc 16,13 en 5,36-39

 

In het eerste gedeelte van dit logion wordt duidelijk gemaakt dat we voor een keuze worden geplaatst waar geen compromissen bijhoren. Het maken van keuzen is inherent aan onze vrijheid en behoort tot onze dagelijkse bekommernis. In het gebied van het lagere is kiezen voor een compromis vaak de beste optie. Hier gaat het echter om een essentiële keuze, die de gerichtheid van mijn leven bepaalt. Waarheen heb ik mijn leven te richten ? Voor wie of wat heb ik te dienen ?

Mensen die een religieuze keuze hebben gemaakt en er naar streven de “wil van God” in dit leven te volbrengen verdienen zeker alle respect. Maar wat betekent het volbrengen van de “wil van God” ? Is dit het volgen van morele gedragsregels, die door een “religieus” gezag werden vastgelegd ? Hoe verschillend is de wil van Allah van die van Jahwe, van de God der katholieken, protestanten of orthodoxen ? Welke God verbiedt het gebruik van condomen en welke niet...? Welke God staat het priesterschap voor vrouwen in de weg...? Zolang mensen bepalen wat de wil van God is, hebben we keuzen in overvloed...

De projectie van een menselijke eigenschap - de wil - op een absolute zijnswaarde is een voorstelling die slechts zinvol is binnen het gebruikte beeld ! Dit, dat Jezus “Vader” noemt, omdat hij “het” ervaart als zijn innerlijke inspiratiebron, is niet te verzoenen noch met het beeld van Jahwe, noch met dit van “God de Vader”, zoals het ons in het christelijke geloof wordt voorgehouden. De opdracht, waar Jezus in dit logion iedere gelovige mee confronteert, is even radicaal als ingrijpend ! Dit hoort nu eenmaal bij de weg waartoe hij ons uitnodigt en die een uitdaging is voor de persoonlijke vrijheid én verantwoordelijkheid van iedere mens.

Het tweede deel van dit logion komt ons bekend voor. De wijnliefhebber heeft evenwel oog te hebben voor een verschillende wijncultuur. Het bewaren van wijn in landelijke streken was toen immers geen evidente opgave. Daarom was de nieuwe wijn “het van het” ! Verder is het opvallend dat zich, in de drie synoptische evangeliën, eenzelfde merkwaardige afwijking heeft voorgedaan. In dit logion is inderdaad sprake van het zinloze herstel van een nieuw kleed met een oude lap. Dit lijkt de evidentie zelf ! In de synoptische evangeliën gaat het eigenaardig genoeg om het herstel van een oud kleed met een nieuw stuk stof, dat niet zou kunnen... Gedenk maar eens wat onze oma’s vroeger deden toen de knie van een broek of de elleboog van een vest versleten waren. Jawel, zij naaiden er een nieuw stuk in...

Belangrijker nochtans is de symboliek in het beeld te achterhalen. Wat betekenen het nieuwe kleed en de oude lap, de nieuwe en de oude wijn, de nieuwe en de oude zakken ? Het nieuwe, waar het in de boodschap van Jezus om gaat, is het inzicht in de innerlijke verbondenheid van iedere mens met zijn absolute levensbron, hier en nu, in dit leven. Die verbondenheid is universeel, kan door iedere mens ervaren worden, omdat zij elke religieuze beeldvorming overstijgt. Ofwel verwerven we dit inzicht in het nieuwe en behoeven we niets meer van het oude, ofwel verblijven we in het oude. Twee meesters dienen, de God van het oude en de Vader van het nieuwe, kan niet !  

Toch werd de God van het oude ook die van het nieuwe geloof... Het oude werd immers de voedingsbodem van het nieuwe... Blijkbaar bestond de enige overlevingskans voor een nieuw geloof erin zich te grondvesten in het voorvaderlijke geloof en dus in het Oude Testament. Dit strookte evenwel niet met de prediking van Jezus…  tot Paulus ten tonele verscheen...  

Als farizeïsche jood en, naar eigen bewering, de vurigste onder de vervolgers van de volgelingen van Jezus, kon Paulus niet totaal onwetend zijn geweest omtrent het verderfelijke karakter van diens prediking. Desalniettemin zou hij, na de spectaculaire gebeurtenissen op de weg naar Damascus en zijn plotselinge bekering, in de gekruisigde en verrezen Jezus, de door de joden verwachte Messias erkennen. Dit belette echter niet dat de boodschap van Jezus bleef wat zij was : een doorn in het oog van vele joden en ook van Paulus. Zijn genie bestond erin zijn evangelie te substitueren aan dit van Jezus, dat tenslotte overbodig was want : “onze gedachte is de gedachte van Christus...” Dit poneerde hij, zonder enige valse bescheidenheid, in zijn eerste brief aan de korinthiërs... (2.16)

Het evangelie dat Paulus predikte was het zijne, niet dat van Jezus ! Zijn erkenning van Jezus als een goddelijke Christos - de Griekse vertaling van het hebreeuwse Mashiah - had bovendien twee merkwaardige gevolgen. Enerzijds werd de verzoening van Jezus met het voorvaderlijke geloof een feit en anderzijds onderging Paulus de banbliksems van zijn eigen joodse geloofsgenoten. Een nieuwe godsdienst, die berustte op het theologische concept van Paulus, niet op het onderricht van Jezus, was geboren...

 

 

48

jezus heeft gezegd

indien twee vrede sluiten in dit ene huis

zullen zij zeggen tot de berg verwijder je

en hij zal zich verwijderen

 

vergelijk : Mt 17,20 - 21,21 - 18,19  Lc 17,6  Mc 11,22-23

 

Twee hebben dus vrede te sluiten en opnieuw één te zijn. In dit ene huis kan refereren naar het lichaam waarin we dit leven te volbrengen hebben. Het kan ook geïnterpreteerd worden als het vaderhuis, waarin we allen genodigd zijn “thuis te komen”.

In dit leven ervaren we alles in termen van dualisme, oordelen we ook zo graag volgens normen van goed en kwaad. Zo zijn nu eenmaal de regels in het lagere. De mens heeft zichzelf wetten aangemeten, zijn eigenwijsheid geponeerd en hierdoor een absolute waardeschaal in verwarring gebracht. Door de wet van harmonie te miskennen heeft hij zich afgescheiden van zijn inspiratiebron. Wat één was werd gescheiden, werd twee...

De noodzakelijke terugweg ligt voor de hand : van twee opnieuw één maken, hier en nu. Wie z’n vergissing inziet kan de weg naar de oorspronkelijke eenheid teruggaan, de weg die ooit de verloren zoon ging. Hierdoor kan hij of zij zich opnieuw bewust worden deel te hebben in het gezag van de Vader, in Zijn wet van harmonie. Zijn inspiratie werkt zoals het licht : zij verdrijft de duisternis, is in staat elke verstoring ongedaan te maken, elke hindernis weg te vlakken, zoals het beeld van de berg duidelijk maakt.

Terloops mag ook dit duidelijk zijn : het is niet het “geloof” in welke menselijke voorstellingen ook dat in staat is bergen te verzetten... Zoals vele godsdiensten in hun geloof de ware zin van de religieuze eenheid hebben miskend, zo hebben zij niet alleen geen bergen verzet maar onder de mensen diepe kloven geslagen.

 

 

49

jezus heeft gezegd

gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen

want jullie zullen het koninkrijk ontdekken

omdat jullie uit hem zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan

 

 

De voorwaarde om onze finaliteit in dit leven waar te maken, om deel te hebben in het koningschap, is de weg van de monachos te gaan. De betekenis van monachos werd reeds toegelicht in de inleiding en bij logion 16. Wie tot een spirituele volwassenheid wil komen moet zich uit verslavende banden met het lagere bevrijden. Misleidende en dwingende “waarden”, ook religieuze, moeten worden losgelaten om in onthechting een verlossende weg te gaan. Zekerheid biedende “waarheden”, die door mensen worden aangeboden, zijn waardeloos. Het waardevolle is door ieder voor en in zichzelf te ontdekken. Loslaten, om op zoek te gaan naar een ervaring en een inzicht die bevrijdend zijn, dit is de uitdaging van het nieuwe.

De finaliteit van de weg is in bewustheid thuis te komen in de bron waaruit we zijn ontstaan. Zoals, om zijn finaliteit waar te maken, het zaad zichzelf moet “loslaten” in de eenheid met de goede aarde waarin zijn oorsprong ligt, zo is het bewustzijn van de monachos de noodzakelijke voorwaarde om de eenheid met de bron opnieuw te ervaren. De uitverkiezing is het logische voorrecht dat enkel de monachos toekomt.

 

 

50

jezus heeft gezegd

indien zij jullie zeggen vanwaar zijn jullie gekomen

zeg hen wij zijn gekomen uit het licht

daar waar het licht is ontstaan

uit zichzelf heeft het zich opgericht

en is het verschenen in hun beeld

indien zij jullie zeggen wie zijn jullie

zeg wij (zijn) zijn kinderen

en de uitverkorenen van de vader de levende

indien zij jullie ondervragen

wat is het teken van de vader die in jullie is

zeg hen het is een beweging met een rust

 

In dit evangelie is dit één van de meest cryptische uitspraken. Dit logion is als het ware een minischeppingsverhaal, vergelijkbaar met de proloog van het Johannesevangelie, waarin de symboliek van de logos wordt overgenomen en verduidelijkt door die van het licht. Het inzicht in de volledige toedracht van de in dit logion uitgedrukte kennis vraagt tijd en bezinning : “dat hij (of zij) die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.

Het licht is een rijk en universeel gebruikt symbool. Het ligt immers niet alleen aan de oorsprong van het vermogen te zien, het regelt ook de ritmen van dag en nacht, van activiteit en rust, van de seizoenen ook. In harmonie met materie zorgt het bovendien én voor warmte én voor zuurstof. Zonder het licht is leven op aarde gewoon ondenkbaar. Daarom is het, als een levensonderhoudende energie, het uitgelezen symbool voor de werking van de Geest.

De meest aansprekende eigenschap van het licht is ongetwijfeld zichtbaarheid te brengen. Symbolisch betekent zien : inzicht en dus kennis verwerven. Toch is het licht zelf niet zichtbaar ! De beelden die ons netvlies opvangt zijn slechts zichtbaar dankzij een harmonisch samenspel tussen licht en materie… Een filmprojectie heeft een scherm nodig om het beeld, dat in het licht is, zichtbaar te maken.

Wat is nu het teken waardoor het kind van de vader, de levende, dat in zich het licht draagt en uit te stralen heeft, herkenbaar is ? Het is een getuigenis van harmonie, de waarde waarop de expressie van het leven berust. Harmonie betekent evenwicht, maat. Het essentiële ritme in de schepping is beweging en rust, handelen en niet-handelen, dag en nacht, zomer en winter. Die wet van maat is het die de ganse natuur stuurt en ondersteunt, die de eenheid achter het dualisme reveleert, de ordelijkheid achter de schijnbare chaos. Enkel in de totale vervulling van de eenheid, in het bewustzijn van de monachos, zijn beweging en rust, handelen en niet-handelen, één... (zie verder logion 83)

In het Johannesevangelie (13,35) formuleert Jezus het herkenningsteken van zijn discipelen als : indien jullie elkaar liefhebben. Hier is dit teken : het is een beweging met een rust. Hoe zijn beide uitspraken met elkaar te verzoenen ? Zoals intelligentie de vrucht is van een harmonie in het denken, zo is liefde de vrucht van een harmonie in de gevoelens die ons met anderen verbinden. Deel hebben in Zijn wet van harmonie is daarom de noodzakelijke voorwaarde om liefde tot uitdrukking te brengen.

 

51

zijn discipelen vroegen hem

welke dag zal er rust zijn voor hen die dood zijn

en welke dag komt de nieuwe wereld

hij zei hen

dit waar jullie naar uitzien is gekomen

maar jullie erkennen dit niet

 

52

zijn discipelen zeiden hem

vierentwintig profeten hebben in israël gesproken

en allen hebben zij door jouw hart gesproken

hij zei hen

aan hem die levend voor jullie staat zijn jullie voorbijgegaan

en jullie hebben gesproken over doden

 

Bij een vraag en een opmerking van zijn discipelen komt Jezus tot eenzelfde teleurstellende vaststelling : daar waar kennis hoort te zijn is nog steeds onwetendheid. Nog maar eens is hier het oude en de verwachting die het heeft opgeroepen aan de orde en blijkt het hoe spiritueel onvolwassen de discipelen nog zijn. Nog steeds hebben zij niet begrepen dat de realiteit van het koninkrijk in potentie aanwezig is, dat die realiteit van een innerlijke orde is en niets te maken heeft met een apocalyptisch gebeuren, waarvan de schriften de verwachting hebben opgeroepen.

Ook voor ons geldt dat het gebed : “Uw rijk kome...” niet zo zinvol is. Want het rijk van de Vader is er ! Zijn gezag ís gevestigd en staat ons dienend ter beschikking. Niets hoeven we nog te vragen want alles wordt ons aangeboden. Allen zijn we op ieder ogenblik genodigd tot de bruiloft, het feestmaal van de eenheid, tot het deel hebben in het koningschap van de Vader. Dit bewustzijn verklaart de afwijzende houding van Jezus ten aanzien van het vragende gebed van de joden, dat ook het gebed van de christenen zou worden.

Voor de discipelen, die nog steeds in het oude verblijven, betekent de boodschap van Jezus : die van alle profeten samen. Zijn antwoord is onverbloemd : jullie zijn niet in staat het onderscheid te maken tussen hem die levend voor jullie staat en zij die dood zijn...

Het is begrijpelijk dat deze logia geen sporen hebben nagelaten in de canonische geschriften. Enkel Johannes heeft in 10,8 een parallelle uitspraak  “allen, die vóór mij zijn gekomen, zijn rovers en dieven...”  Merkwaardig is dat Augustinus wel kennis blijkt te hebben gehad van logion 52. In “Contra adversarium legis et prophetarum” XI. 4.14 lezen we : “Wanneer de apostelen [...] aan de Heer vroegen wat zij te denken hadden omtrent de profeten van de joden... antwoordde hij : hij die levend voor jullie staat hebben jullie verworpen, en wij praten over doden… ”

 

 

53

zijn discipelen zeiden hem is de besnijdenis nuttig of niet    

hij zei hen

zo zij nuttig was zou hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden maar in de geest [pneuma] is het dat de ware besnijdenis haar volle waarde vindt

 

Opnieuw is een joods ritueel in opspraak : de besnijdenis. Het antwoord van Jezus aan zijn discipelen is even helder als realistisch : aan een dergelijk ritueel valt geen religieuze betekenis toe te kennen. Wat de wet van de Vader voorzien heeft behoeft immers geen bijstelling door een menselijke hand ! Belangrijker evenwel is de spirituele dimensie die hij aan de betekenis van onthechting verbindt. Echte waarden hebben te maken met de Geest, niet met de penis...

In logion 27 werd het vasten verduidelijkt als een vasten ten aanzien van de wereld. Ook die praktijk betreft een onthechting, van die relatieve normen en waarden namelijk die in een lagere levensorde de wet dicteren. Onthechten betekent loslaten, zich bevrijden van. De besnijdenis is een daad van fysieke onthechting. Beide rituelen refereren in wezen naar een innerlijk gebeuren, waarin het persoonlijke bewustzijn betrokken is.

In dit bewustzijn manifesteert zich de Geest, de pneuma, als een sturende energie, die ons begeleidt op het pad van ervaren en handelen. Elke handeling ontspringt uit een rust. Vanuit een rustige en dus een meer serene psyche zal de handeling zoveel meer kans maken harmonisch te zijn. De besnijdenis in de geest verwijst naar een onthechting waarin onze psyche en zijn ego hun betrokkenheid bij het handelen tijdelijk loslaten, om zich te richten naar een rust in het niet-handelen, naar een leegte binnenin onszelf. Die gerichtheid roept spontaan de gedachte op aan een praktijk waarmee we meer vertrouwd zijn en die we het gebed noemen.

In Mt 6,6 heeft Jezus deze merkwaardige uitspraak :

Maar jij, wanneer je bidt, ga binnen in je kamer en, nadat je de deur gesloten hebt, bid de Vader die in het verborgene is en de Vader, die in het verborgene ziet, zal je teruggeven.

Ook hier volgen we de vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem. De Griekse tekst vermeldt inderdaad : bid de vader die in het verborgene is en dus niet : bid in het verborgene tot de vader...

Opnieuw hebben we met een beeldspraak te maken. De kamer waarvan we de deur te sluiten hebben is onze binnenkamer, daar waar het bewustzijn gevestigd is. Willen we ons richten naar de Vader, de bron waaruit we ontvangen, is het noodzakelijk de aandacht van het bewustzijn af te sluiten van, te onthechten van het gebied waarin het voortdurend betrokken is : die deur moet gesloten worden. Dit duidt op een toestand waarin de psyche, bevrijd van elke betrokkenheid bij de buitenwereld, bewust een intense rust kan ervaren. Die kwaliteit van rust doet onvermijdelijk terugdenken aan een toestand van meditatieve rust, die niet enkel in het originele concept van yoga wordt nagestreefd, maar ook prominent deel uitmaakt van het onderricht van de Boeddha.  

Van die rust is het de specifieke eigenschap dat zij in het bewustzijn een toestand induceert waarin bewustheid en niet-handelen samen aanwezig zijn. De activiteit van het denken neemt hierin zodanig af dat het ego in een toestand van “zelfloosheid” verzinkt. Dit is de toestand waarin de finaliteit van het ware gebed zich kan verwezenlijken : een eenheid met de Vader die zelf in het verborgene is. De Vader ziet maar wij kunnen Hem niet zien. Doorheen ons bewustzijn is de Vader niet kenbaar… Het doel van dit gebed is ontvankelijk te worden voor Zijn inspiratie, voor wat Hij teruggeeft.

De natuurwet leert ons dat elke toestand van rust steeds overeenstemt met een toestand van toenemende orde. Hoe intenser de rust, des te doeltreffender de harmoniserende werking van de Geest zich in de structuren van ons fysieke lichaam en zijn bewustzijn kan manifesteren en ons toelaten telkens opnieuw een fractie van onze originele zuiverheid terug te vinden. Hierdoor zal ook elke mentale functie iets juister aan haar finaliteit beantwoorden.

In de tweede helft van de XX° eeuw heeft de beoefening van yoga en meditatie zich nadrukkelijk in onze westerse samenleving aangemeld. Die aandacht voor meditatie getuigt van de behoefte aan een spirituele beleving die verschillend is van onze traditionele religieuze praktijken. Hoewel de meditatieve rust een natuurlijke toestand is, zijn onze hechtingen aan de buitenwereld zo sterk geworden dat een aangepaste techniek noodzakelijk blijkt om die beleving in ons bewustzijn terug te vinden. Het beoogde doel is onze mentale activiteit zodanig te verstillen dat zij voor een poos niet meer wordt verstoord door persoonlijke gedachten en verlangens.

De sabbat en het ware gebed hebben beide met een gerichtheid naar de Vader te maken, niet met een onmogelijke communicatie met de Vader ! Zo kan het ritueel van de besnijdenis, door de spirituele dimensie die Jezus eraan toekent, verwijzen naar een praktijk waardoor in ons bewustzijn de originele harmonie in het ritme van rust en activiteit kan worden hersteld.  

 

 

54

jezus heeft gezegd

gelukkig zijn de armen want van jullie is het rijk der hemelen.

 

Vergelijk : Mt 5,3 - Lc 6,20

 

Arm zijn betekent niet noodzakelijk in een toestand van ontbering verkeren. Zij die in staat zijn te voorzien in hun elementaire levensbehoeften, zonder aanspraak te kunnen maken op enige overbodige luxe, kunnen zich ook niet hechten aan waarden, die tenslotte oppervlakkig en misleidend blijken te zijn. Spontaan leert het leven hen die waarden te waarderen die niet aan vergankelijkheid onderhevig zijn. Hoe vaak stellen we niet vast dat solidariteit, als een elementaire uiting van harmonie, zoveel oprechter is onder minder bedeelden dan onder welstellenden. Hoe weinig zij ook hebben, toch is het hen een vreugde dit met anderen, soms totaal vreemden, te delen. Dit leren we vooral van die mensen en volkeren, die zogenaamd primitiever zijn dan wij. Toch beschouwen we het voor niemand als een voorrecht niet rijk te zijn...

In de uitdrukking van harmonie is alles een kwestie van maat. Arm zijn kan betekenen : niets teveel hebben. Zeker is dat rijk zijn geen voorwaarde is voor geluk ! Aan wat we niet bezitten kunnen we ons ook niet hechten. Wie onthecht is aan het overbodige kan zich des te vrijer richten naar die waarden die niet met vergankelijkheid te maken hebben. Hoe verhouden zich in mijn leven de waarden van hebben en zijn...?

 

 

55

jezus heeft gezegd

wie niet zijn vader en zijn moeder afwijst

zal mijn discipel niet kunnen zijn

en wie niet zijn broeders en zusters afwijst

en zijn kruis draagt zoals ik

zal mij niet waardig zijn

 

101

wie niet zijn vader en zijn moeder afwijst zoals ik

zal mijn discipel niet kunnen zijn

en wie niet van zijn vader en zijn moeder houdt zoals ik

zal mijn discipel niet kunnen zijn

want mijn moeder heeft me ter wereld gebracht

maar mijn ware moeder heeft me het leven geschonken

 

vergelijk : Lc 14,26-27 - Mt 10,37-38

 

 

De reden waarom we beide logia samenbrachten ligt voor de hand. In beide stelt zich trouwens eenzelfde vertaalprobleem. Vertalen is een delicate oefening. Woorden zijn cultuurgebonden uitingen van een tijdsgebonden ingesteldheid. Van die expressie zijn we door twintig eeuwen van evolutie gescheiden. Het werkwoord dat we hier vertaalden door afwijzen werd in de canonische evangeliën vertaald door haten. Die vertaling van het Griekse werkwoord misein is filologisch verantwoord. Toch blijft de vraag waarom gekozen werd voor de meest extreme betekenis ervan. Ons lijkt de inhoud, die wij nu aan “haten” toekennen, niet te verzoenen met de mens Jezus. Welk woord gebruikte hij toen in zijn taal en wat was de weerklank ervan in zijn cultuur ? Naar onze cultuur toe zou een vertaling door afstand nemen van wellicht de meest passende kunnen zijn. In logion 101 wordt immers ook de waarde van houden van benadrukt.

Voor een kind betekent volwassen worden : afstand nemen van een zekerheid biedende geborgenheid binnen het ouderlijke gezin om in vrijheid een weg van persoonlijke levenskeuzen te gaan. Dit “afstand nemen van” heeft niets met haten te maken...! Toch is het duidelijk dat Jezus een radicale lijn aanhoudt : wie het nieuwe in zich wil opnemen moet afstand doen van het oude. Daarom houdt religieus volwassen worden in : door anderen opgelegde inzichten loslaten om in oprechtheid en eenzaamheid een zoekende weg te gaan.

Opmerkelijk in logion 101 is dat Jezus het beeld van de vader even inruilt voor dit van de moeder. Dit was in zijn cultuur zeker verstorend en zal het begrip van zijn beeldspraak niet in de hand hebben gewerkt. (zie ook logion 114) Hiermee benadrukt hij het onderscheid tussen het biologische leven, dat door de moeder gegeven wordt, en het ware leven, dat we van onze ware moeder ontvangen. Het ene, de geboorte, ondergaan we. Voor het andere hebben we zelf een bewuste weg te gaan.

 

 

56

jezus heeft gezegd

wie de wereld heeft gekend heeft een lijk gevonden

en wie een lijk gevonden heeft de wereld is hem niet waardig

 

80

jezus heeft gezegd

wie de wereld heeft gekend heeft het lichaam gevonden

wie daarentegen het lichaam gevonden heeft

de wereld is hem niet waardig

 

Twee logia die zich nauwelijks van elkaar onderscheiden. Het zou best kunnen dat dit twee varianten zijn van eenzelfde uitspraak. Toch kan het belangrijk zijn op het verschil te letten. Want een lijk en een lichaam zijn verschillend, niet alleen biologisch ! Het ene, een lijk, is nutteloos. Het andere, het lichaam, is waardevol want het is het middel waardoor de Geest zich in de mens uitdrukt. (zie logion 29) Een lichaam, dat binnenin zichzelf de Geest erkent, is levend, zo niet is het slechts een lijk ! Wie dit in zichzelf erkend heeft : de wereld is hem of haar niet waardig...

De waarden, die in onze leefwereld aan de orde zijn, zijn relatief en dus tijdgebonden. Zij bepalen niettemin ons ik-beeld, de waarde die we aan onszelf toekennen. Hierin geldt vooral de wet van de leeuw, van de sterkste, de invloedrijkste, want aan hem of haar behoort de macht. Van die macht ben ik afhankelijk geworden. Langs sluipwegen werd mijn vrijheid aan banden gelegd. Die bewustwording houdt een uitnodiging in om echte waarden in een andere richting te zoeken. Lijken kunnen tot leven komen, levende lichamen worden door in zichzelf de Geest te erkennen. Wie dit in zichzelf erkent overstijgt meteen alle wereldlijke waarden...

 

 

57

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een man

die een uitstekend zaaigoed bezat

zijn vijand kwam bij nacht

en verspreidde onkruid onder het uitstekende zaaigoed

de man liet niet toe dat men het onkruid zou uitrukken

uit vrees zo zei hij hen dat jullie zouden gaan en zeggen

wij zullen het onkruid uitrukken

en jullie tevens het koren zouden uitrukken

inderdaad de dag van de oogst zal het onkruid zichtbaar zijn

het zal worden uitgerukt en verbrand

 

vergelijk : Mt 13,24-43

 

 

Enkel Mattheüs vermeldt deze parabel in zijn evangelie, zij het in een wat opgeklopte versie en bovendien voorzien van een interpretatie, waarvan met grote waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij, zoals bij de parabel van de zaaier het geval was, in de mond van Jezus werd gelegd. Zijn interpretatie kan overigens gelden als een voorbeeld voor het onkruid dat in de duisternis gezaaid werd... Helaas is dit het lot geworden van vele evangelische commentaren.

Ooit waren ook wij een kind van zeven dagen, dat nog steeds onbezoedeld in de zuiverheid van de eenheid met zijn levensbron verblijft. Wat het ontvangt beantwoordt aan haar wet van harmonie. Van die wet heeft de mens zich echter afgescheiden. De vrucht van de boom van kennis, het gezag dat enkel de Schepper toebehoort, heeft de Adam aan zichzelf toegekend. Zijn weten werd wet... Dit verhaal is geen historische gebeurtenis maar staat symbool voor een voortdurend aanwezige dagelijkse werkelijkheid ! Wie handelt vanuit een gescheidenheid, die haar oorsprong heeft in hoogmoed, veroorzaakt sowieso verstoringen. Hiervan werd ieder kind het slachtoffer. Het onbezoedelde werd, ongewild en ongewenst, verstoord door een pretentieus menselijk weten.

Zich hiervan bewust worden vergt, zoals de oude man in logion 4 illustreert, tijd en bezinning. Geduld is een mooie deugd ! Het is niet evident het onkruid snel te onderscheiden van het ontkiemende goede zaad. Intelligentie ontstaat door een juist onderscheidingsvermogen en heeft dus met levenservaring te maken. Juiste inzichten kunnen zich slechts ontwikkelen indien de basis van kennis, het bewustzijn, voldoende gelouterd is.

De wet van karma verbindt elke handeling met haar gevolgen : wat je zaait zal je oogsten. In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie gebruikt Jezus dit merkwaardige beeld : de zaaier en de maaier zijn één. De dag van de oogst, die door Mattheüs werd geïnterpreteerd als de “dag des oordeels” met de dreiging van het helse vuur, is onlosmakelijk verbonden met het ogenblik waarop het zaad de eenheid met de goede aarde terugvindt. Daar waar het begin is, daar zal het einde zijn. Zoals in het ganzenspel even teruggaan naar logion 18...

 

 

58

jezus heeft gezegd

gelukkig de mens die de beproeving gekend heeft

hij heeft het leven gevonden

 

 

Dit logion confronteert ons met één van de meest delicate aspecten van dit leven : de ervaring van beproevingen en dus van lijden. Een ervaring die ons meestal overvalt, maar ook een verklikker kan zijn om eigen vergissingen in te zien en tot een juiste bezinning te komen. Soms kan de zin ervan worden erkend en aanvaard, soms niet... Het kan ons overkomen de betekenis van een beproeving, die ons ooit in de diepste ontgoocheling of vertwijfeling bracht,  pas jaren later in te zien…

Wanneer we de levenswet associëren met een wet van harmonie is het niet evident aan een beproeving een gepaste plaats toe te kennen, haar functie te erkennen. Binnen het creatieve gebeuren is het enkel de mens gegeven vrij zijn handelingen te bepalen. Hierdoor kan alleen hij de oorzaak zijn van verstoringen. Maar de levenswet is absoluut en elke verstoring ervan lokt een reactie uit, omdat het principe van harmonie een onaantastbare waarde heeft. Hiervan getuigt de wet van karma.

Karma betekent handeling. Wanneer onze handelingen ingaan tegen de wet, veroorzaken ze een interferentie in een evenwicht dat zichzelf zoekt te herstellen. Onherroepelijk, of we de zin ervan inzien of niet, zal de rekening ons worden aangeboden. Indien we in staat zijn het verband te leggen tussen oorzaak en gevolg kunnen we, niet zonder enige moeite weliswaar, de consequenties ervan aanvaarden. Blijven we echter verstoken van enig inzicht, dan worden we geconfronteerd met een niet te aanvaarden bestraffing...

Eén van de kenmerken van onze relatieve leefwereld is een onderlinge verbondenheid, waarin elk element ervan betrokken is. Elke individuele verstoring zal daarom ook collectieve gevolgen hebben, zoals de ganse gemeenschap overigens ook kan genieten van iedere individuele positieve actie. Bij de gevolgen van de wet van karma zijn we allen, schuldigen en onschuldigen, op eenzelfde wijze betrokken, want verenigd in een universele solidariteit. Sinds de mens op deze aarde verscheen is hij echter de oorzaak geweest van zovele verstoringen dat het ons onmogelijk is geworden het geheel van de consequenties van zijn daden correct in te schatten. Dit gebrek aan inzicht mag evenwel geen reden zijn om een gebeurtenis, waarvan de zin ons ontgaat, als zinloos weg te vlakken. De oorzaak van het lijden toeschrijven aan een ondoorgrondelijke wil van God, aan een hypothetische satan of aan een fataliteit, houdt echter tevens de miskenning in van onze eigen verantwoordelijkheid.

Gezien het lijden onmiskenbaar deel uitmaakt van dit leven, hoort het ons toe zijn functie juist in te schatten. Omdat iedere mens bewust of onbewust deel heeft in het koningschap van de Vader, in Zijn wet van harmonie en dus in de expressie van het leven, is iedere mens, hoe beperkt ook, verantwoordelijk voor de evolutie van het leven op onze planeet. Niemand is echter vrij van fouten. In het dragen van de gevolgen van die foutenlast zijn we allen solidair, ook al ervaren we dit soms als een aanslag op ons gevoel voor rechtvaardigheid. De levenswet is echter geen door mensen bedacht concept en is dus niet gedragen door menselijke emoties. Dit maakt het voor ons ook zo moeilijk de consequenties ervan te aanvaarden. Hoe we met die ervaring omgaan, tot welke diepgaande bedenkingen zij aanleiding kan geven, bepaalt in een niet geringe mate voor onszelf het groeiproces in dit leven.

Dit geldt evenzeer voor het lijden van de man die door Paulus als de Messias, de Christus, werd erkend. Was Jezus het slachtoffer van anderen of maakte zijn lijden deel uit van een goddelijk plan en van een hoopgevende werkelijkheid die eraan verbonden werd…? Omdat de kennis van Paulus omtrent de inhoud van het onderricht van Jezus zo beperkt was, heeft hij de waarde van diens aanwezigheid onder de mensen vooral toegespitst op die ene dramatische gebeurtenis, die het einde van zijn leven betekende. Maar, is de sublimatie van dit levenseinde, waarin liefde en lijden verenigd werden tot een universeel bevrijdende gebeurtenis, wel realistisch…? Want tenslotte houdt die associatie een opmerkelijke tegenstelling in. Immers, zoals liefde een expressie is van harmonie, is lijden de consequentie van disharmonie…

 

 

59

jezus heeft gezegd

hou jullie blik gericht naar hem die levend is

zolang jullie levend zijn   

zodat jullie niet sterven

en zoekend hem te zien niet meer kunnen zien

 

Bij herhaling houdt Jezus ons voor onze alertheid niet op te geven. Wat verworven is kan immers door onachtzaamheid opnieuw verloren gaan. We zijn nu eenmaal mensen met tekorten en zwakheden. Ook al zijn we ons van onze opdracht bewust, van de weg ook die we te gaan hebben, toch kan dit bewustzijn overwoekerd worden door het onkruid waar we dagelijks mee te maken hebben en dat ons in de verleiding kan brengen voor een foute gerichtheid te kiezen.

Z’n blik gericht houden op hem die levend is” betekent onze aandacht voor het licht uit een innerlijke bron gaande houden. Want, de ontvankelijkheid voor dit licht bepaalt tenslotte het onderscheid tussen leven en dood.

 

 

60

(zij zagen) een samaritaan die een lam droeg en judea binnen ging

hij zei tot zijn discipelen

wat gaat hij aanvangen met het lam

zij zeiden hem hij zal het doden en het opeten

hij zei hen

zolang het levend is zal hij het niet opeten

maar wel indien hij het doodt en het een lijk geworden is

zij zeiden op een andere wijze zal hij het niet kunnen

hij zei hen

jullie zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust

zodat jullie geen lijken worden en worden opgegeten

 

De waarschuwing in het vorige logion herhaalt zich hier op een meer expliciete wijze. Ook al hebben we voor onszelf nieuwe inzichten verworven, al hebben we het belang van ons ik gerelativeerd in een mentale erkenning van de absolute bron van onze mogelijkheden, al zijn we tot een juister bewustzijn van onszelf gekomen, toch geeft het oude zijn macht niet zomaar uit handen. De weerbaarheid van het eens zo belangrijke ik is niet te onderschatten ! Die macht is het die van ons opnieuw een lijk kan maken, waardoor we onszelf verlagen tot voedsel voor de leeuw...

Opmerkelijk is de herhaalde aanbeveling van Jezus om ons tegen onszelf te beschermen. In logion 59 was dit : hou jullie blik gericht naar hem die levend is, hier : zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust… Logisch dus dat er een verband zou bestaan tussen de juiste gerichtheid van onze blik en het zoeken van een plaats binnenin een rust. Dit doet spontaan terug denken aan het beeld van logion 53 : de besnijdenis in de geest. De gerichtheid naar een innerlijke rust, naar de leegte binnenin onszelf, is een gerichtheid naar hem die levend is...

Een niet onbelangrijke overweging kan hier eveneens aan de orde zijn. Het hebreeuwse woord voor lam is namelijk talya. Maar talya betekent ook dienaar. Vandaar de mogelijke verwarring tussen “lam Gods” en “dienaar Gods”. Jezus is de dienaar, niet het lam...! Het essentiële onderscheid is dat de dienaar dient zolang hij levend is. Een lam dient slechts wanneer het een lijk geworden is...  Wat is belangrijker : de boodschap van de levende Jezus of de associatie van zijn kruisdood met het joodse offerfeest, waarbij ter nagedachtenis van Abraham een lam geofferd werd...?

 

 

61

jezus heeft gezegd

twee zullen daar rusten op één bed

de ene zal sterven de andere zal leven

salome zei wie ben je mens

vanuit het ene heb je mijn bed bestegen en aan mijn tafel gegeten

jezus zei haar

ik ben die is uit de gelijke (*)

mij is gegeven wat van mijn vader is

- ik ben jouw discipel

daarom zeg ik dit

wanneer hij leeg zal zijn geworden zal hij vervuld zijn van licht

maar indien hij verdeeld is zal hij vervuld zijn van duisternis

 

vergelijk : Lc 17,34-35 -  Mt 24,40-41 - Jn 14,10 en 16,15

 

Een bijzondere ontmoeting tussen Jezus en een vrouw, Salomé. Een gesprek onder vier ogen - zoals de ontmoeting van Jezus en een samaritaanse vrouw in het Johannesevangelie - doet steeds vragen rijzen bij de correcte weergave van wat gezegd werd. Waren er getuigen bij deze ontmoeting ? De omstandigheden wijzen op een zekere intimiteit. Een ongehoorde situatie dus voor een religieus gesprek, dat toen uitsluitend tot het mannelijke territorium behoorde. Die discriminatie hoort echter niet bij de gnosis van Jezus...

De voornaamste thema’s van zijn getuigenis zijn hier aan de orde :

- de keuze tussen levend worden of dood blijven

- het bewustzijn één te zijn met de Vader

- de noodzaak innerlijk opnieuw leeg te worden

Het inzicht waarvan Jezus getuigt is radicaal : ofwel komen we tot leven ofwel blijven we dood. Een tussenweg is er niet. Ofwel bevrijden we ons van de wijn die ons dronken maakte, zijn we opnieuw leeg geworden en hierdoor ontvankelijk voor het innerlijke licht, ofwel verblijven we in een toestand van gescheidenheid, van verdeeldheid en is duisternis ons deel.

Lijn 9, aangeduid met (*), kan een gelegenheid zijn tot een diepgaande bezinning ! Wat is de natuur van de verbondenheid van het mensenkind met de Vader ? “Ik en de Vader zijn één” zegt Jezus in Joh 10,30. Betekent één zijn evenwel ook gelijk zijn...? Zaad en grond zijn één, zaadcel en eicel zijn één... Toch zijn zij niet identiek ! Hier definieert Jezus zichzelf als die is uit de gelijke. De vrucht van het zaad is zaad... Het begrip “gelijkheid” is een relatief en dus een dualistisch begrip. De regendruppel die zich bewust is van zijn oorsprong, de oceaan, kan bezwaarlijk de oceaan als zijn “gelijke” beschouwen. Toch zijn beide H2O...

Jezus mag dan wel, zoals de Boeddha, een buitengewoon mens zijn geweest, ook hij is, zoals uit de traditionele evangeliën blijkt, een mens “van vlees en bloed”, voor wie het niet altijd eenvoudig is zijn kennis in een voor zijn medemensen toegankelijke taal te verwoorden. Soms gelijken zijn uitspraken aan de koans van het zenboeddhisme...

 

 

62

jezus heeft gezegd:

ik spreek mijn verborgen woorden tot hen die ze waardig zijn  (*)

wat je rechter zal doen je linker hoeft niet te weten wat zij doet

 

vergelijk : Mt 6,3-4  Noteer ook de hoogmoedige ontaarding in : Mt 13,10-13 - Mc 4,10-12 - Lc 8,9-10

 

(*) het originele woord vertaald als verborgen woorden is mysterion.

Een mysterion is het inderdaad, dat ook sporen heeft nagelaten in de canonische evangeliën. Wie handelt vanuit de eenheid handelt juist. Een juiste handeling is én een dienende én een van zijn vruchten onthechte handeling. Dus niet : met de ene hand geven en met de andere verwachten te ontvangen.

Handel omwille van de handeling, niet omwille van de vruchten” zegt Krishna in de Bhagavad Gita. “Zolang de eigen verlangens de gedrevenheid tot het handelen bepalen, verblijven we in een kringloop waar enkel lijden het gevolg van is.” zo spreekt de Boeddha. In hoofdstuk 4 van het Johannesevangelie zegt Jezus : “de zaaier en de maaier zijn één”...

De gevolgen van de handeling zijn inherent aan de handeling zelf : wat we zaaien oogsten we. Zaaier en maaier zijn één. Er valt geen rekenschap af te leggen, noch van rechts aan links, noch aan een grote Rechter. De vereffening ligt in de handeling. Dit is het dat in het Oosten de wet van karma wordt genoemd en het geloof in een ultiem goddelijk oordeel overbodig maakt…

Het is de taak van de dienaar te dienen vanuit de eenheid met zijn heer. Noch wat hij dienend geeft, noch de gevolgen van zijn daden behoren hem toe. Ook de goedheid, die we zo graag aan onszelf toekennen, behoort ons niet toe ! We kunnen enkel dankbaar zijn de mogelijkheid te ontvangen goed te kunnen zijn. Wie aan zichzelf enige verdienste toekent hecht zich aan de vruchten van zijn handeling. Wie zich hecht maakt zich afhankelijk. In Zijn wet is geen ruimte voor afhankelijkheid, wel voor een harmonische verbondenheid...

 

 

63

jezus heeft gezegd

er was een rijke man die een groot fortuin bezat

hij zei ik zal mijn fortuin aanwenden om te zaaien te oogsten

te planten zodat ik mijn zolders kan vullen met vruchten

en van niets een tekort zal hebben

zo dacht hij bij zichzelf en die nacht stierf hij

wie oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk : Lc 12,16-21

 

Wie hier commentaar behoeft kan teruggaan naar logion 42 of 54.

 

 

64

jezus heeft gezegd

een man had gasten en nadat hij het maal bereid had

zond hij zijn dienaar om de gasten te nodigen

hij ging naar de eerste en zei hem mijn meester nodigt u

deze antwoordde

ik heb geld klaar liggen voor handelaren

vanavond komen zij bij mij en ik zal hen mijn orders geven

ik excuseer me voor het maal

hij ging naar een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

ik heb een huis gekocht en moet hiervoor een dag vrijmaken

ik zal niet vrij zijn

hij kwam bij een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

mijn vriend gaat huwen en ik moet het feestmaal bereiden

ik zal niet kunnen komen verontschuldig me voor het maal

hij ging naar een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

ik heb een hoeve gekocht en moet de opbrengst ervan ophalen

sorry ik zal niet kunnen komen

de dienaar kwam en zei tot zijn meester

allen die je genodigd hebt hebben zich verontschuldigd

de meester zei tot zijn dienaar

ga langs de weg staan hen die je zult ontmoeten

breng hen naar hier om de maaltijd te nuttigen

waar mijn vader is zullen kopers noch handelaren binnen gaan

 

vergelijk : Mt 22,1-10 - Lc 14,15-24

 

 

Wat is de zin van het feestmaal waartoe zij, wij dus, genodigd zijn maar waarvan wij de waarde niet juist weten in te schatten en waarvoor wij dus ook niet de nodige attentie opbrengen ? Is het een hemelse beloning die ons te wachten staat na deze aardse beproevingen ? De laatste lijn van het logion maakt immers duidelijk dat het bij de Vader is dat we genodigd zijn. En wie zijn zij op wie hij rekende en die het lieten afweten ? En zij die niet voorkomen op de lijst van de genodigden, maar die wel op de weg te ontmoeten zijn ? Omdat zij reeds onder weg zijn komen zij in aanmerking om deel te hebben in het feestmaal. Zou dit feestmaal dan toch kunnen behoren tot de werkelijkheid van dit aardse leven...?

Het aardse paradijs, waarvan sprake in de Bijbel, beschouwen we als een sprookje. De mogelijkheid dit leven te beleven als een feestmaal lijkt ons evenmin een realistische visie. Onze dagelijkse ervaring spreekt dit grondig tegen ! Toch is het niet voor het eerst dat we in dit evangelie met een onwaarschijnlijke voorstelling geconfronteerd worden ! Vanuit onze dronkenschap, ons verblijf in de armoede van de duisternis, vanuit ons pretentieus weten over God en zijn geboden, over de plaats van Zijn rijk, kortom vanuit onze hoogmoed te denken over een juiste kennis te beschikken, valt het ons bijzonder moeilijk open te staan voor een alternatief, dat het gevolg zou zijn van een juist begrip en een consequent beleven van Zijn wet. Voor die wet, waar nochtans elke plant, elk dier, elk celletje van ons eigen lichaam ook spontaan naar luistert, voor haar uitnodiging is ons ikje doof geworden...

Wat jullie verwachten is gekomen, maar jullie kennen het niet werd in logion 51 gezegd. Zoals het nirwana voor de Boeddha, zo behoort ook voor Jezus het deel hebben in het koningschap van de Vader tot de realiteit van dit leven. In Luc. 17, 21 zegt hij immers : “want het Koninkrijk van God is binnenin u”... Het beleven van dit leven vanuit een bewuste verbondenheid met een absoluut levensprincipium, dat én bron is én wet, dat Jezus visualiseert in het beeld van een vader, dit zou dus het feestmaal zijn waartoe we hier en nu zijn uitgenodigd.

Indien dit beeld van een feestmaal, zoals dit van het aardse paradijs, toch in het scheppingsplan zou besloten liggen, wat is dan de oorzaak waardoor alles zo schromelijk is misgelopen ? Kan het scenario nu nog worden bijgestuurd ? Het antwoord op deze vragen confronteert ons met onze verantwoordelijkheid als mens in deze wereld, want die is het prijskaartje dat aan onze vrijheid kleeft. Sinds mensengeheugenis negeerde de Adam het gezag van de Vader, zijn wet van harmonie. Nog steeds zijn wij de Adam, zijn onze egocentrische verlangens de leidraad voor de keuzen die we maken, voor de beslissingen die we nemen. Wat boven alles heilig is in dit leven is “ik” en “mijn”. Dit is mijn huis, mijn gezin, mijn werk, mijn recht, mijn volk, mijn cultuur, mijn geloof..., mijn, mijn... We zijn dringend aan “ont-mijn-ing” toe, aan een flinke dosis zelfrelativering !

Een boom bestaat uit miljarden celletjes die allen luisteren naar Zijn wet. Indien die celletjes zich zouden gedragen zoals wij mensen, zou er geen boom meer zijn maar een hoopje stof, omdat elke coherentie zou zijn verdwenen... Egocentrisme en altruïsme zijn tegengestelde tendensen in onze psyche, die nochtans als complementaire krachten tot een positieve creativiteit kunnen leiden. Op voorwaarde evenwel er, zoals met zuur en zout of bitter en zoet in een gerecht, harmonisch mee om te gaan. Is die harmonie er niet, wordt het leven bitter en zuur… Hiervoor zijn we zelf, zoals Jezus in logion 28 vaststelde, verantwoordelijk.

Wat ons allen op dit kleine planeetje verbindt is zoveel belangrijker dan wat ons scheidt ! Oog hebben voor die waarden, die ons in gemeenschap met eenzelfde levenswet en haar bron verenigen, vereist echter het loslaten van egocentrische bezorgdheden, die ons doof maken voor de meest essentiële uitnodiging. Wie dit heeft ingezien en de juiste weg gaat, is genodigd tot het feestmaal bij de Vader.

Welke voorstelling van deze aardse realiteit we ook voor ogen hebben, nooit kan zij een excuus zijn om onze verantwoordelijkheid hier en nu te ontvluchten. Want allen samen bepalen we nu de levenskwaliteit voor hen die na ons komen.

 

 

65

hij heeft gezegd

een welstellend man had een wijngaard

die hij aan wijnbouwers had gegeven om hem te bewerken

zodat hij de vruchten ervan uit hun handen zou ontvangen

hij zond zijn dienaar naar de wijnbouwers

om de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen

zij overmeesterden zijn dienaar sloegen hem bijna doodden zij hem

de dienaar ging en meldde dit aan zijn meester

de meester zei

misschien heeft hij hen niet herkend (*)

hij zond een andere dienaar

de wijnbouwers sloegen ook hem

toen zond de meester zijn zoon en zei

misschien zullen zij hem mijn zoon eerbiedigen

de wijnbouwers nu omdat zij hem herkenden als de erfgenaam

van de wijngaard grepen en doodden hem

hij die oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk : Mt 21,33-41 - Mc 12,1-9 - Lc 20,9-16

 

 

De regel aangeduid met (*) werd letterlijk vertaald. We moeten hier echter rekening houden met een mogelijke transcriptiefout. Meer logisch zou inderdaad zijn : misschien hebben zij hem niet herkend.

Dit biologische leven ontvangen we zoals de wijnbouwers de wijngaard ontvingen : niet als een geschenk maar als een bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Willen we ten volle genieten van wat ons werd toevertrouwd, is het noodzakelijk elementaire leefregels te eerbiedigen. Vóór alles hebben we ons bewust te zijn en te blijven dat de vaardigheden, die we in onszelf ervaren, ons niet toebehoren. Zij zijn slechts een bruikleen. Ook de vruchten van dit bruikleen kunnen we niet aan onszelf toekennen, zo niet vervallen we in de fout van hoogmoed : het aan onszelf toekennen van iets dat ons niet toebehoort. Dit geldt niet alleen voor de vruchten die we hier kunnen verwerven maar ook voor de kennis, het recht, de macht en zelfs de goedheid waarmee we onszelf bekleden.

Zijn de levensomstandigheden ons gunstig en beschikken we over een relatieve welstand, dan kunnen we aardig wat ontdekken en genieten in dit leven, onder meer van lekkere wijn... Daar is niets fout mee, op voorwaarde bewust te blijven van de bron waaruit we ontvangen en van haar wet. Want genieten kan niet ten koste van anderen, noch ten koste van de harmonie in de natuur. Het is onze opdracht het bruikleen, dat ons werd toevertrouwd, zinvol aan te wenden. Dit bruikleen, de wijngaard, moeten we dus als goede dienaren bewerken, zodat we de vruchten ervan optimaal kunnen oogsten.

Onze finaliteit is het dienend te zijn en de vruchten van onze dienstbaarheid in dankbaarheid te verheffen tot de heer van de wijngaard. Dit is de zin van het ware offer, waardoor de mens zich verheft tot kind van de Vader. Pas dan zal hij optimaal genieten van de wijn die hij, in eenheid met zijn Heer, heeft voortgebracht. Wijn hoort nu eenmaal bij een feestmaal...

Vanuit een christelijk perspectief ligt het voor de hand Jezus hier te erkennen als de zoon, die zijn status van erfgenaam met de dood heeft bekocht. Dit zou dus een profetisch beeld kunnen zijn. Het beeld mag ons echter niet afleiden van de essentie van de boodschap, die is dat iedere mens in wezen volwaardig kind is van de Vader. De zin van de unieke erfgenaam hoort bij het gebruikte beeld, waarin wordt duidelijk gemaakt dat de mens bereid is tot het uiterste te gaan om aan zichzelf macht en bezit, die hem in wezen niet toebehoren, toe te kennen. Het beeld van de bezitter van de wijngaard staat symbool voor een werkelijkheid die van een absolute orde is. Wat zinvol is binnen de structuur van het beeld is het niet in de werkelijkheid zelf. In het absolute valt immers niet te erven...

 

 

66

jezus heeft gezegd

laat me de steen zien die de bouwlieden hebben miskend

hij is de hoeksteen

 

vergelijk : Mt 21,42-43 - Mc 12,10-11 - Lc 20,17-18

 

De plaatsing van de hoeksteen was toen de aanzet bij het optrekken van een gebouw, het referentiepunt waar de bouwlieden zich op richtten. De keuze ervan was bepalend voor de kwaliteit van het gehele bouwwerk. Symbolisch verwijst de hoeksteen naar een essentiële waarde in de kennis van Jezus. De noodzakelijke voorwaarde om tot een juist religieus inzicht te komen is een persoonlijke zoektocht te ondernemen. Die veronderstelt de bereidheid zichzelf in vraag te stellen, verworven waarden los te laten en in een mentale onthechting een zelf bevrijdende weg te gaan. Die hoeksteen werd echter door de religieuze leiders miskend. De sleutels van de gnosis hielden zij verborgen. (zie logion 39) In de plaats ervan poneerden zij hun eigen waarheden omtrent God en zijn geboden. Een vermeende kennis verving een bewuste ervaringskennis, macht verving gezag. Het gaan van een persoonlijke onderzoekende weg stelt echter heel wat hogere eisen dan het volgen van voorschriften van religieuze leiders...

Zoals muziek ontspringt uit de stilte en het water uit de leegte van de bron, zo ontspringt kennis uit het bewustzijn. De toestand van het bewustzijn is bepalend voor de kwaliteit van elke kennis. Enkel in een zuiver bewustzijn kan zich een juiste zelfkennis ontwikkelen. Daarom is het bewustzijn zelf de uiteindelijke hoeksteen, die de waarde van iedere persoonlijke zoektocht conditioneert.

Blijkbaar werd en wordt die hoeksteen nog steeds door weinigen erkend. In die erkenning zijn nochtans Krishna, Boeddha en Jezus broederlijk verenigd. De aandacht voor het gaan van een persoonlijke weg, waarin de waarde van meditatie prominent aanwezig is, behoort nog steeds tot de oosterse religieuze tradities. In het Westen werden we de erfgenamen van een joods-christelijke cultuur. Zeshonderd jaren na Jezus verkondigde ook Mohammed zijn boodschap. Zowel het jodendom, het christendom als de islam, zijn geworteld in de hebreeuwse Bijbel, in de verkondiging van mensen die werden aanzien als uitverkorenen van God. Hun getuigenis werd dan weer door anderen geïnterpreteerd, laat staan gemanipuleerd. Dit leidde tot een religieus dogmatisch denken met zovele pijnlijke confrontaties tot gevolg.

 

                                                          

67

jezus heeft gezegd

wie het al kent

indien hij verstoken is van zichzelf

is hij verstoken van het gehele veld

 

 

Zelfkennis zou dus de basiswaarde zijn, waar de ontvankelijkheid voor het gehele veld van kennis afhankelijk van is. Zelfkennis is de kennis van de kenner, van het wezen van het eigen zelf, die de begoochelingen eigen aan het ik-bewustzijn heeft doorzien en overstegen.

Binnen de natuurlijke rijkdom, waarin zijn levensgeluk een vervulling kan vinden, heeft de mens zichzelf inderdaad verheven tot heerser in de schepping. Alles behoort hem toe. In die dronkenschap heeft hij de bron van zijn talenten en haar inspirerende wet genegeerd. De duisternis van onwetendheid werd zijn deel. In vermeende kennis berust nog steeds zijn schijnmacht… Tot een juist inzicht komen betekent : zich bewust worden binnenin zichzelf verbonden te zijn met een absolute bron en in die verbondenheid zijn of haar dienende opdracht erkennen. Dit inzicht impliceert dus het bestaan van een “zelf”, dat een raakvlak heeft met een absolute werkelijkheid. Dit “zelf” is het ik, dat ontdaan is van zijn psychische en somatische kenmerken. In dit “zelf” is iedere mens op eenzelfde wijze één met de bron. Doorheen dit “zelf” geeft de Geest vorm en inhoud aan structuren, waarin zowel het lichaam, de psyche als het ego hun bedding vinden.

Iedere boom is verschillend en toch op eenzelfde wijze verbonden met de aarde : door zijn wortels, die hem verankeren en toelaten het levensvocht uit de aarde te ontvangen. Aan de oppervlakte van de fijnste wortelharen, daar waar de transformatie plaats vindt van het grondwater in een individueel sap waardoor elke boom tot een unieke individuele expressie kan uitgroeien, daar ligt het mysterie van het individuele “zelf”...

Om zijn finaliteit waar te maken en te dienen door talrijke vruchten voor te brengen, moet elk zaadje in een eenheid met de goede aarde een “ontmantelingproces” doormaken. Wie in zichzelf de rijkdom van de bron wil ervaren moet evenzo, in een gerichtheid naar de leegte binnenin zichzelf, elke mentale gebondenheid aan zijn of haar ikje loslaten. Naar die onthechting verwijst de besnijdenis in de geest. Pas dan kan een absolute waarde, waarvoor het “zelf” ontvankelijk is, zich reveleren. In die zelfkennis, het bewustzijn in het diepste van onszelf één te zijn met “iets hogers”, onze absolute voedingsbodem, de leegte waarvan alles doordrongen is, ligt de basiswaarde van ieder individueel leven. In dit bewustzijn bestaat de verleiding niet langer de vruchten die wij voortbrengen aan onszelf toe te kennen !

Het relativeren van de ik-waarde, het herplaatsen ervan binnen de context van een universele harmonie, houdt nochtans geen miskenning in, laat staan een negatie van die ik-waarde. Steeds zal in de mens zijn ego het centraliserende principe van het individuele bewustzijn zijn. Dit ego is dus een grote schat ! Maar binnen de wet van harmonie dient elke individuele eenheid de eenheid van het geheel. In die dienstbaarheid bestaat er geen onderlinge afhankelijkheid : het ene maakt zich niet belangrijker dan het andere. Machtsverhoudingen zijn hier niet aan de orde... Van die wet heeft de mens zich echter afgescheiden. De dienende opdracht van zijn ego miskende hij om  plaats te maken voor een dominerend ego. Door zijn hoogmoed werd hij bedronken. Wat nog steeds een grote schat is, werd zo zijn grootste vijand...

 

 

68

jezus heeft gezegd

gelukkigen zijn jullie wanneer men jullie haat en vervolgt

en er in jullie geen spoor zal zijn gevonden

waar jullie zijn vervolgd

 

vergelijk : Mt 5,11 - Lc 6,22

 

 

Een correcte vertaling van de laatste twee regels is bijzonder delicaat ! Spoor is een mogelijke vertaling voor plaats of plek (topos). Voor “waar” in de laatste lijn staat letterlijk : “in de plaats”. De betekenis komt hoe dan ook steeds op hetzelfde neer : indien jullie door anderen worden vervolgd zal men, binnenin jullie zelf, geen kwetsbare plaats meer vinden...

Wanneer het ik zich heeft onthecht, zijn eigenwaarde heeft onthecht zowel van zijn psychische als van zijn somatische kenmerken en zich bewust is geworden van zijn ware “zelf”, dat een absolute dimensie in zich draagt, is het onkwetsbaar voor vervolgingen door anderen. Lijden en pijn behoren tot het gebied van het lagere en gelden zolang het ik afhankelijk is van de wetten van het lagere. Daarom draagt tenslotte ieder de oorzaak van zijn eigen lijden in zich... Een totale zelfbevrijding houdt in dat de wet van karma wordt overstegen en dus ook het door anderen aangerichte kwaad... Een kaakslag op de rechter of de linker wang zal niet meer deren...

Ook dit mooie sprookje, dat eveneens in de canonische evangeliën is terug te vinden, is nauwelijks te verzoenen met een realistische levensvisie ! Toch leert de ervaring van het gaan van de weg dat het gevoel van kwetsbaarheid, hoewel het steeds aanwezig blijft, toch in opmerkelijke mate kan afnemen. Hoe meer we in onszelf het licht ervaren, des te minder we ons door schaduwbeelden laten verstoren... Hoewel dit ideale beeld moeilijk te aanvaarden is, toch voedt elke positieve ervaring op die weg de droom van iets dat nog mooier kan zijn...

De getuigenis van Jezus is gedragen door zijn ervaringskennis, zijn gnosis. Hier is zijn boodschap : wanneer jullie verblijven binnen de harmonie van de eenheid, kunnen jullie niet meer geraakt worden door het kwade opzet van anderen. Dit zou dus in de eerste plaats moeten gelden voor Jezus zelf. Kan het dan zijn dat hijzelf zou hebben geleden...? Wat hebben mensen menen waar te nemen en wat was de innerlijke werkelijkheid binnenin hemzelf...? Waarin ligt overigens de zin van de verheerlijking van zijn lijden...? Werd door die verheerlijking, in het spoor van de pauliniaanse theologie, zijn bevrijdende aanwezigheid niet teveel op zijn levenseinde gefocust eerder dan op zijn onderricht...?

 

 

69

jezus heeft gezegd

gelukkigen zijn zij die vervolgd werden in hun hart

zij zijn het die waarlijk de vader hebben gekend

gelukkigen zijn zij die hongerig zijn

want wie wil diens maag zal verzadigd worden

 

vergelijk : Mt 5,6 - Lc 6,21 - Jn 4,14 en 7,37-38

 

Dit logion is te associëren met het vorige, met logion 58 ook. Elke ervaring van lijden of pijn is een middel waardoor we ons bewust kunnen worden van onze kwetsbaarheid, van onze begrenzingen ook. De zin van wat ons kan overkomen is niet te achterhalen. De gevolgen van Zijn wet stellen voortdurend ons rechtvaardigheidsgevoel op de proef. Het inzicht waarmee we oordelen is niet van een absolute orde... In die begrenzing ligt ook onze kwetsbaarheid.

Elke beproeving kan een gelegenheid zijn om iets wijzer te worden. Hoe meer we aan vergankelijke waarden gehecht zijn – en ook onze dierbaren zijn vergankelijk - des te sterker we onze kwetsbaarheid ervaren. Die ervaring hebben we helaas nodig om in te zien welke banden ons zwak en welke ons sterk maken, in welke verbondenheid we ons leven horen te vestigen. Want de duisternis bestaat slechts bij de gratie van het licht... Wie hunkert naar licht, wie hongerig is naar harmonie, kan in zichzelf de bron ontdekken en de sterkte ervaren die zij bieden kan.

In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie wordt het beeld van het water uit de bron ingeruild voor dit van het brood. De betekenis van de beeldspraak blijft evenwel ongewijzigd. Wie de ware bron in zichzelf ontdekt, zal niet enkel nooit meer dorstig of hongerig zijn maar bovendien zelf bron zijn. “Zij die het manna uit de hemel hebben gegeten zijn gestorven, maar wie het brood eet dat de Vader geeft zal leven.” (Joh. 6,30 en vlg.) De voorwaarde evenwel opdat dit brood tot verzadiging en dus tot leven kan leiden, is hongerig te zijn...

 

 

70

jezus heeft gezegd

wanneer jullie dit in jezelf laten ontstaan

dit dat van jezelf is zal jullie redden

indien jullie dit niet in jezelf hebben

dit dat niet van jezelf is zal jullie doden

 

Het leven is een spontaan proces van evolutie, gestuurd door een absolute wet. De dienende opdracht van de zaaier is te zaaien. Wat binnenin de goede aarde ontstaat behoort niet meer tot zijn bevoegdheid. Het gebeurt spontaan. (zie o.m. logia 96 en 97) Zo ook het nieuwe dat in het bewustzijn kan ontluiken. Om dit in onszelf te laten ontstaan is het evenwel noodzakelijk iets te doen aan de ontvankelijkheid van ons bewustzijn. Die grond is nog geen goede aarde... Willen we ontvankelijk worden dan moeten we vóór alles bewust worden van de verstoringen in de eigen psyche, van de balk in ons oog, en hieraan verhelpen. Dit kunnen we slechts door een weg van innerlijke zuivering en dus van loutering te gaan. Pas dan kan het leven, door een integratie van het hogere in het lagere, zich geleidelijk reveleren in een harmonische vervulling.

Wat de vrucht is van het hogere heeft een absolute waarde. Dit is geen bruikleen meer maar een geschenk...! Wie het licht ontvangt is geen duisternis meer. Wie dit niet in zich heeft is dodelijk ziek...

 

 

71

jezus heeft gezegd

ik zal dit huis omvergooien

en niemand zal het kunnen heropbouwen

 

 

Opnieuw worden we geconfronteerd met de vraag in welke omstandigheid deze woorden werden uitgesproken. Wat is de betekenis van het huis waarvan sprake ? Het kan immers niet de opdracht zijn van het mensenkind te vernietigen, te vechten “tegen”, omver te gooien... Een zinvolle interpretatie konden we slechts bedenken in een associatie met logion 66 en zijn hoeksteen. Wanneer de juiste hoeksteen door de bouwlieden werd miskend kan het gebouw niet deugdelijk zijn. Door het omver te gooien kan dit worden duidelijk gemaakt. Hoeveel “heilige huisjes” werden niet opgetrokken op meer dan dubieuze hoekstenen...?

 

 

72

een man zei hem

spreek mijn broeders aan

zodat zij de goederen van mijn vader met mij delen

jezus zei hem

man wie heeft van mij een bemiddelaar gemaakt

hij keerde zich tot zijn discipelen en zei hen

ben ik een bemiddelaar

 

vergelijk : Lc 12,13-15

 

De taak van Jezus is verheven boven door mensen bedachte wetten die de orde in het lagere regelen. Verordeningen, ook democratisch gestemde wetten, kunnen goed zijn of niet. Hiermee heeft hij zich niet in te laten... Wanneer, overeenkomstig de wet, een vrouw zou worden gestenigd, nam Jezus geen standpunt in tegen een vonnis of een wet. Hij zei enkel dat wie zonder fouten was de eerste steen mocht gooien... Hij confronteert de mens met zichzelf, met zijn verantwoordelijkheid.

Anderzijds is Jezus ook niet te beschouwen als een bemiddelaar tussen de Vader en de mensen. Zoals het licht, heeft zijn woord een verhelderende functie. Licht verlicht maar bemiddelt niet. De relatie tussen de mens en zijn diepste zijnskern is intiem en persoonlijk. Noch “het geloof” in de ene of andere interpretatie van zijn woord, noch het kruis, houden een verlossing in ! Wie zich ontvankelijk maakt voor zijn woord en zelf een zoekende weg gaat, kan in zichzelf een bevrijdend inzicht ervaren. Die weg van verlossing heeft ieder voor en in zichzelf te gaan, zonder bemiddelaar... Zo nodig even terug gaan naar logion 38.

 

 

 

73

jezus heeft gezegd

in wezen is de oogst overvloedig

de arbeiders daarentegen zijn zeldzaam

verzoek dus de meester dat hij arbeiders stuurt naar de oogst

 

vergelijk : Mt 9,37-38 - Lc 10,2

 

 

In zijn volheid staat het leven ons ter beschikking, want de oogst - het feestmaal - is overvloedig. De zeldzame arbeiders, die de plaats van de oogst bereiken, doen ons terugdenken aan hen die in logion 64 werkelijk toegang kregen tot het feestmaal, omdat zij reeds onder weg waren. Het gaan van de weg vereist inderdaad een bewuste inzet, de bereidheid te zoeken, in vraag te stellen, het bewustzijn uit te zuiveren, zodat het ontvankelijk kan worden voor die unieke uitnodiging. Waar het begin is, de plaats waar werd gezaaid, waar zaad en goede aarde één werden, daar is ook de plaats van de oogst ! Wie de plaats van de eenheid kent, kent ook de weg erheen en zal deel hebben in de oogst.  “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”... (Joh 14,6) Zoals voor het feestmaal ligt ook hier de uitnodiging bij de meester, de Vader. Het antwoord ligt evenwel bij de mens zelf.

Ook dit beeld van een overvloedige oogst valt moeilijk te verzoenen met onze levenservaring. Is de verwachting van een oogst in het hiernamaals evenwel zoveel realistischer...?

 

 

74

hij heeft gezegd

meester talrijk zijn zij rond de put

niemand daarentegen in de put

 

75

jezus heeft gezegd

talrijk zijn zij die zich ophouden bij de deur

maar zij die monachos zijn

zij zijn het die de plaats van de bruiloft zullen binnengaan

 

 

In logion 74 maakt Jezus gebruik van het beeld van een waterput, die in schrale gebieden een bron is van leven. In logion 75 heeft hij het over de plaats van de bruiloft, daar waar het feest wordt gevierd van de eenheid waaruit het nieuwe leven ontstaat. De symboliek van de bron werd reeds eerder toegelicht. (zie o.m. logion 29) De symboliek in het beeld van de bruiloft is identiek aan die van het zaad en de goede aarde. Zowel voor de bron als voor de bruiloft is het de uitnodiging naar binnen te gaan...

Voor ieder is het duidelijk dat het biologische leven ontstaat uit de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke, van een zaadcel en een eicel. De symboliek in dit beeld verheffen tot een spirituele werkelijkheid bleek echter een bijzonder moeilijke opgave te zijn, waar men in de evangeliën duidelijk aan is voorbijgegaan. Blijkbaar was het toen cultureel niet denkbaar aan de vrouw een gelijkwaardigheid met de man toe te kennen. (zie verder logion 114 !) In de verheffing van Jezus tot de status van een goddelijke zoon was het voor Paulus ondenkbaar dat diens conceptie zou bezoedeld zijn geweest door enige seksuele daad. Bij de evangelische voorstelling van Jezus als bruidegom hoorde ook geen bruid... Toch slaagde de Kerk erin aan dit beeld een zin toe te kennen, door zichzelf te promoveren tot bruid van Jezus…

Rond de plaats van de bruiloft vertoeven is zinloos, rond de put evenzeer. Wat maakt het verschil uit tussen een buitenstaander en hem of haar die binnenin is ? Het antwoord in logion 75 is duidelijk : de monachos. Zij die rond de put kuieren, die nieuwsgierig vóór de deur van de bruiloft samentroepen, verkiezen toch de veilige grond die hun voeten draagt of de beschermende zekerheid binnen de “vertrouwde muren” van hun geloof... Nieuwsgierigheid betekent nog niet de bereidheid los te laten en zelf een zoekende weg te gaan !

De monachos heeft zich in z’n psyche bevrijd, heeft zijn of haar eigenwaarde gerelativeerd ten aanzien van normen die in de samenleving gelden. Hij of zij is tot het inzicht gekomen dat het wezen van het eigen zelf geworteld is in een absolute zijnswaarde en heeft in die verbondenheid de dienende opdracht van het eigen ik erkend. Onthecht en bevrijd is de monachos één in de bron en deelt in het feest van de bruiloft.

Niet door een uiterlijk vertoon maar door zijn innerlijke ingesteldheid wordt de monachos erkend. De practische weg die gekozen wordt om hieraan een uitdrukking te geven is onbelangrijk. Hoe met de waarden, die binnen onze samenleving gelden, wordt omgegaan vindt zijn motivering in het licht van een bewustzijn van hogere waarden. Het is niet de opdracht van de monachos de disharmonie in het lagere te ontvluchten of te bestrijden, maar het innerlijke licht te laten doorstralen.

De gerichtheid naar een innerlijke inspiratiebron maakt deel uit van een natuurlijk evenwicht dat bepalend is voor de evolutie van iedere mens. In onze cultuur werd de vrijheid een persoonlijk zoekende weg te gaan evenwel door het kerkelijke gezag miskend. Die weg werd ons voorgehouden door geboden en verboden, waaraan de dreiging van een helse verdoemenis verbonden werd. Op die wijze dacht de Kerk de boodschap van Jezus - of was het vooral die van Paulus - te moeten vertolken.

De metanoia, de ommekeer in hun bewustzijnsbeleving waartoe Jezus zijn medemensen uitnodigde, was toen blijkbaar te radicaal om ontvankelijk te zijn. Vandaag is zijn uitnodiging iets minder bevreemdend. Toch is het de vraag wat de mensheid heeft geleerd uit twintig eeuwen geschiedenis, of de mens nu toe is aan een grondige en noodzakelijke introspectie, of hij in staat is de vrijheid, het onderscheidingsvermogen, de liefde en de verantwoordelijkheid, die hem worden toevertrouwd, in een spirituele verbondenheid met de bron van die waarden te erkennen en te beleven...

 

 

76

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een koopman

die goederen bezat en een parel ontdekte

de koopman was een wijze man

hij verkocht de goederen en kocht voor zichzelf die unieke parel

zo ook jullie zoek naar de schat die niet vergaat

die daar verblijft waar geen mot erin kan komen en opeten

noch de worm hem kan vernietigen

 

vergelijk : Mt 13,45-46 en 6,19-20 - Lc 12,33

 

Dit logion doet terugdenken aan de keuze van de attente visser uit logion 8. Hier opteert de wijze koopman voor de onvergankelijke waarde van de parel boven het vergankelijke van zijn goederen. Opnieuw wordt de waarde van het onderscheidingsvermogen benadrukt. In tegenstelling tot de canonische evangeliën, waarin vooral gevoelswaarden, zoals naastenliefde en offerzin aan de orde zijn, doet dit evangelie zoveel vaker beroep op een juiste intelligentie. Zoals we de mogelijkheid ontvangen om lief te hebben en het daarom ook tot onze verantwoordelijkheid behoort liefde tot uitdrukking te brengen, zo behoort het evenzeer tot onze verantwoordelijk onze hoedanigheid juist te kunnen onderscheiden optimaal te gebruiken. Wat we in liefde kunnen geven kan slechts waardevol zijn indien het berust in een juiste kennis...

 

 

77

jezus heeft gezegd

ik ben het licht dat op hen allen schijnt

ik ben het al

het al is uit mij gekomen het al is tot mij gekomen (*)

klief het hout daar ben ik hef de steen daar zal je mij ontdekken

 

vergelijk : Jn 8,12

 

(*) We vermoeden hier een verstoring in de volgorde van de woorden. De ervaring van het innerlijke licht, van de leegte waar het al van doordrongen is, is immers voorafgaand aan de expressie ervan...

Het eenheidsbewustzijn, waarvan ook mystici en yogi’s getuigen, is nauwelijks onder woorden te brengen. Woorden behoren immers tot de relatieve werkelijkheid, die zich uit in dualisme. Het licht en zijn bron zijn één. Wie het licht in zichzelf erkent, is één met het licht en dus één met de bron, die ook leegte is. Leegte is “dat” waar alles - het al - van doordrongen is, dat de expressie van elke vibratie, van elk elementair deeltje mogelijk maakt. In het lagere drukt “dat” zich uit in energie en materie, in beelden en kleuren. In het diepste zelf van de monachos wordt het ervaren als een alles begeesterend licht : “ik ben mens omdat de leegte mij doordringt van haar licht en mezelf tot lichtbron verheft.” Dit is geen zelf verheerlijkende uitspraak maar de erkenning van de eigen dienende integratie in een absoluut Zijn.

Wie in het lagere ziet, onderscheidt enkel kleuren. Wie het licht kent, kent alle kleuren. Wie in de leegte de bron erkent, ziet het al in zichzelf en zichzelf in het al. Het verwijt van pantheïsme, dat aan dit logion wordt toegeschreven, hoort hen toe die zien met twee ogen en enkel kleuren onderscheiden. Voor het licht in de kleuren zijn hun ogen nog te blind...

 

 

78

jezus heeft gezegd

waarom trekken jullie door de velden

om een rietstengel te zien beroerd door de wind

of om een mens te zien gehuld in fijne klederen

daar zijn jullie koningen en jullie oversten

zij dragen fijne klederen en de waarheid zullen zij niet kennen

 

vergelijk : Mt 11,7-10 - Lc 7,24-27

 

Waar komt de rietstengel vandaan en vanwaar de wind die hem beroert...? Zij getuigen van een zuiver, spontaan en natuurlijk leven. Doorheen een juiste observatie en kennis van de natuur kunnen we bewust worden van de wonderlijke kracht waaruit zij is ontstaan. Aan de grondslag van de expressie ervan ligt een absolute wet. In de erkenning van een permanente verbondenheid van elke relatieve expressie met haar absolute bron ligt de basis van het universele religieuze bewustzijn.

Toch voelen mensen zich zo vaak meer aangetrokken door een kunstmatig spektakel van hooggeplaatste heren, die zichzelf hebben bekleed met mooie gewaden. Het is evenwel niet bij hen, die getooid in mooie klederen het voor het zeggen hebben, dat we een passende wijsheid en bescheidenheid kunnen terugvinden. Voor ons is de natuur nochtans een zoveel wijzere leermeester dan een stoet professoren of kardinalen...

 

 

79

een vrouw uit de menigte zei hem

zalig de buik die je gedragen heeft

en de borsten die je gevoed hebben

hij zei haar

zalig zij die het woord van de vader hebben gehoord

en het in waarheid hebben bewaard

er zullen inderdaad dagen zijn waarop jullie zullen zeggen

zalig de buik die niet heeft gebaard

en de borsten die geen melk hebben gegeven

 

vergelijk : Lc 11,27-28 en 23,29

 

 

De geschiedenis van de joden, het door Jahwe uitverkoren volk, is overschaduwd door vreemde overheersingen. Zoals ook Paulus ervan getuigde, was bij hen de hoop op of de verwachting van een reële goddelijke bevrijding levendig aanwezig. Want eens zou Jahwe zijn rijk onder hen komen vestigen. Hiervoor was evenwel de komst van een Messias noodzakelijk. Misschien erkende de vrouw in Jezus wel die Messias... Helaas moet hij haar teleurstellen. Zij staan niet op dezelfde golflengte.  

De bevrijding waar de joden naar uitzien is slechts een droom gebleken, zoals ook het verbond dat zij met Jahwe menen te hebben een illusie is. Het is evenwel niet eenvoudig diep ingewortelde overtuigingen, die een antwoord bieden op existentiële angsten, in vraag te stellen. Dit geldt zowel voor de mens van de eenentwintigste eeuw als het toen gold voor de joden. De realiteit verbeeld in het koninkrijk bestaat, maar beantwoordt niet aan de joodse verwachting. De komst van het koninkrijk is niet de apocalyptische gebeurtenis aangekondigd in de Bijbel ! Want zij beantwoordt aan een werkelijkheid die van een innerlijke orde is, die zich slechts kan reveleren door het gaan van een zelf bevrijdende innerlijke weg. Die gnosis, het woord van de Vader aan de mens, kan geen mens aan een ander voorhouden. Dit poogt Jezus aan de mensen duidelijk te maken. Helaas, zij luisteren niet... Hij kan enkel het misverstand vaststellen en hen behoeden voor foute verwachtingen en misplaatste “alleluja’s”.

Steeds zal de wet haar taak blijven vervullen en verstoringen afstraffen, ook doorheen onschuldige slachtoffers... Dit is wellicht in strijd met ons rechtvaardigheidsgevoel en met het beeld van een goede en rechtvaardige God. Voor beelden zijn enkel mensen verantwoordelijk... De wet is wat zij is, onaantastbaar en onverbiddelijk...

 

 

80  zie logion 56

 

81

jezus heeft gezegd

wie zich belangrijk heeft gemaakt dat hij zich koning maakt

en wie macht bezit dat hij verzaakt

 

110

jezus heeft gezegd

wie de wereld heeft gevonden zich belangrijk heeft gemaakt

dat hij de wereld verzaakt

 

Gezag en macht zijn twee begrippen die in onze samenleving, en vermoedelijk sinds mensengeheugenis, heel vlot worden verward. De natuurlijke vrucht van kennis, ooit gesymboliseerd in de paradijselijke appel, is gezag. Misbruik van kennis leidt tot macht. In gezag is kennis dienend en dus bevrijdend naar de anderen toe. Wie daarentegen macht uitoefent begrenst de vrijheid van anderen. Die verwarring is ook de erfgenamen van de discipelen zuur opgebroken. Sinds in de vierde eeuw de romeinse keizer Constantinus het christendom als staatsgodsdienst erkende, zouden het religieuze gezag en de wereldlijke macht, God en caesar, hand in hand gaan. Uiteraard kan dit niet. Zeker niet in naam van Jezus, de dienende, die zich nooit aan de kant van de machtigen opstelde maar steeds partij koos voor de zwakkeren. In Jezus zelf ligt immers de getuigenis besloten dat gezag, dat berust in een juiste kennis, nooit aanleiding kan geven tot macht. Toch werd hij geïdentificeerd als God zelf, die ook de Almachtige wordt genoemd…

Haar vermeende kennis van God drukte de Kerk uit in geboden en verboden, die zogenaamd van goddelijke inspiratie en bijgevolg onbespreekbaar waren en nog steeds zijn. Die kennis was echter niet dienend, niet bevrijdend voor de mens maar dwingend : kennis werd macht... Wie omgaat met macht ondergaat de wet van de leeuw. Verzaken aan iedere betrokkenheid bij de uitoefening van macht is daarom de evidente boodschap die in beide logia besloten ligt.

Ook voor een koning geldt dat gezag dienend hoort te zijn... Wanneer, door een bewustzijnsbeneveling, het ik hoogmoedig wordt en aan zichzelf macht toekent, gaat het in de fout. Hiervan getuigt het verhaal van de zondeval. Adam verwarde hebben en zijn, nemen en geven. Zijn daad was niet gevend maar nemend... Onverbiddelijk strafte de wet dit af. Toch is zijn hoogmoed nog steeds ons deel en zijn we, ondanks het kruis, hiervan nog steeds niet verlost...

 

 

82

jezus heeft gezegd

wie mij nabij is is bij de vlam

en wie ver van mij is is ver van het koninkrijk

 

Origenes (Homelia in Jeremiam 20, 3) :  “Ik las ergens dat de Verlosser gezegd heeft - ik vraag me af of die woorden in de mond van de Verlosser werden gelegd, of ze gewoon uit het geheugen komen, dan wel of dit ware woorden zijn - hoe dan ook, ziehier wat de Verlosser zei : wie mij nabij is, is bij het vuur, wie ver van mij is, is ver van het koninkrijk.

 

Afgezien van de zon en de maan was een vlam toen de enige bron van licht. De bron van het ware licht ervaart Jezus binnenin zichzelf. Wie hem nabij is, is bij de bron. Nabij Jezus zijn betekent uiteraard geen fysische nabijheid. De ervaring van een spirituele verbondenheid berust noch in ruimte noch in tijd. Wie tot het bewustzijn komt dat het zijne is, ook al is hij of zij in tijd en ruimte ver van hem verwijderd, zal het licht ervaren en met hem één zijn in het koningschap.

 

 

83

jezus heeft gezegd

beelden verschijnen aan de mens

en het licht dat erin is is verborgen

in het beeld van het licht van de vader zal het zich onthullen

en zijn beeld is verborgen door zijn licht

 

 

Dit logion is een ware doordenker ! De symboliek van het licht was reeds aan de orde in logion 50. Hoewel het licht noodzakelijk is om te kunnen zien is het zelf onzichtbaar… ‘s Nachts zien we de maan. Rondom de maan is alles duisternis. Toch weten we dat de maan geen licht geeft. Zij weerkaatst enkel het zonlicht, dat er dus wel is maar onzichtbaar voor ons oog. Ook een filmprojectie heeft een scherm nodig om de beelden die in het licht verborgen zijn zichtbaar te maken. Het licht is dienend om, in harmonie met de materie, het beeld dat het in zich draagt zichtbaar te maken.

Het licht van de Vader heeft evenwel een andere eigenschap. Want het is het innerlijke licht, dat inspiratie is tot kennis en harmonisch handelen. Het wordt ook de pneuma genoemd, de “adem” of de Geest. Enkel door dit licht is een spirituele aanwezigheid binnenin onszelf te ervaren. De bron ervan, die Jezus symboliseerde in het beeld van een vader, zal echter voor ons bewustzijn steeds verborgen zijn door zijn licht. We kunnen enkel verblind zijn… Zich een kennis van de Vader toe-eigenen is pure zelfoverschatting ! Och arme theoloog...

 

 

84

jezus heeft gezegd

de dagen dat jullie jullie gelijkenis zien zijn jullie verblijd

wanneer jullie daarentegen jullie beelden zullen zien

die vóór jullie waren in het begin

die niet sterven noch naar buiten zichtbaar worden

hoeveel zullen jullie verdragen

 

Het thema van licht en beeld is ook hier aan de orde. In de beelden die we van onszelf opvangen, doorheen de spiegel die anderen ons voorhouden, erkennen we ons ik. Die spiegelbeelden kunnen ons verblijden of ontgoochelen, maar zij zijn niettemin bepalend voor het beeld dat we van onszelf hebben. Hoe belangrijk dit zelfbeeld ook mag zijn, toch is de waarde ervan slechts relatief, want gedragen door waarden uit het lagere, die steeds aan veranderlijkheid onderhevig zijn. Willen we het werkelijke beeld achter het ik-beeld zien, dan is het noodzakelijk het relatieve te overstijgen. Want het “ware zelf”, waarvan het ik slechts een tijdelijke en tastbare uitdrukking is, berust in een spiritueel licht dat tijdloos en onzichtbaar is. Hierdoor is het ook onkwetsbaar. In dit zelf is iedere mens op eenzelfde wijze één met de Vader. Zo nodig even teruggaan naar logion 67.

 

 

85

jezus heeft gezegd

adam is ontstaan uit een grote kracht en een grote rijkdom

en hij is jullie niet waardig geweest

indien hij immers waardig was geweest

zou hij de dood niet hebben gesmaakt

 

Jezus valt terug op een voor zijn discipelen vertrouwd verhaal. Adam is voor hen geen onbekende, zijn fout evenmin. Toch blijft het een indringende vraag hoe het beeldverhaal uit de Bijbel door mensen begrepen werd. Betekent de zondeval van Adam een eenmalige fout van één mens, waarvoor de ganse mensheid door God werd afgestraft of verwijst dit verhaal naar een ingesteldheid, die hoogmoed heet, waardoor de mens misbruik maakt van een gezag dat enkel zijn Bron toebehoort ?

De wet van harmonie is absoluut. Zij stuurt de uitdrukking van het leven in haar niet te overziene verscheidenheid. Aan die wet is alles onderworpen. Van die wet kan geen mens zich het gezag toe-eigenen. Gebeurt dit wel dan is dit een daad van hoogmoed. Door zijn daad heeft de Adam zich afgescheiden van zijn Bron : een grote kracht en een grote rijkdom.

Nog steeds zijn wij met z’n allen de Adam en kennen wij aan onszelf ongeoorloofd gezag en kennis toe. Sinds Abraham en tot op heden beelden mensen zich in een “goddelijke wil” te kunnen verwoorden. Nog steeds denken zovelen de waarheid in pacht te hebben en hierdoor macht over een ander te kunnen uitoefenen. Van die oerzonde zijn we, ondanks het kruis, nog helemaal niet verlost ! Het bewustzijn van onze hoogmoed, waardoor we nog steeds de bron miskennen waaruit Adam is ontstaan, is de voornaamste voorwaarde om, door een juiste zelfkennis, een weg van bevrijding te gaan en onze dienende opdracht als mens juist in te schatten.

De uitdrukking “hij is jullie niet waardig geweest” kan het vermoeden wekken dat Jezus zijn discipelen beschouwt als quasi volmaakte wezens. In dit evangelie blijkt echter zo vaak het tegendeel. Vermoedelijk alludeert hij hier aan het beeld uit het vorige logion : het absolute potentieel dat binnenin ieder mensenkind aanwezig is.

 

 

86

jezus heeft gezegd

vossen hebben hun hol en vogels hun nest

maar de mensenzoon heeft geen plaats

om z’n hoofd neer te leggen en te rusten

 

vergelijk : Mt 8,19-20 - Lc 9,57-58

 

De natuur is de universele baarmoeder waaruit mens en dier biologisch zijn ontstaan, de voedingsbodem ook waarin zij zich kunnen ontwikkelen, een wijze leermeester bovendien, nu eens hard en pijnlijk dan weer prachtig genietbaar. Als een ware moeder is zij dienend om ons de juiste levenswaarden bij te brengen. Want de wet die de ganse natuur stuurt is ook de stem waar ieder celletje van ons lichaam spontaan naar luistert... Binnenin de mens is de verfijning van zijn bewustzijn evenwel zodanig dat hij zich, in zijn relatie tot de natuur, superieur gaat voelen. In een zekere mate is hij immers in staat de natuur te beheersen, dieren aan zijn wil te onderwerpen.

En ook hier heeft de hoogmoed van de Adam toegeslagen. De mens kan de natuur niet straffeloos naar zijn hand, laat staan naar zijn profijt, zetten. Zij is een bruikleen waarvan niets hem toebehoort, geen plaats, geen hol of nest. Ook hier geldt de karmische wet en krijgt de Adam onverbiddelijk het deksel op de neus. Toch blijft hij nog steeds blind voor de talrijke waarschuwingen die de natuur hem toestuurt. De noodzaak te leven in een harmonische verbondenheid met de natuur is nochtans een toekomst gerichte bezorgdheid die een zoveel concretere dimensie heeft verkregen dan de erkenning van een absolute bron van harmonie zowel in de natuur als binnenin onszelf... Maar, zolang de harmonie binnenin onszelf slechts gebrekkig aanwezig is, kan ook de harmonie met onze leefomgeving zich niet optimaal realiseren…    

 

 

87

jezus heeft gezegd

armzalig is het lichaam dat afhankelijk is van een lichaam en

 armzalig is het innerlijke zelf  [psychè] dat afhankelijk is

van deze beide

 

 

Het vorige logion belichtte de mens in zijn relatie met zijn natuurlijke leefomgeving. In dit logion worden we geconfronteerd met onze lichamelijke afhankelijkheid. Zoals de natuur een bruikleen is waarin de mens zich harmonisch kan ontwikkelen, zo is ook ons lichaam een bruikleen dat we individueel ontvangen. Het is het middel waarmee het ik, doorheen de psyche, tot een persoonlijke expressie kan komen. Zoals de natuur is ook het lichaam dienend om de wet van harmonie in onszelf te erkennen en te beleven.

Het bewustzijn, dat werkzaam is doorheen de meest verfijnde neurologische structuren van het centrale zenuwstelsel, dient om door juist te handelen die wet naar buiten toe uit te drukken. Harmonie in onze gevoelens is liefde, harmonie in onze gedachten intelligentie. Een evenwicht tussen beide is noodzakelijk om horizontaal tot een harmonisch beleven te komen. Het bewustzijn dient evenzeer om, in een verticale gerichtheid naar zijn innerlijke bron, in de rust van het niet-handelen, een unieke inspiratie te ontvangen.

Sinds de mens zijn eigen weten in het lagere poneerde, is niet meer harmonie maar afhankelijkheid het kenmerk in zijn samenleving geworden. Horizontale bindingen werden zoveel belangrijker dan die éne verticale verbondenheid. Afhankelijkheid is een beknotting van de vrijheid en leidt tot verslaving, tot machtsverhoudingen en confrontaties. Door zich af te scheiden van zijn bron, door haar wet te miskennen, werd niet meer het dienende maar het dominerende ik de drijvende kracht binnen de menselijke orde.

Hierdoor werd het evenwicht binnenin de mens grondig verstoord. De inspiratie, die in het begin het bewustzijn stuurde, kon haar taak slechts gebrekkig vervullen. De eenheid van lichaam en Geest werd disharmonisch. Verstoringen stapelden zich op. Omdat zijn onderscheidingsvermogen vertroebeld werd nam vermeende kennis de plaats in van juiste kennis. Het ik werd afhankelijk van het lichaam zoals het lichaam afhankelijk werd van het ik. Lichamen werden afhankelijk van lichamen en van hun relatie werden weer ikjes afhankelijk...

Elke lichamelijke afhankelijkheid roept egocentrische verlangens op. Zolang die verlangens de keuzen van ons handelen bepalen, verblijven we in een kwetsbaarheid die het ons heel moeilijk maakt onze relaties harmonisch te beleven. Onze verwachtingen zijn niet meer realistisch, omdat onze verlangens niet meer beantwoorden aan de normen van de wet. Zowel kennis als liefde zijn slechts zinvol indien zij dienend zijn. De mogelijkheid te dienen ontvangen we uit een innerlijke bron. Daarom is een bewuste verbondenheid met die bron de noodzakelijke voorwaarde om elke menselijke verbondenheid harmonisch te beleven.

Binnen de harmonie is alles één en dienend : de Geest, het lichaam en zijn psyche. Daarom horen we elke vorm van mentale of fysische afhankelijkheid los te laten. Dit betekent evenwel niet dat, naar het woord van Paulus, “het vlees en het bloed” moeten worden veracht ! Zoals het licht zijn zichtbaarheid slechts kan ten dienste stellen doorheen een samenspel met de materie, zo doet de Geest beroep op het “vlees” om Zijn waarden in het lagere tot uitdrukking te brengen. En tot die waarden behoort ook het seksuele beleven... Maar ook in die beleving hoort een gepast evenwicht tussen egocentrisme en altruïsme. Buiten de harmonie heerst enkel verdeeldheid, afhankelijkheid en dus verslaving...

 

 

88

jezus heeft gezegd

engelen komen naar jullie en profeten

en wat van jullie is zullen zij jullie geven

en jullie geef hen wat in je hand is

denk bij jezelf welke dag zullen zij komen

en zullen zij ontvangen wat van hen is

 

 

Dit logion behoort ongetwijfeld tot de meest cryptische in dit evangelie. Hier wordt een toekomstbeeld opgehangen waarvan de zin niet meteen duidelijk is. De vermelding van engelen en profeten roept vragen op, zeker wanneer we weten hoe Jezus over de profeten denkt. (zie logion 52) Bovendien is dit, in zijn mond, de enige vermelding van engelen. Ook het geven en ontvangen lijken op een verdachte handel, waarbij engelen en profeten, broederlijk verenigd, zouden betrokken zijn... Dit ruikt heel sterk naar het oude...

Bij dit logion overheerst het vermoeden van een manipulatie : een fantasierijke variante op logion 41, die in de mond van Jezus zou zijn gelegd. In de canonische evangeliën zijn dergelijke praktijken helaas schering en inslag geworden. Sommigen beweren zelfs dat soortgelijke manipulaties er talrijker zijn dan authentieke uitspraken van Jezus. Ook in logion 114 is eenzelfde problematiek aan de orde.

 “Voorbijgaand zijn” is hier, zo denken we, de aangewezen ingesteldheid...

 

 

89

Jezus heeft gezegd

waarom reinigen jullie de buitenzijde van de beker

begrijpen jullie niet dat wie de binnenzijde heeft gemaakt

ook de buitenzijde gemaakt heeft

 

vergelijk : Lc 11,37-40 - Mt 23,25

 

De verschillende nuancering in Lc 11,40 lijkt ons logischer: “heeft hij, die de buitenzijde gemaakt heeft, ook niet de binnenzijde gemaakt ?”. Die mogelijke inversie blijft inhoudelijk evenwel zonder gevolgen.

Ook hier is de waardeverhouding tussen uiterlijk en innerlijk aan de orde. De dienaar heeft te dienen zoals een beker. De waarde van een beker wordt bepaald door zijn inhoud, de binnenzijde dus. Maar enkel wanneer de binnenzijde zuiver en de beker dus leeg is, kan hij dienen. Er is evenwel geen binnenzijde zonder buitenzijde. Het uiterlijke dient het innerlijke, zoals het innerlijke de bron dient. Een aandacht voor het uiterlijke is niet te misprijzen maar is enkel zinvol binnen een dienende opdracht.

 

 

90

jezus heeft gezegd

kom tot mij want mijn juk is doeltreffend

en zacht is mijn gezag

en jullie zullen een rust vinden voor jezelf

 

vergelijk : Mt 11,28-30

 

Een juk is geen last maar een verbindingstuk ! Het zorgt voor een verbondenheid waardoor voor de mens een last lichter om dragen wordt. Ook in dit beeld wordt een eenheid gesymboliseerd. In het bewustzijn van eenheid is geen opdracht zwaar om dragen, is geen gezag dwingend. Daar is ook de plaats waar een innerlijke rust te vinden is...

Het is een verhelderende vaststelling dat het sanskriete yug zowel de stam is van juk als van yoga. De originele betekenis van yoga heeft inderdaad met verbondenheid en dus met religie te maken. Doorheen het beeld van een juk reveleert zich een universeel religieus symbool, waarin tijd en cultuur worden overstegen...

 

 

91

zij zeiden hem

zeg ons wie je bent zodat we in jou geloven

hij zei hen

jullie doorgronden het aanschijn van hemel en aarde

en hij die voor jullie staat erkennen jullie niet

en in dit ogenblik zijn jullie niet in staat hem te doorgronden

 

vergelijk : Jn 14,8-9 - Lc 12,54-56 - Mt 16,1-3

 

Wie zijn de heren die Jezus hier aanspreken ? Blijkbaar zijn zij mannen van aanzien, want zij doorgronden het aanschijn van hemel en aarde. Onze wetenschappers dus, onze “geleerden” : zij die hun vakbekwaamheid hebben bewezen. Hun vraag verraadt enige twijfel. Zij willen wel in hem geloven maar wensen te weten wie hij is, welk bewijs van gezag hij kan voorleggen. Voor hen staat de identiteit van een persoon inderdaad borg voor de waarde van zijn of haar kennis. Zo hoort het nu eenmaal in hun vakgebied. Zij hebben hun eigen waardeschaal, hun criteria waardoor zij belangrijke personen onderscheiden van anderen. Wie het aandurft over religieuze zaken te praten hoort minstens een godgeleerde te zijn...

Gnosis heeft echter niets met geleerdheid te maken. Ook een godgeleerde is een leek in gnosis… Want gnosis is een kennis die je niet door de autoriteit van anderen kunt ontvangen, die je niet aan een universiteit kunt aanleren. Toegang hebben tot die kennis stelt andere eisen aan de discipel. En de eerste van die eisen is de bereidheid de eigen kennis, die je in de ogen van anderen zo belangrijk kan maken, te relativeren. Elke overtuiging de waarheid in pacht te hebben staat haaks op de eerste regel van de weg die Jezus voorstaat: “dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.

Deze heren zijn wel zoekende maar niet in de juiste richting. Zij stellen zich nog niet de juiste vragen. Hun bewustzijn is nog niet afgestemd op de gnosis die Jezus hen als mensenkind ten dienste stelt...

 

 

92

jezus heeft gezegd

zoek en jullie zullen vinden

maar dit waarover jullie me vroeger ondervroegen

en waarop ik jullie toen geen antwoord gaf

nu ik het wil zeggen vragen jullie er niet naar

 

In de oosterse tradities beantwoordt een guru slechts de vraag van een discipel wanneer hij vermoedt dat zijn antwoord door de discipel te bevatten is. Vaak neemt dit antwoord de vorm aan van een nieuwe vraag, waarop het antwoord moet leiden naar de oplossing van de initiële vraag. Zo is elk nieuw inzicht als een vrucht die door de discipel geplukt kan worden op zijn of haar zoekende weg. (zie logion 21)

Jezus weet dat zijn tijd gemeten is. Wat hij hen vroeger onthouden heeft, omdat zij er nog niet klaar voor waren, verlangt hij nu te zeggen. Maar hun vragen blijven uit. De zoektocht, waartoe hij hen uitgenodigde, heeft zijn doel nog niet bereikt… Het kan dus geen verwondering wekken dat zijn boodschap, zoals zij in dit evangelie wordt verwoord, niet in zuiverheid door evangelisten kon worden doorgegeven. De opdracht zelf naar de diepere betekenis van zijn woorden te zoeken werd afgevoerd en vervangen door de plicht te “geloven” wat anderen begrepen hadden en, in hun vrome waan, ons voorhielden als dé waarheid.

 

 

93

geef niet wat zuiver is aan honden

zodat zij het niet op de mesthoop werpen

gooi de parels niet naar varkens

zodat zij er geen viezigheid van maken

 

vergelijk : Mt 7,6

 

Wat een onvergankelijke waarde heeft, hoort met respect en omzichtigheid te worden behandeld. De kennis, die Jezus ten dienste stelt, is van een andere orde dan het “weten” dat een mens in de ogen van anderen belangrijk maakt. Wetenschap is een kennis die je kunt aanleren, kunt doorgeven, vragen die te beantwoorden zijn. Zoals een guru geeft Jezus echter geen antwoorden, tenzij in een bedekte vorm, in een beeldspraak, waarvan de inhoud door de discipel zelf te ontsluieren is. Dit is de weg waarlangs gnosis zich voor de zoekende kan reveleren in een persoonlijke ervaringskennis. Die kennis is te waardevol om geschikt te zijn voor massaconsumptie. Gnosis is geen “snelle hap” !

 

 

94

jezus heeft gezegd

wie zoekt zal vinden

en aan wie aanklopt naar binnen zal worden opengedaan

 

vergelijk : Mt 7,7-11 en Lc 11,9-13

 

De bron staat ter beschikking, de tafel van het bruiloftsmaal is gedekt... Enkel, we weten niet waar... Wie oprecht begaan is met levensvragen en niet ophoudt te zoeken zal vinden. Op voorwaarde evenwel in de juiste richting te zoeken : naar binnen ! Maar ook die gerichtheid heeft gradaties. Wie kuiert in zijn eigen binnentuintje, wat zeker zinvol kan zijn, is er echter nog niet toe gekomen de deur van zijn of haar binnenkamer achter zich te sluiten ! Binnenin de leegte van die kamer verblijft de Vader in het verborgene... (zie commentaar bij logion 53) Aan wie zich richt naar de leegte binnenin, aan hem of haar zal worden opengedaan. Wie toegang verkrijgt staat evenwel geen spectaculaire ervaring te wachten ! Want de weg naar de bron is lang en de waarde ervan reveleert zich enkel stap voor stap... Hoe dichter we nochtans de bron naderen des te helder het water wordt...

 

 

95

jezus heeft gezegd

indien jullie geld hebben leen het niet met interest

maar geef het aan hem van wie jullie niet uit zijn hand zullen ontvangen

 

vergelijk : Lc 6,34

 

Er is hebben en er is zijn... De organisatie in onze samenleving is nu eenmaal zó dat geld noodzakelijk is om behoorlijk te leven. Toch is geld slechts een middel, geen doel. Het doel is te leven in harmonie, zowel met zichzelf als met alle mensen. Solidariteit is een woord dat vele redevoeringen siert. De praktische beleving ervan wordt helaas door zoveel eigenbelang in de weg gestaan.

Wat middel was is doel geworden... Niet meer een economische kennis in functie van het geluk van de mens maar de mens in dienst van wetten van economie... Ook economie heeft binnen de menselijke samenleving een dienende functie. Maar ook hier hoort een juist evenwicht tussen egocentrisme en altruïsme ! Wat is de waarde van wat ik aan mezelf toeken, van mijn verdiensten, van de aalmoezen die ik geef...? Hoe consequent ben ik, christen of niet, in het waarmaken van mooie principes, al dan niet verpakt in een evangelische boodschap...?

 

 

96

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw

zij nam een weinig gist stopte het in het deeg

en maakte er grote broden mee

wie oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk : Mt 13, 33 - Lc 13, 20-21

Noteer terloops dat zowel bij Mattheüs als bij Lucas het beeld van het koninkrijk niet in de eerste plaats verbonden wordt met de vrouw, wel met de gist.

 

Binnenin het deeg is de gist werkzaam en brengt, in harmonie met het deeg, grote broden voort. Deel hebben in het koningschap van de vader is een innerlijk gebeuren, dat zich in dit leven spontaan kan reveleren, op voorwaarde evenwel eerst zelf de eenheid van gist en deeg te hebben bewerkt... Zoals de werpende hand van de zaaier, zo is hier de knedende hand van de vrouw de noodzakelijke voorwaarde om de ontwikkeling van een natuurlijk proces mogelijk te maken. Gist in deeg, zaad in grond... Een eenvoudige opdracht, zo lijkt het, maar die in werkelijkheid een nieuwe ingesteldheid vereist, omdat het weten van de mens de waarden in verwarring heeft gebracht. Het verwerken van de gist in het deeg behoort niet meer tot onze bezorgdheid. We verorberen broden die anderen voor ons bereidden, al dan niet met religieus gemanipuleerd meel... Zo was er ooit het manna dat van Jaweh kwam en niet te verwarren is met het brood dat de Vader ten dienste stelt... (zie commentaar bij logion 15)

Het beeld van de gist werd het symbool van het geloof dat bergen zou verzetten, van de begeestering ook waarmee het woord van het evangelie de wereld zou inspireren... Helaas verhieven te vele “geïnspireerde” Adam’s zich tot bakker en kreeg de vrouw, die de waarde van de gist kende, zó zelden de aandacht die zij verdiende...

 

 

97

Jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw

die een kruik droeg gevuld met meel

terwijl zij een lange weg ging brak het oor van de kruik

het meel verspreidde zich achter haar op de weg

gezien zij onwetend was kon zij er niet om bedroefd zijn

wanneer zij in haar huis was aangekomen

zette zij de kruik neer en zag dat ze leeg was

 

 

Het ontsluieren van een kennis, die in een beeldspraak ligt ingebed, is een mentaal proces dat beroep doet op begrip en inzicht. Soms overstijgt het beeld de logica van het rationele... Dit maakt het ook zo mooi !

Het is een lange weg die de vrouw gaat, een levensweg wellicht. De weg die we allen in een eenzame onthechting te gaan hebben. Wat er tijdens haar tocht gebeurt ontsnapt aan haar bewustzijn : zij is zich niet bewust iets te verliezen. De leegte is het waardevolle dat spontaan en moeiteloos in de plaats komt van iets dat slechts een relatieve waarde heeft... Maar leegte behoort niet tot onze mentale waardeschaal. Hoe meer we weten des te belangrijker we zijn, zo denken we. We zijn “stapel-gekken” geworden...

De aandacht van onze mind richten naar de eigen denkwereld en in bezinning ruimte maken voor nieuwe inzichten is zeker nuttig en zinvol maar blijft “tuinieren in de eigen binnentuin”. Wie zich in de geest kan onthechten, zijn of haar bewustzijn kan verstillen in de rust van de leegte waarin het zijn bedding heeft, kan de ervaring van het leeg worden naar waarde schatten. Wat dan ontvangen wordt manifesteert zich spontaan en moeiteloos, zoals in de kruik van de niet wetende vrouw de leegte spontaan en moeiteloos de plaats inneemt van het meel... Een juist inzicht in levenswaarden, dit dat gnosis genoemd wordt, ontspringt zoals het water van de bron uit de leegte... Die ervaring is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar eenzame weg van loslaten, van onthechting.

Dienen kan een beker slechts indien hij leeg is. Met welke bizarre mengeling van waarden en denkbeelden werd de kruik van ons bewustzijn gevuld...? Wat het ook mag zijn, we zijn dringend aan een zuivering toe ! We kunnen hier terugdenken aan de woorden van logion 28 of aan die van logion 61. Telkens ging het over de noodzaak leeg te worden. Ook logion 53, met de besnijdenis die in de geest zijn volle waarde vindt, wordt hier op een unieke wijze bevestigd.

Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is fascinerend door zijn alles omvattende eenvoud. Dit beeld van de vrouw met haar kruik heeft iets onwezenlijk door het subtiele van zijn bijna inhoudsloze inhoud. We raken hier de limiet van het zegbare, de grens waar het woord nog net niet overbodig is...

 

 

98

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een man

die een sterke man wou doden

in zijn huis trok hij het zwaard doorboorde de muur

om de stevigheid van zijn hand te testen

pas dan doodde hij de sterke

 

Het zou even simpel als naïef zijn in dit beeld een aansporing tot geweld te erkennen. Het beeld dient slechts om een werkelijkheid duidelijk te maken. Het moet dus herkenbaar zijn voor het bewustzijn van de toehoorders. De werkelijkheid van menselijke conflicten is hen niet vreemd, gebruik van geweld evenmin.

Wie anders dan het eigen ik zouden we in het beeld van de sterke man, met wie valt af te rekenen, kunnen herkennen ? Een ik dat vervuld is van de wetten van de leeuw, zich bedronken heeft aan schijnwaarden, zichzelf op een troon heeft geplaatst en in de mening verkeert sterk te zijn. Met die ik-illusie moeten we eens en voor goed afrekenen. De wijn die ons dronken maakte moet dringend worden uitgebraakt, de balk in ons oog worden verwijderd... De enige zinvolle machtsstrijd die we te voeren hebben, is die met onszelf. (zie logion 16).

 

 

99

zijn discipelen zeiden hem

jouw broeders en jouw moeder staan buiten

hij zei hen

zij die hier zijn die de wil van mijn vader volbrengen

zij zijn mijn broeders en mijn moeder

zij zijn het die het rijk van mijn vader zullen binnengaan

 

vergelijk : Mt 12, 46-50 - Mc 3, 31-35 - Lc 8,19-21

 

We hebben een biologische moeder, soms ook biologische broeders en zusters. We hebben ook spirituele broeders en zusters en een spirituele Moeder of Vader. Van die Moeder of Vader is Jezus niet de enige zoon...!

Een spirituele verbondenheid transcendeert de grenzen zowel van een mentale als van een fysieke ervaring. Daarom is zij enkel te benaderen met behulp van beelden. Ook de wil van de vader behoort tot het beeld... Willen is immers een menselijke hoedanigheid. Het is een energie die tot handelen drijft, waarvan de inhoud wordt ingekleurd door persoonlijke verlangens. Omdat we die hoedanigheid op een God projecteren, staan we perplex voor wat de “wil van God” kan toelaten. Oprechtheid dwingt ons ertoe te erkennen dat het godsbeeld, dat ons werd voorgehouden, onmachtig is ten aanzien van “het willen” van de mens... Het volbrengen van Zijn wil, de vervulling van Zijn wet van harmonie, heeft de Vader immers aan het mensenkind gedelegeerd. Hierin ligt de basis én van zijn vrijheid én van zijn verantwoordelijkheid. In zijn integratie in het gezag van de Vader komt het hier en nu de mens toe beslissingen te nemen, niet de Vader...!

“Uw wil geschiede”... “Inch Allah”... Ook dit is een waangedachte waaruit we te ontwaken hebben. De verantwoordelijkheid voor wat in deze wereld gebeurt moeten wij niet toedichten aan een ondoorgrondelijke wil van God, noch aan een hypothetische satan, noch aan een fataliteit. Door zijn vrijheid draagt de Adam zelf de totale verantwoordelijkheid voor zijn daden.

Allen zijn we broeders of zusters van elkaar, want één in eenzelfde verbondenheid met de Vader. De monachos, die in die bewuste verbondenheid verblijft, laat zich leiden door Zijn inspiratie en vervult zo spontaan “Zijn wil”. Tot dit bewustzijn kwam ook de oude man uit logion 4 in zijn ontmoeting met het kind van zeven dagen.

 

 

100

zij toonden een goudstuk aan jezus en zeiden hem

de gezanten van caesar eisen een belasting van ons

hij zei hen

geef aan caesar wat aan caesar toekomt

geef aan god wat aan god toekomt

en wat het mijne is geef het mij

 

vergelijk : Mt 22,15-22 - Mc 12,13-17 - Lc 20,20-26

 

De joden die hem die vraag stellen vereren een God. Jahwe is zijn naam. Over hem gaat het hier, en dus niet over het beeld van een vader dat tot het onderricht van Jezus behoort. Daarom : en wat het mijne is geef het mij... Niet toevallig is dit laatste zinnetje in de canonische evangeliën zoek geraakt...

Jezus confronteert ons hier met drie voorbeelden van gezag. Er is caesar, die symbool staat voor het politieke en militaire gezag. Dit gezag is belust op macht. De joden leefden toen onder een vreemde bezetting. Van die onprettige en voor een vrij mens moeilijk te aanvaarden omstandigheid moeten zij de gevolgen ondergaan. Hun vraag naar Jezus toe is wat uitdagend, alsof zij zijn politieke engagement willen testen. Zijn opdracht is echter verheven boven politieke toestanden. Hij is geen vrijheidsstrijder in een wereldse betekenis, geen vechter tegen onrecht of kwaad. Het is dus ook niet zijn taak onrust te stoken tegen de bezetter. De wet van de sterkste behoort tot de wetten van de leeuw. Mensen, die de strijd aangaan met de leeuw, hebben hiervan de consequenties te aanvaarden. De toestand zijnde wat hij is, moeten zij dus aan caesar geven wat hem toekomt, overeenkomstig de wet van de sterkste.

Het tweede gezag is God, de God van de joden, de vrucht van hun verbeelding, van wie zij zich voorstellen totaal gescheiden te zijn. Ook Zijn gezag is dwingend. Weliswaar op een ander vlak of in een ander levensgebied dan daar waar caesar heerst. Maar de gevolgen voor het levensgeluk van de joden zijn nog meer ingrijpend. Want hun godsdienst legt hen op voortdurend rekening te houden met de wil en de geboden van hun God. Zij hebben dus aan heel wat verplichtingen te voldoen : offeren, bidden, aalmoezen geven, vasten, zich laten besnijden, rituelen waarvoor Jezus in dit evangelie weinig begrip heeft. Leuk leven is anders. Maar een mens moet er iets voor over hebben om zich een plaats in het koninkrijk te verzekeren. Voor hun religieuze inzichten heeft Jezus evenwel mededogen. Daarom: geef aan jullie God wat Hem toekomt, indien dit jullie overtuiging is.

Jezus zelf is het derde gezag. Een gezag dat niet belust is op dwang of macht maar dienend is. Een gezag dat getuigenis aflegt, niet van zichzelf maar van een innerlijke bron waar het mee verbonden is. Voor die verbondenheid maakt Jezus gebruik van het beeld van een zoon-vader relatie. Hij houdt de mensen voor de gerichtheid van hun bewustzijn te wijzigen, te richten naar de bron binnenin henzelf om zo haar inspiratie te ontvangen. Macht verwerven is hem geen zorg noch het vestigen van een goddelijke macht hier en nu. Het gezag van de Vader is gevestigd. Zijn inspiratie, de pneuma, staat dienend ter beschikking van ieder die er zich voor openstelt. Wat Jezus toekomt is onze aandacht, onze luisterbereidheid. Zijn boodschap is een persoonlijke uitnodiging : verander je ingesteldheid, word je bewust van wie je werkelijk bent, ervaar de verbondenheid met de Vader binnenin jezelf en dien zoals ik dien.

De God van het oude en de Vader van het nieuwe hebben inderdaad niets met elkaar gemeen ! Het nieuwe kleed, waarvan Jezus getuigt, behoeft geen herstel met een versleten stuk stof, de nieuwe wijn hoort niet thuis in oude zakken...

 

 

101  zie logion 55

 

102  zie logion 39

 

103

jezus heeft gezegd

gelukkig is de mens die de plaats kent

waar de rovers naar binnen komen

zodat hij zich zal oprichten en zijn krachten zal bundelen

en reeds zijn lenden zal omgorden vooraleer zij binnendringen

 

Dit logion is analoog aan het tweede deel van logion 21, aan logion 98 ook. De rovers, de trawanten van de leeuw, die bij nader inzien wellicht onze eigen ik-gebonden verlangens zijn, betekenen een steeds dreigend gevaar. Kennis hebben van de kwetsbare plaatsen binnen het eigen ik is een belangrijke kennis die het ik tegen zichzelf kan beschermen en een harmonisch samengaan met anderen kan vrijwaren. Vechten tegen is evenwel nooit zinvol! Zichzelf sterk maken, om het hoofd te kunnen bieden aan verleidingen, is daarentegen wel een juiste ingesteldheid. Tenslotte zijn we zelf verantwoordelijk voor het waardevolle dat we kunnen verwerven maar dat we ook kunnen verliezen.

 

 

104

zij zeiden hem

kom laten we vandaag bidden en vasten

jezus zei

welke fout heb ik begaan of waarin werd ik bedwongen

maar wanneer de bruidegom uit de bruidskamer zal zijn gekomen

dan dat men bidt en dat men vast

 

vergelijk : Mt 9,14-15 - Mc 2,18-20 - Lc 5,33-35

 

Naast het beeld van het zaad en van het kind van zeven dagen, naast dit van de gist en van het juk, het beeld vooral van de verbondenheid van de zoon met zijn vader, is de bruidskamer het ultieme beeld, waarmee de kerngedachte in dit evangelie nog maar eens wordt gevisualiseerd.

De bruidskamer is slechts eenmalig een bruidskamer : de dag waarop man en vrouw voor het eerst één zijn. Die eenheid verwijst naar de unieke realiteit waaruit het nieuwe leven kan ontstaan. Daar is ook de plaats waarin het kind van zeven dagen nog verblijft, waar het zaad thuis hoort om zijn finaliteit waar te maken, waar de bron zelf is... De bevruchte eicel, de vrucht van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke, van de bruidegom en de bruid, is het nieuwe dat niets meer met het oude te maken heeft. In de gescheidenheid van het oude wacht enkel de dood... Hoe nutteloos is de eicel die niet werd bevrucht... hoe nutteloos de zaadcel die niet bevruchtte...

Dit leven kan slechts zijn totale rijkdom onthullen wanneer het, in bewustheid, gegrondvest is in de eenheid met zijn bron. Wiens bewustzijn hierin gevestigd is heeft geen boodschap aan vasten, bidden of meditatie ! Wanneer echter de eenheid verbroken is, wanneer de bruidegom de bruidskamer verlaten heeft en gescheidenheid een feit geworden is, dan kan beroep worden gedaan op gebed en onthechting om van “twee” opnieuw “één” te maken.

 

 

105

jezus heeft gezegd

wie de vader en de moeder zal erkennen

zullen zij hem hoerenzoon noemen

 

 

Zoals o.m. in de logia 24 en 71 het geval was, missen we ook hier de omstandigheid waarin deze uitspraak gedaan werd. Waarom gebruikt Jezus hier een scheldwoord ? Werd één van zijn discipelen of hijzelf soms op die manier uitgescholden ?

Een hoerenzoon kan niet tot de gemeenschap behoren omdat hij zijn vader niet kent. De consequentie van zijn onwetendheid is conflict, sociale verstoting... Velen kennen hun vader wel maar niet hun ware Vader of Moeder... Wie tot het juiste inzicht komt, zijn of haar ware Vader of Moeder erkent, kan geen hoerenkind meer zijn ! Want in die gnosis wordt elke onwetendheid opgelost.

Ook hier, zoals in logion 101, is de verwijzing naar de moeder opmerkelijk. In de joodse religieuze cultuur was de plaats van de vrouw immers totaal ondergeschikt aan die van de man. In de gnosis van Jezus is voor die discriminatie geen ruimte. Het verschil met de ingesteldheid die Paulus kenmerkte is schrijnend... Waarom volgde de Kerk ook hierin zoveel meer Paulus dan Jezus...? De bijzondere verering van de biologische moeder van Jezus zou in latere tijden een ver-voerende overcompensatie worden voor de vrouwelijke afwezigheid binnen een Kerk die zich ooit katholiek noemde. De universaliteit, waarvoor het woord katholiek staat, betreft sinds eeuwen nochtans vooral de mannelijke aanwezigheid in religieuze zaken.

 

 

106

jezus heeft gezegd

wanneer jullie de twee één zullen maken zullen jullie mensenzoon zijn

en indien jullie zeggen berg verwijder je zal hij zich verwijderen

 

Dit logion is een meer expliciete variante van logion 48. De helderheid is opmerkelijk. Wie de weg van de monachos is gegaan, tot het bewustzijn van eenheid is gekomen, heeft zijn of haar ware wezen erkend : dit van het mensenkind dat kind is van de Vader of de Moeder. Het gaan van die weg is de uitdaging van het nieuwe waar Jezus voor staat. Aan zijn uitnodiging koppelt hij bovendien de belofte van ongekende mogelijkheden : geen hindernis zal jullie nog deren...

Nogmaals blijkt hier in alle duidelijkheid dat het woord mensenzoon niet uitsluitend op Jezus van toepassing is. Want iedere mens is in potentie een mensenkind, een kind van de Vader, de levende.

 

 

107

jezus heeft gezegd

het koninkrijk is gelijkend aan een herder die honderd schapen bezat

één van hen het grootste verdwaalde

hij liet de negenennegentig achter en zocht het ene tot hij het vond

gezien hij zich moeite gegeven had zei hij tot het schaap

jou wil ik meer dan van de overige negenennegentig

 

vergelijk : Mt 18,12-14 - Lc 15,4-7

 

De inhoud van de beeldspraak in dit logion is analoog aan die van de attente visser uit logion 8 of van de wijze koopman in logion 76. De vrouw met haar kruik - logion 97 - kon niet bedroefd zijn om wat zij verloor, omdat zij er zich niet van bewust was. Bovendien was de waarde van het verlies banaal want relatief. Het gemis van iets belangrijk - hier gaat het om het grootste schaap - doet de waarde ervan inzien. De vreugde om het herstel van een verlies is te meten aan de moeite die men zich voor dit herstel heeft getroost. Het is evenwel niet evident een beslissing te nemen, waarbij we afstand doen van dit dat ons in de ogen van anderen belangrijk maakt - en soms is dit een hele kudde - in de hoop het éne, het meest waardevolle te ontdekken...

De drie logia vullen elkaar in een zekere zin aan. Wat het kind van zeven dagen werd ontnomen, kan het terugvinden dankzij de wijsheid van de koopman, het onderscheidingsvermogen van de attente visser, en de inzet van de bezorgde herder.

 

 

108

jezus heeft gezegd

wie drinkt uit mijn mond zal zijn zoals ik

ikzelf zal zijn zoals hij

en wat verborgen is zal zich voor hem onthullen

 

vergelijk : Jn  4,13-14 en 6,53

 

Iedere mens is uniek, allen zijn we verschillend van elkaar... Dit is gewoon een biologische werkelijkheid. Hoe kan Jezus dan in iemand zijn gelijke erkennen ? Omdat zijn kennis de biologische werkelijkheid transcendeert. Hij heeft het over een zijnswaarde, die onderliggend is aan de uitdrukking van het relatieve leven. In het bewustzijn van een integratie in die zijnswaarde berust de bron van zijn kennis. Die kennis dient niet om juist te weten maar om juist te zijn.

Wie het water drinkt dat ik zal geven zal zelf bron worden...” zegt Jezus in het Johannesevangelie. Dit is het punt waarop hij en zijn discipel in bewustheid één zijn. De ontvankelijkheid van de discipel is een essentiële voorwaarde om deel te hebben in het bewustzijn dat het zijne is. Zoals voor een beker heeft die ontvankelijkheid met innerlijke leegte te maken. Zoals het water ontspringt uit de bron, ontspringt gnosis uit de leegte waarin het bewustzijn zijn bedding heeft... Wanneer Jezus zich zoveel moeite getroost om zijn kennis, het bewustzijn van het licht dat hij in zichzelf ervaart, aan anderen door te geven, doet hij dit omdat hij zich bewust is dat niemand verschillend is van hem in zijn of haar verbondenheid met de Vader.

Door Jezus te erkennen als een unieke zoon van God werden we op het verkeerde been geplaatst... Vóór alles is hij, zoals wij allen, een mensenkind. Worden zoals hij, deel hebben in het bewustzijn dat het zijne is, dit is de uitdaging van het nieuwe. In Jn 6,56 drukt hij dit uit in een bijzonder beeld : “wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt verblijft in mij en ik in hem”. Die woorden klinken als een schreeuw uit het hart, als een extreem beeld waardoor hij poogt duidelijk te maken dat iedere mens kan worden zoals hij, zijn vlees en bloed kan zijn. Helaas werd in dit beeld niet de “in vlees en bloed” levende Jezus erkend, de dienaar die dient omdat hij levend is. Want precies die man was het die Paulus weigerde te erkennen ! (2 Kor 5,16) Zo gaf dit beeld in het katholieke geloof aanleiding tot een ritueel waarin het voor ons vergoten bloed van de gekruisigde en verrezen Christus - de enige die wel de aandacht van Paulus waardig was - wordt herdacht. De levende dienaar werd het lijk van een geofferd lam... (zie commentaar bij logion 60)

 

 

109

jezus heeft gezegd

het koninkrijk is gelijkend aan een man

in wiens akker een schat verborgen was waar hij niet van afwist

na zijn dood werd de akker het bezit van zijn zoon

de zoon die onwetend was verkocht de akker

de man die de akker gekocht had kwam bewerkte hem

en ontdekte de schat en hij leende geld aan wie hij wou

 

vergelijk : Mt 13,44

 

Dit logion illustreert de waardeverhouding tussen kennis en onwetendheid, de weg ook die te gaan is om tot kennis te komen. De akker van ons bewustzijn moeten we zelf bewerken, zelf omploegen. In oprechtheid en met volharding geen vragen uit de weg gaan, geen “waarheden” ongemoeid laten... Dit hoort nu eenmaal bij de weg die, tegen de stroom in, leidt naar de bron. Wie bewust geworden is van de bron binnenin zichzelf, heeft de schat gevonden en kan blijvend geven...

 

 

110  zie logion 81

 

111

jezus heeft gezegd

voor jullie aanschijn zullen de hemelen en de aarde zich oprollen

en de levende voortgekomen uit de levende

zal noch dood noch angst zien

want jezus zegt dit

wie zichzelf ontdekt de wereld is hem niet waardig

 

Alles wat in deze relatieve wereld tot uitdrukking komt, wat tot onze concrete leefwereld behoort, onze lichamelijke aanwezigheid ook, dit alles is een aan tijd gebonden werkelijkheid die voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Aan de oorsprong ervan ligt een absoluut en tijdloos Zijn, dat leven is, in een niet te bevatten dimensie. Wat niet te bevatten is behoort tot het onbekende en wat onbekend is maakt angstig. Enkel kennis is in staat onwetendheid en de ermee verbonden angsten op te lossen.

Zoals we tijdens een filmprojectie beelden ervaren als een reële werkelijkheid maar door de kennis van het gebeuren ook kunnen relativeren als een tijdelijke visuele voorstelling, zo kan elke uiting van veranderlijkheid in dit leven door een juiste kennis erkend worden als de manifestatie van een absoluut en dus onveranderlijk Zijn. Hier en nu komt aan alles een einde : aan een filmvoorstelling, aan het biologische leven ook. Geboorte en dood komen en gaan... bladeren sterven aan de boom... Dit betekent echter niet het einde van Leven !

Wie zich in dit leven bewust is geworden één te zijn met een absolute Levensbron en haar wet, is in die bron zelf levend geworden. Want van dit leven zijn de wortels gevestigd in een tijdloze want spirituele werkelijkheid, die Jezus visualiseert in het beeld van de Vader, de levende. In die verbondenheid onthult zich de ware natuur van het eigen wezen, wordt onze biologische werkelijkheid erkend als een individuele en tijdelijke expressie van een tijdloos Zijn. In dit bewustzijn zijn we bovendien bevrijd van elke afhankelijkheid van veranderlijkheid en overstijgen we daarom de waarden die het in deze wereld voor het zeggen hebben. Hierin ligt ook de zekerheid ingebed van een terugkeer naar een veilige want absolute thuishaven. Wie als mens niet tot dit bewustzijn is doorgegroeid verblijft in de angst van het onbekende. Angst kan evenwel nooit gelden als een middel om tot juiste inzichten te komen. In het onderricht van Jezus is daarom geen ruimte voor angst, wel voor vertrouwen in de Vader.

 

 

112

jezus heeft gezegd beklagenswaardig is het vlees [sarks] dat afhankelijk is van het innerlijke zelf [psychè] beklagenswaardig is het innerlijke zelf dat afhankelijk is van het vlees

 

 

Wat in dit logion eens te meer aan de kaak wordt gesteld zijn de gevolgen van afhankelijkheid. De “in vlees en bloed” - sarks - levende mens is een combinatie van soma en psychè. Binnen die relatie speelt de psychè, zowel in haar bewuste als in haar onbewuste component, een bepalende rol. Want in de psychè heeft het ik-bewustzijn zijn bedding.

In de gevoeligheid van de psychè voor zovele invloeden, die haar innerlijke harmonie kunnen verstoren, ligt ook onze kwetsbaarheid. Enerzijds is de psychè afhankelijk van de ervaringen van de sarks, waardoor zijn harmonie kan worden verstoord. Anderzijds zal een disharmonie in de psychè steeds de keuze van onze handelingen beïnvloeden. Dit is de vicieuze cirkel die het wiel van samsara draaiende houdt : elke handeling is het gevolg van een vorige en de oorzaak van een volgende... Die vicieuze cirkel kunnen we doorbreken. Het middel om dit te bereiken is een onthechting in de geest, waar o.m. in logion 53 naar wordt verwezen. Onze psyche is aan onthechting toe, aan een rust in het “niet-handelen”, in de stilte van zijn innerlijke leegte. De deur van onze binnenkamer moet af en toe gesloten worden...

In het originele levensconcept zijn het hogere en het lagere één, is elk celletje van ons lichaam harmonisch met alle andere verbonden. Waar harmonie het leven stuurt is geen ruimte voor afhankelijkheid, enkel voor een harmonische verbondenheid. Afhankelijkheid is inherent aan het dualisme dat in het lagere heerst en waarin mensen waardeverhoudingen hebben doen ontstaan. Zo wordt het ene belangrijker gemaakt dan het andere. In de originele eenheid geldt dit onderscheid niet. De goede aarde is niet belangrijker dan het zaad, de zaadcel niet belangrijker dan de eicel, de man niet belangrijker dan de vrouw... Enkel hun harmonische verbondenheid heeft een reële waarde in de uitdrukking van het leven.

Hebben en afhankelijkheid behoren tot het oude, bevrijd “zijn” in de harmonie van de eenheid tot het nieuwe ! Voor het licht van het nieuwe zijn onze ogen nog te zwak, is ons bewustzijn nog te blind... Dit maakt voor ons de toegang tot de gnosis van Jezus ook zo moeilijk...

Zijn woorden in dit logion horen eerder bij een psychologische dan bij een religieuze kennis, zo zijn we geneigd te denken. De gnosis van Jezus is echter een holistische kennis, die berust in de eenheid waarin alles met alles verbonden is : het innerlijke en het uiterlijke, het hogere en het lagere. Zowel de religieuze als de wetenschappelijke weg streven naar een juist inzicht in die waarden of wetten, waardoor een harmonische beleving zich in dit leven kan verwezenlijken. De waarde van afhankelijkheid erkennen behoort evenwel tot een begrensd inzicht in die beleving.

 

 

113

zijn discipelen zeiden hem

welke dag zal het koninkrijk komen

naar zijn komst kan men niet uitzien

noch zal men zeggen zie het is langs hier of zie nu is het er

maar het koninkrijk van de vader strekt zich uit over de aarde

en de mensen zien het niet

 

vergelijk : Lc 17,20-21: “de komst van het koninkrijk van God kan niet worden  waargenomen, noch zullen zij zeggen zie het is hier of daar is het, want zie het koninkrijk van God is binnenin u.”

 

Eens te meer maakt de vraag van de discipelen duidelijk hoe sterk hun gebondenheid aan het oude nog is. Toch kan het nieuwe slechts ontluiken indien het oude wordt losgelaten ! Bij het begin van dit evangelie, in logion 3, liet Jezus geen twijfel bestaan omtrent zijn concept van het koninkrijk: het is binnenin jullie en het is buiten jullie. In logion 51 stelde hij : wat jullie verwachten is gekomen maar jullie erkennen het niet. Hier bevestigt hij nogmaals dat de komst van het koninkrijk niet de happening is waar Paulus zo intens naar uitkeek, maar een werkelijkheid die zich uitstrekt over de aarde. Die werkelijkheid kan evenwel slechts tot het bewustzijn van de mens doordringen, indien hij het potentieel dat hem toelaat juist te zien oordeelkundig aanwendt.

Zoals voorheen symboliseert zien ook hier het verwerven van kennis, van inzicht. Wat de mens ontbeert is een juist inzicht in zichzelf en de levenswet, die zowel de ganse natuur als zijn eigen wezen stuurt. Met die wet leeft de mens in een verbondenheid waar hij zich niet meer ten volle van bewust is. Zowel een juiste zelfkennis als een correcte inschatting van de natuurlijke werkelijkheid kan hem die verbondenheid opnieuw reveleren.

Alles wat op deze aarde tot uitdrukking komt, ieder celletje in een plant, een dier of in het eigen lichaam luistert spontaan naar een unieke wet, de logos van de Vader in de schepping. Enkel aan de mens is de vrijheid gegeven te luisteren naar zichzelf en eigen keuzen te maken. Die hoedanigheid verheft hem weliswaar boven alle overige levensvormen maar houdt ook een bijzondere verantwoordelijkheid in. Zoals de natuur getuigt van een totale integratie van het lagere in het hogere, zo is het de opdracht van de mens tot het bewustzijn te komen van zijn integratie in het hogere. In het bewustzijn deel te hebben in het koningschap van de Vader ligt zijn dienende verantwoordelijkheid in dit leven.

Omdat de mens niet ziet en ook niet luistert is hij nu blind en doof. Het innerlijke licht beroert zijn bewustzijn niet. In de duisternis van zijn onwetendheid is zijn onderscheidingsvermogen hem van geen nut… Hij is bedronken door zijn eigen weten en kunnen. Tot die teleurstellende vaststelling is Jezus gekomen. Van die werkelijkheid is het laatste logion een sprekende illustratie.

 

 

114

simon petrus zei hen

dat mariam zich uit ons midden verwijdert

want vrouwen zijn het leven niet waardig

jezus zei

zie ik zal haar aantrekken om haar mannelijk te maken

zodat zij een levende geest zal zijn die gelijkend is aan jullie mannen

want elke vrouw die zich mannelijk zal maken

zal het rijk der hemelen binnengaan

 

Het laatste logion van dit merkwaardige evangelie getuigt van een ontnuchterende anticlimax. Het werpt ons terug in een oh zó menselijke werkelijkheid die, zoals blijkt, weinig ontvankelijk is voor het woord van Jezus. Het platvloerse van de opmerking van Petrus - ook in de canonische evangeliën leerden we hem kennen als een impulsieve persoonlijkheid - laat geen twijfel bestaan omtrent de plaats van de vrouw, hier belichaamd door Maria Magdalena, in zijn religieuze cultuur. Van die ingesteldheid getuigde ook Paulus op een ondubbelzinnige wijze. Voor hem, die nochtans in lyrische bewoordingen over de liefde schreef, was Jezus zoveel belangrijker als de “gekruisigde en verrezen verlosser” dan als de man die in een vrouw zijn gelijke erkende. Zijn ingesteldheid zou het christendom nog tot op heden zoveel meer stigmatiseren dan de ingesteldheid van Jezus... Ten aanzien van hun superioriteitsgevoel is de vrouwvriendelijkheid van Jezus als een aanslag hun mannelijke eerbaarheid. Hier pikt Petrus het niet dat een vrouw in hun midden verblijft. Religie hoorde immers een exclusieve mannenzaak te zijn.

Als symbool voor een spirituele verbondenheid, de eenheid waaruit het leven zich in volheid kan ontplooien, maakte Jezus eerder in dit evangelie, o.m. in logion 22, gebruik van het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke. Ook in het beeld van de bruiloft en de bruidskamer is een zelfde symboliek aan de orde. Begrijpelijk dus dat bij sommige discipelen enige commotie ontstond. De bijzondere relatie, die Jezus blijkt te hebben gehad met Maria Magdalena - niet toevallig is zij voor Johannes de eerste getuige van de levende gekruisigde - viel niet bij iedereen in goede aarde.

In dit logion ondergaat de beeldspraak van Jezus een opmerkelijke transformatie. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke ontaardt hier immers tot het mannelijk maken van het vrouwelijke... Het mag duidelijk zijn dat de woorden die hier in de mond van Jezus werden gelegd niet aan hem kunnen worden toegekend ! Het vrouwelijke hoort immers evenmin mannelijk te worden als het mannelijke hoort vrouwelijk te worden. De vrucht van hun eenheid is het leven in de bevruchte eicel, zoals het leven in de kiem de vrucht is van de eenheid van het zaad en de goede aarde.

Hoe kan de symboliek in een beeld worden erkend, indien het beeld zelf niet wordt aanvaard...? De transformatie die het beeld in dit logion onderging kan enkel worden toegeschreven aan de manipulatie van een transcriptor die, bedronken door zijn mannelijke zelfbesef, evenmin als Petrus in staat was de gelijkwaardigheid van man en vrouw als een symbool voor eenheid te aanvaarden. Petrus en zijn gezellen kunnen nochtans aanspraak maken op enig mededogen.

De ontsluiering van de symboliek in de beeldspraak van het mannelijke en het vrouwelijke, in die van de bruiloft en de bruidskamer, het maken van een grens overschrijdende stap van een biologische naar een spirituele werkelijkheid, is immers ook voor twintig eeuwen christelijke theologie een onbeantwoorde uitdaging gebleken...

Noch de “radicale” betekenis van eenheid - radix betekent wortel - noch de talrijke beelden die naar eenheid verwijzen beroerden het bewustzijn van hen, die zich beschouwden als de erfgenamen van de discipelen. Zoals de discipelen dachten opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het Koninkrijk, zo gelijken hun erfgenamen aan kinderen, die nog steeds geloven dat het leven ontstaat uit een bloemkool of door de bemiddeling van een ooievaar en niet uit de eenheid van papa en mama... De onnatuurlijke Pauliniaanse afkeer voor elke betrokkenheid bij de zondige wereld van het vlees en het bloed - zeg maar van de seksualiteit - heeft overigens in het christendom meer dan pijnlijke sporen nagelaten...

De betrachting van Jezus het bewustzijn van zijn medemensen te verheffen en te vestigen in een concept van verbondenheid - en niet in dit van gescheidenheid - van het lagere en het hogere, van de mens en zijn Levensbron, was blijkbaar voor een meerderheid onder hen te verstorend om aanvaardbaar te zijn. Dit laatste logion bevestigt hoe moeilijk het toen voor de mannen was om hun prerogatieven los te laten en, doorheen een juist begrip van zijn beeldspraak, het te baanbrekende van zijn kennis in zich op te nemen. Zowel cultureel en als religieus was dit toen voor hen, zoals vermoedelijk nog steeds voor velen onder ons, een te revolutionaire stap. Voor de meesten predikte Jezus in de woestijn. Slechts weinigen was het gegeven zich open te stellen voor een metanoia, die mentaal bevrijdende ommekeer waartoe hij hen uitnodigde. Tot die weinigen behoorden Maria Magdalena en Judas Thomas...

 

 

 

 

                                                                                                   


 




Home