Jezus en de Bijbel

 

 

 

 

Ongetwijfeld neemt in de westerse religieuze cultuur het christelijke geloof een prominente plaats in. Dit geloof verspreidde zich bovendien quasi over de gehele wereld in talrijke geloofsgemeenschappen, die zich bewust van elkaar wensen te onderscheiden. In elke belevingsvorm ervan is Jezus, die de Christus genoemd wordt, evenwel steeds de centrale figuur. Zoals een moslim in Mohammed of een boeddhist in de Boeddha, kan iedere christen in Jezus de gelegenheid vinden zich door een ideaal beeld te laten inspireren. De betekenis, die aan de man wordt toegekend, is dus enorm. Maar, wie was hij…? Waarom is hij, ondanks de korte duur van zijn optreden in de openbaarheid, zo belangrijk geworden ? Maakte zijn aanwezigheid op aarde deel uit van een goddelijk plan of was hij gewoon een mens die getuigenis aflegde van een religieus bewustzijn dat verstorend was voor de behoeders van de bijbelse traditie en hiervoor met een kruisdood werd afgestraft ?

Wat zou er overigens van zijn prediking zijn overgebleven, indien hij niet zou zijn erkend als een afstammeling van koning David of indien er geen fenomeen zou zijn geweest die Paulus heette en van hem het definitieve sluitstuk van de Bijbel maakte ? De associatie van Jezus met de Bijbel lijkt ons zó evident dat het in vraagstellen van zijn bijbelse betrokkenheid bij vele gelovigen als ongepast of oneerbiedig kan overkomen. Toch zou die vraag wel eens realistischer kunnen zijn dan velen vermoeden. Uit talrijke evangelische getuigenissen blijkt immers dat hij zich profileerde als een zelfbewust man, die voor zichzelf geen enkele bijbelse erkenning ambieerde en bovendien afstand nam van een aantal rituelen en de hieraan verbonden verwachtingen, waarmee de joden hun bijbelse geloof beleden.

Laten we eerst in alle duidelijkheid stellen dat, wanneer we het over de Bijbel hebben, we dit boek bedoelen dat tot het culturele erfgoed van het joodse volk behoort. De Hebreeuwse Bijbel dus, die door de christenen het Oude Testament wordt genoemd. Dit boek onthult ons een buitengewone saga, waarin de roots van het Hebreeuwse volk en hun unieke alliantie met hun God YHWH in een dramatisch epos werden vastgelegd. Voor de christenen bestaat de Bijbel echter niet enkel uit het Oude maar ook uit het Nieuwe Testament, waarin de boodschap en de handelingen van Jezus centraal staan. De compilatie van het indrukwekkende epos, dat de Bijbel genoemd wordt, zou volgens de meest recente archeologische bevindingen, een aanvang hebben genomen in de VII° eeuw vóór onze jaartelling, toen Jozias koning was in Juda. De bedoeling ervan was zowel politiek als religieus : aan het Hebreeuwse volk een historische basis geven, waardoor het zich opnieuw bewust kon worden van zijn uitzonderlijke lotsbestemming, gedicteerd door een exclusieve alliantie met zijn unieke God YHWH. Jozias beschouwde het immers als zijn messiaanse opdracht Israël en Juda opnieuw te verenigen onder het hiërarchische gezag van het koningshuis van David. Even wat geschiedenis dus.

In de periode, die aan de regering van koning Jozias voorafging, onderscheidde men in het land van Kanaän, dat Palestina wordt genoemd, twee deelgebieden: Israël in het noorden en Juda in het zuidoosten. Omdat Israël kon genieten van een vruchtbare bodem en bovendien op de verbindingsroute lag tussen twee bijzondere culturen, de Egyptische en de Mesopotamische, had het een intense ontwikkeling gekend. Een aantal belangrijke nederzettingen getuigden van een georganiseerde en bloeiende samenleving. Juda daarentegen was een onherbergzame en moeilijk toegankelijke streek, bezaaid met kleine woongemeenschappen die er in ondankbare omstandigheden overleefden. Hierdoor was het een vrij geïsoleerd gebied gebleven. Echte steden waren er niet. De voornaamste nederzetting in het noorden van Juda, Jeruzalem, was toen niet meer dan een uitgebreid dorp.

Een totale omwenteling vond plaats toen koning Teglat-Phalasaar III van Assyrië in 738 v.Chr. zijn oog liet vallen op het voorspoedige Israël. Hij verwoestte er zowat alle belangrijke nederzettingen en deporteerde een groot aantal inwoners naar het oosten. Assyrische onderdanen namen hun plaats in. Dit betekende zo goed als het einde van Israël. Een deel van de inwoners vluchtte echter naar het zuiden, naar Juda, waardoor dit gebied in vrij korte tijd een radicale transformatie onderging. Van enkele tienduizenden inwoners steeg de bevolking plotseling tot ongeveer 120.000. In de tijd van één generatie breidde Jeruzalem zich uit van 6 tot 75 hectaren. Een versterkte vesting omgordde voortaan de nieuwe stad.

Dit alles gebeurde toen Achaz in Juda een door de Bijbel vermaledijde koning was (743–727). Onder zijn bewind kenden de hoogvlakten van Juda nochtans een toenemende voorspoed. Zijn zoon en opvolger, Ezechias, was in de ogen van de bijbelschrijvers wel een voorbeeldige koning. Hij bestreed immers de vele bijgeloven en streefde ernaar het gezag van YHWH te herstellen. Ook hij koesterde reeds de droom van een hereniging met het noorden en verzette zich daarom tegen de bezetter. Dit zou hem zuur opbreken, want de Assyriërs veroverden nu ook grote delen van Juda. Enkel Jeruzalem bleef gespaard. Zijn zoon Manassé was dan weer, net als zijn grootvader, een door de Bijbel verdoemde koning. Want hij aanvaardde de overheersing van Assyrië en was vooral religieus veel toleranter dan zijn vader. Maar hij zorgde er wel voor dat Juda opnieuw voorspoed kende o.m. door een bloeiende handel in olijfolie. Zijn bewind liep van 698 tot 642.

Koning Jozias regeerde in Juda van 639 tot 609. Onder zijn regering taande de macht van de Assyriërs, omdat zij zowel aan hun noordelijke als oostelijke grenzen werden bedreigd. Hun greep op de bezette gebieden van Israël nam zodanig af dat Jozias hierin een opportuniteit zag om zijn messiaanse droom van een hereniging van het Hebreeuwse volk te verwezenlijken. De belangrijkste voorwaarde om aan zijn plan enige kans op slagen te geven was evenwel te kunnen rekenen op de noodzakelijke steun van zijn God. Ten tijde van Jozias werden immers naast YHWH ook heel wat andere goden vereerd. Zijn volk moest er dus worden van overtuigd dat hun lot totaal afhankelijk was van hun onvoorwaardelijke trouw aan de enige God YHWH, de alles bepalende macht. Die verbondenheid had steeds en zou steeds de toekomst van het Hebreeuwse volk bepalen. Hij nam dus het initiatief de historiek van zijn volk te laten uitschrijven in een onovertroffen episch verhaal, waarin heel wat tot de verbeelding sprekende oude legenden werden verwerkt. Maar zowel een aantal van die verhalen als hun positionering in de tijd roepen thans, wanneer zij worden geconfronteerd met de bevindingen van de moderne archeologie, heel wat vragen op.  

Zo kan men zich moeilijk voorstellen dat de uittocht uit Egypte, onder de leiding van Mozes, van 600.000 mannen met hun gezinnen en hun bezittingen geen enkel archeologisch spoor zou hebben nagelaten. Koningen als David en Salomon zouden wel historische figuren zijn geweest, maar zowel de veroveringen en heldendaden van David als de praal en de spectaculaire bouwwerken van Salomon blijken te behoren tot de romaneske verbeelding van de auteurs van de Bijbel. Zo werd in Jeruzalem geen enkel archeologisch spoor aangetroffen van een tempel, die er in de periode van de bijbelse koning Salomon zou zijn gebouwd. Ook is duidelijk dat verhalen als de strijd tussen de jonge David en de reus Goliath of de instorting van de muren van Jericho onder het bazuingeschal van de krijgers van Josue eerder thuis horen in een boeiende jeugdroman dan in een historische reconstructie. Maar, wanneer de “hand Gods” in het spel is, blijkt niets onmogelijk te zijn, zo weerklinkt het bijbelse loflied.

Bovendien was het een geniale vondst van de bijbelschrijvers de blijvende verbondenheid van hun volk met YHWH steeds weer te benadrukken door de bemiddeling in te roepen van bijzondere goddelijke gezanten, profeten genaamd. Hen was het gegeven het goddelijke oordeel en zijn intenties omtrent de toekomst van zijn volk te onthullen. Eén van de meest opvallende en tevens voor de bedoeling van de Bijbel revelerende profetische “ingrepen” situeert zich aan het einde van de X° eeuw v.Chr., toen Jeroboam koning was. Een niet bij naam genoemde godsgezant profeteerde toen de komst van Jozias als de redder des vaderlands. Pas drie eeuwen later zou die profetie de plannen van Jozias ten goede komen. In hun merkwaardige boek “The Bible unearthed” vergelijken de auteurs Finkelstein en Silberman dit voorval met een denkbeeldige voorspelling, die in de XVII° eeuw door een lid van de afro-amerikaanse gemeenschap zou zijn gedaan en waarin de komst van Martin Luther King zou zijn aangekondigd...

Heel wat verhalen, die werden toegeschreven aan de patriarchen, profeten of koningen, blijken nu een projectie te zijn van de problematische situatie in Juda zeven eeuwen vóór onze jaartelling. In die verhalen zou heel vaak een loopje zijn genomen met de historische werkelijkheid, zoals die blijkt uit archeologische onderzoeken waarvoor vaak joodse wetenschappers verantwoordelijk zijn. We kunnen enkel respect opbrengen voor de eerlijkheid van wetenschappers, die het aandurven de historische roots van hun eigen cultuur in vraag te stellen.

Het is niet onze bedoeling ons in te laten met een kritische studie omtrent de historische waarde van de Bijbel. Toch lijkt het aangewezen erop te wijzen welke verstorende rol het geloof kan spelen in de appreciatie van nieuwe archeologische ontdekkingen, zeker wanneer het de geloofwaardigheid betreft van een voor de monotheïstische godsdiensten zo heilig boek als de Bijbel. Bovendien is onfeilbaarheid aan niemand gegeven ! Zoals uit de geschiedenisboeken onomstotelijk blijkt dat godsdienst en macht elkaar al te graag uitstekend konden vinden, zo is het eveneens duidelijk dat de relatie tussen godsdienst en wetenschap bijzonder gevoelig ligt. Het blijft dus een uiterst delicaat gegeven één van de fundamenten van onze westerse beschaving kritisch te benaderen. Een elementaire eerlijkheid houdt ons nochtans voor elk religieus concept te relativeren als een menselijke benadering van een mystieke werkelijkheid.

 

 

 

Was Jezus een Messias... ?

 

 

Het is een opvallende vaststelling dat, om Jezus te benoemen, zoveel vaker de naam Christus wordt gebruikt dan zijn persoonlijke naam. Christos is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Mashiah, ons beter bekend als Messias. Een titel die aan diverse bijbelse koningen, zoals onder meer aan David en Salomon, werd toegekend en bekrachtigd werd door een koninklijke zalving. Die titel verwees naar hun verantwoordelijkheid ten aanzien van YHWH en de alliantie die Hij met het volk van Abraham gesloten had. Het behoorde immers tot de voornaamste opdracht van een Messias het pad te effenen voor de komst van Gods Koninkrijk op aarde. Bij die hoedanigheid hoorde ook de kwalificatie “Zoon van God”, die moet begrepen worden als “uitverkorene van God” en niet, zoals dit nu het geval is, als “van goddelijke afkomst”. Die bijbelse logica geldt eveneens in de evangeliën. De uitdrukking “Zoon van God” kan dus op zich geen erkenning inhouden van de goddelijke natuur van Jezus.

Door Jezus als een Messias te erkennen werd hij tevens aanzien als de wetmatige erfgenaam van koning David. In de evangeliën werd inderdaad de nodige ijver aan de dag gelegd om zijn verbondenheid met het geslacht van David te bevestigen. Toch is de genealogie die Mattheüs vermeldt afwijkend van die van Lucas... Zou het bovendien toeval zijn geweest dat Bethlehem, de geboorteplaats die aan Jezus werd toegekend, ook de plaats is waar David het levenslicht zou hebben gezien ? Het opschrift bovenaan het kruis : “koning van de joden” bevestigt overigens, zij het op een sarcastische wijze, die koninklijke status. Toch heeft Jezus zichzelf nooit kenbaar gemaakt als een Messias of een “zoon van God”. Noch uit de canonische evangeliën, noch uit dit volgens Thomas valt op te maken dat hij enig koningschap ambieerde. Zo verhaalt Marcus dat, toen mensen in hem een “zoon van God” meenden te erkennen, hij dit kordaat weerlegde. (Mc 3,12) Verwijzend naar zichzelf gebruikte hij bij voorkeur de uitdrukking “mensenzoon”. Desondanks is hij voor ons steeds de Christus en dus de Messias gebleven.

In het bijbelse boek Genesis lezen we het verhaal van de zondeval van Adam in het aardse paradijs. Dit verhaal verklaart de oorzaak van de gescheidenheid, waarin de mens en zijn Schepper zich thans nog steeds bevinden. Een mythisch bijbels verhaal werd zo de historische onderbouw van een toestand van on-eenheid. Eeuwen later zou een minuscule fractie binnen de joodse gemeenschap de mening zijn toegedaan dat Jezus, door zijn offer aan het kruis, de verlossende daad had volbracht waardoor God zich opnieuw met de mensheid verzoende. Aldus werd Jezus de Christus, de ultieme bijbelse Messias.

Van dit baanbrekende concept zou de jood Saul van Tarsus de voornaamste protagonist worden. Voor hem kon niets meer de komst van Gods Koninkrijk in de weg staan. Die verwachting, gekoppeld aan de door de Bijbel geprofeteerde apocalyptische gebeurtenissen en het laatste oordeel, zou naar zijn overtuiging heel binnenkort werkelijkheid worden. Want, gezien de Christus hem was verschenen, had hij de dood overwonnen, was hij “verrezen”, waardoor zijn goddelijke natuur onomstootbaar vaststond. Ziedaar de kwintessens van het christelijke geloof, waarvan Saul de belangrijkste promotor is geweest. Hij was er immers heilig van overtuigd door God te zijn uitverkoren om Zijn woord te vertolken. En hiervoor stoorde hij zich, noch aan het onderricht van Jezus zelf, noch aan de inzichten van zijn joodse geloofsgenoten.

 

 

 

Het woord van God

 

 

De Hebreeuwse Bijbel is heilig want hij verkondigt het woord van God, zo wordt ons voorgehouden. In de Bijbel heeft God zichzelf geopenbaard. Dit geloof geldt zowel voor joden als voor christenen. Zeshonderd jaren na Christus zou ook Mohammed het woord van de bijbelse God door de bemiddeling van de engel Gabriël aanhoren en laten optekenen in wat de Koran zou worden. Blijkbaar zijn er dus bevoorrechte mensen geweest, die in staat waren het woord van God te ontvangen en het aan anderen mee te delen. In de Bijbel worden zij profeten genoemd.

Maar wat betekent de uitdrukking “woord van God” ? Indien we de naam God associëren met het niet te bevatten “Heilige”, kan een mens zich het gezag toe-eigenen Zijn woord te vertolken ? Ooit was er een tijd, waarin het zelfs als heiligschennis werd beschouwd aan het Heilige een naam toe te kennen. YHWH is geen naam maar een tetragram, dat niet kon worden uitgesproken ! Het produceren van woorden is een menselijke hoedanigheid, die we zoals zovele andere uit een creatieve bron ontvangen en die het ons mogelijk maakt met elkaar te communiceren. Sinds mensengeheugenis heeft de mens op die hoedanigheid beroep gedaan teneinde een communicatie tot stand te brengen met hogere krachten, die aan de oorsprong lagen van natuurlijke fenomenen. Hiervoor werden zij gesymboliseerd in beelden, menselijke, dierlijke of een mengeling van beide. Zo zijn ook een aantal rituelen ontstaan waardoor de mens zich inbeeldde met hen te kunnen communiceren.

In de XIV° eeuw vóór onze jaartelling, toen Amenhotep IV, eveneens bekend als Akhnaton, farao was in Egypte, maakte hij gedurende een weliswaar beperkte periode een einde aan de verering van een veelvoud aan goden en erkende hij Aton als de enige God, waarvoor de zon als symbool gold. Het komt evenwel de auteurs van de Bijbel toe als eersten het bestaan van een unieke God, gesymboliseerd in YHWH, in een indrukwekkend epos te hebben verwoord. De omstandigheden bij het ontstaan van de bijbelse saga waren evenwel dusdanig, dat die erkenning werd uitgedrukt in een alliantie tussen het Hebreeuwse volk en zijn God. De Bijbel getuigt dus niet enkel van het bestaan van een unieke God, maar tevens van een verbond tussen die God en het door Hem uitverkoren volk. Dit concept, dat niet ontdaan is van een zekere pretentie, zou later overigens door de katholieke Kerk worden gerecupereerd.

Teneinde de kloof tussen twee onderscheiden werelden, de natuurlijke en de bovennatuurlijke, te overbruggen maakte de mens dus sinds lang gebruik van woorden in gebeden en rituelen. Kunnen de rollen evenwel ook worden omgekeerd ? Kan men het bedenken dat het Hogere zich in woorden tot de mensen richt ? Is het wel zinvol aan het niet te bevatten Heilige het gebruik van een menselijke hoedanigheid toe te kennen ? Wordt het hierdoor niet tot een menselijke dimensie herleid ? Het bewustzijn met “Iets Hogers” verbonden te zijn is één zaak. Zich een kennis van “het Hogere” aanmeten door “Zijn woord” te vertolken is een totaal ander gegeven. Het lijkt er inderdaad op alsof sommige mensen toegang zouden hebben gehad tot “een goddelijk bewustzijn”... Is dit wel geloofwaardig ? Kan aan mensen zoals Saul, Mohammed of de profeten van de Bijbel het gezag worden toegekend het woord van God te hebben vertolkt ? In de getuigenis van Thomas heeft Jezus zichzelf overigens nooit in die hoedanigheid kenbaar gemaakt.

In zijn gesublimeerde aspect, uitgedrukt in het Griekse woord logos, kan “het woord” weliswaar dienstig zijn als symbool voor een blijvende manifestatie van het Heilige als een creatieve Geest. Zo dachten we dat het in de proloog van het Johannesevangelie hoorde te worden begrepen. Het door mensen gesproken of geschreven woord is echter de expressie van een menselijk bewustzijn, van menselijke gedachten en gevoelens. Indien aan dit bewustzijn de zuiverheid van een lelie kon worden toegekend, zou zijn woord wellicht, zoals de ganse natuur, de uitdrukking van het mystieke Hogere kunnen dienen. Helaas onderschrijft de werkelijkheid die veronderstelling niet. Het menselijke bewustzijn is nu eenmaal aan talrijke beperkingen onderhevig.  

Indien er een realistische weg bestaat, die het ons mogelijk kan maken de ware toedracht van de logos te erkennen, kan die enkel leiden naar een passende appreciatie van een werkelijkheid waarvoor geen mens de verantwoordelijk kan opeisen : de schepping en haar natuurlijke expressie. Het religieuze bewustzijn, waarin alle aspecten van het leven ervaren worden als de uitdrukking van een mystieke werkelijkheid, maakt inderdaad door mensen bedachte goddelijke woorden overbodig. Wie luistert naar de natuur, de wet van harmonie in de natuur erkent, luistert naar Zijn woord... Dit is geen verbeelding meer maar werkelijkheid : het herbronnen van het religieuze bewustzijn in zijn natuurlijke wortels. De wet van harmonie erkennen, er respect voor opbrengen, zich door haar laten inspireren, maken de tien geboden van Mozes of de honderd en één aanbevelingen waartoe de Talmoed aanleiding heeft gegeven, overbodig. Ook Jezus kreeg in de evangeliën het verwijt te horen dat hij het niet zo nauw nam met de joodse voorschriften omtrent vasten of sabbat. Zou het bovendien toeval zijn geweest dat hij, in de eerste parabel vermeld in de synoptische evangeliën, verwijst naar de manifestatie van het leven zoals het ontstaat uit de eenheid waarin het zaad en de goede aarde harmonisch verenigd zijn...? Overigens is die parabel niet zijn enige referentie naar het natuurlijke leven.

 

 

Het onderricht van Jezus

 

 

Het immense belang dat aan Jezus wordt toegekend heeft meerdere redenen. Vooreerst heeft hij op volwassen leeftijd getuigenis afgelegd van zijn religieuze bewustzijn. Zijn onderricht, dat later de “goede boodschap” werd genoemd, is evenwel niet zonder enig voorbehoud door zijn tijdgenoten aangehoord, want het strookte niet altijd met wat hen in de tempel werd voorgehouden. De verstoring die hij veroorzaakte was zelfs dusdanig, dat de verantwoordelijken voor de religieuze orde de mening waren toegedaan dat hieraan paal en perk moest worden gesteld. Zij overtuigden Pilatus en de zijnen van de noodzaak krachtdadig op te treden om erger te voorkomen. Zo werd Jezus het zwijgen opgelegd door hem tot de kruisdood te veroordelen. Aan die gebeurtenis zou echter een bijzondere verlossende waarde worden toegekend. Dit is de tweede reden waarom hij zo belangrijk geworden is. De derde reden is dat zich onder zijn volgelingen het gerucht verspreidde dat hij zich na zijn dood aan verschillende onder hen zou hebben gemanifesteerd. Hij zou dus de kruisiging overleefd en de dood overwonnen hebben, wat zijn goddelijke natuur bekrachtigde.   

Van zijn prediking en de gebeurtenissen waarbij hij betrokken was werd verslag uitgebracht in geschriften, die ons bekend zijn als evangeliën. Onder de talrijke verslagen en commentaren die toen de ronde deden werden er tenslotte vier door de primitieve kerkgemeenschap als geloofwaardig weerhouden en opgenomen in het Nieuwe Testament. Zij worden de canonische evangeliën genoemd. Die keuze werd voor het eerst door Athanasius, de patriarch van Alexandrië, voorgesteld in zijn paasbrief van het jaar 367. Alle overige in omloop zijnde getuigenissen werden als verdacht beschouwd en kregen de kwalificatie apocrief mee, wat verborgen betekent.

Evangeliën kunnen worden beschouwd als schriftelijke getuigenissen, die zich hebben ontwikkeld in diverse gemeenschappen en zich beroepen op de geestelijke leiding van een discipel van Jezus. Het is geen eenvoudige opdracht een juiste inschatting te maken van hun reële informatieve waarde. De katholieke Bijbelschool van Jeruzalem heeft aan het ontstaans- en ontwikkelingsproces van die evangeliën een indrukwekkende studie gewijd. Hierin wordt o.m. gewezen op de talrijke onderlinge beïnvloedingen en aanpassingen die deze geschriften gedurende een langere periode hebben ondergaan. Zo onderscheidt die studie in het Johannesevangelie vier verschillende redactionele stadia, waarbij drie auteurs zouden zijn betrokken. (Synopse des quatre Évangiles Tome III  par M-E Boismard et A. Lamouille)

Ook valt op te merken dat, van de vier erkende evangelisten, twee alvast geen apostelen waren : Marcus en Lucas. De getuigenissen van Mattheüs en Johannes, die wel als de apostelen worden erkend, zouden dus de meest waardevolle moeten zijn, want het minst verwijderd van de bron. Toch vertoont hun verslaggeving indrukwekkende verschillen en wordt nu algemeen aangenomen dat het evangelie volgens Marcus, althans een precursor van de huidige eindredactie, de eerste referentie zou zijn geweest. Maar, volgens Papias een kerkvader uit de tweede eeuw, verwoordde Marcus wat hij uit het onderricht van Petrus vernomen had. De beschrijving die Papias geeft, zowel van het geschrift van Marcus als van dit van Mattheüs, beantwoordt echter niet aan hun evangeliën zoals we ze nu kennen. Een bijzonder detail is dat de uitverkiezing van Petrus, als de steenrots waarop de Kerk zou zijn gegrondvest (Mt. 16, 18), enkel door Mattheüs wordt vermeld en dus blijkbaar niet bekend was bij Marcus, die toch de discipel van Petrus was. Die vermelding door Mattheüs wordt overigens door de studie van de Bijbelschool van Jeruzalem beoordeeld als een toevoeging van de laatste redacteur van dit evangelie. Dit zou gebeurd zijn rond het einde van de tweede eeuw.  

Een andere merkwaardige vaststelling is dat het meest tot de verbeelding sprekende mirakel, dat Jezus ooit zou hebben verricht - de opwekking uit de dood van Lazarus - enkel door Johannes wordt vermeld en dus blijkbaar niet bekend was bij de overige evangelisten. Was dit voor Johannes het ultieme bewijs van de goddelijkheid van Jezus, een erkenning die blijkbaar niet door zijn collega’s werd gedeeld ? Bovendien beschouwt Johannes dit mirakel als de fatale druppel, die de emmer van de joodse ergernis deed overlopen en aldus de rechtstreekse aanleiding zou zijn geweest tot de aanhouding van Jezus.

Die beperkte beschouwingen willen vooral de aandacht vestigen op het menselijke karakter van de evangelische getuigenissen en op de voorzichtigheid die we bij hun benadering horen in acht te nemen. De talrijke interne verschillen en tegenstellingen negeren en enkel gehoor hebben voor die ene dogmatische waarheid dat zij zouden zijn neergeschreven onder de directe inspiratie van de H. Geest, lijkt een al te naïeve miskenning te zijn van de menselijke toedracht zowel in de redactie als in de transmissie van die geschriften. Vergeten we vooral niet dat de discipelen en evangelisten kinderen waren van hun cultuur, die gedragen was door het bijbelse geloof. Aan dit geloof waren concrete verwachtingen verbonden. Want eens zou YHWH Zijn Rijk onder het door Hem uitverkoren volk komen vestigen en hen toegang verlenen tot een eeuwig leven. Van die droom waren ook de volgelingen van Jezus doordrongen. Dat de bijzondere man, die Jeshua heette, hun bijbelse geloof niet zou bijtreden was voor hen gewoon ondenkbaar. Dit maakte hun begrip voor het vernieuwende in zijn boodschap bijzonder lastig. Hoe de interactie tussen het oude en het nieuwe is verlopen lezen we in de evangeliën.

Zich trachten in te leven in de religieuze gevoeligheden van toen en in de enorme ontgoocheling die de eerste volgelingen van Jezus na diens kruisiging moet hebben overvallen, is een bijzonder delicate uitdaging. Hoe kon het dat de man, die door velen beschouwd werd als een profeet, ja zelfs als een Messias, een dergelijk vernedering had kunnen ondergaan ? En hoe is men er tenslotte toe gekomen dit ontluisterende einde te beschouwen als een triomfantelijke gebeurtenis, waaraan een universeel verlossende waarde werd toegekend ? Beantwoordde het tragische slot van zijn kortstondige aanwezigheid aan een goddelijke “intentie” en had Jezus zich bewust en vrijwillig aan die goddelijke wil onderworpen…?

Het feit dat de kruisiging samenviel met het joodse paasfeest, waarmee de exodus uit Egypte werd herdacht en waaraan het ritueel van het offeren van een lam verbonden was, zal de interpretatie ervan ongetwijfeld in een belangrijke mate hebben beïnvloed. Ooit was ook de vlucht uit Egypte onder de leiding van Mozes een dramatische gebeurtenis, die niettemin aan de oorsprong lag van het ontstaan van een godsvolk. Dat de kruisiging samenviel met de herdenking van die gebeurtenis kon geen toeval zijn ! Ook de kruisdood van Jezus beantwoordde ongetwijfeld aan een goddelijk project, waarin de ultieme Messias de plaats had ingenomen van het lam dat tijdens het paasfeest geofferd werd. Dat Jezus zich bewust was deel te hebben aan dit goddelijke plan werd bevestigd in de bijeenkomst die later het Laatste Avondmaal werd genoemd en aanleiding gaf tot een ritueel waarin het offer aan het kruis vereenzelvigd werd met dit van het paaslam. Hierdoor zou de verzoening tussen het godsvolk en zijn God zich hebben voltrokken en de komst van het goddelijke Koninkrijk hebben mogelijk gemaakt. Die interpretatie van de gebeurtenissen werd enkele jaren later bevestigd door de visie van een bijzondere man, die Saul van Tarsus heette.

 

Paulus

 

Dit brengt ons bij de meest opmerkelijke figuur in het vroege christendom. Zijn optreden is zonder meer bepalend geweest voor de verspreiding van het nieuwe geloof. Van de primitieve kerkgemeenschap zou hij overigens de uitzonderlijke erkenning verkrijgen als de apostel Paulus. Bovendien maken zijn brieven het ruimste persoonlijke aandeel uit in het Nieuwe Testament. Toch behoorde hij niet tot de discipelen van Jezus. Als orthodoxe jood was hem inderdaad een uiterst elitaire opleiding tot farizeeër te beurt gevallen. Zo beschouwde hij zichzelf als de vurigste bestrijder van het bijgeloof, dat door de prediking van een Jezus was ontstaan. Tot op een dag, men vermoedt in het jaar 36, hem op de weg naar Damascus iets heel vreemds is overkomen. Onder een loden middagzon werd hij onwel, viel van zijn paard en werd zelfs door blindheid geslagen. In die precaire omstandigheden zou Jezus hem in een visioen zijn verschenen. Een wonderlijke gebeurtenis die op drie verschillende plaatsen in de “Handelingen van de Apostelen” wordt vermeld. In uiteenlopende versies weliswaar, wat de geloofwaardigheid ervan niet ten goede komt. Dit neemt niet weg dat er wellicht iets gebeurde, maar wat precies…?

De mentale verwarring, die hiervan het gevolg was, moet ongetwijfeld indrukwekkend zijn geweest. Zij lag immers aan de basis van een radicale ommekeer in het leven van Paulus. Want de man, die door toedoen van zijn geloofsgenoten was gekruisigd, had zich aan hem geopenbaard. Hij kon dus niets minder dan een goddelijke Messias zijn. De verankering van Paulus in het bijbelse geloof was immers dusdanig, dat niets zijn verwachting van de komst van het goddelijke Koninkrijk kon verstoren. Om die verwachting waar te maken was evenwel de komst van een Messias noodzakelijk. Gezien die Messias hem was verschenen, kon de komst van dit Koninkrijk niet langer meer uitblijven. Een verwachting die, zoals we nu weten, utopisch is gebleken.

Paulus, die ervan overtuigd was door God te zijn uitverkozen om Zijn boodschap wereldkundig te maken, investeerde een onwaarschijnlijke energie in het verwezenlijken van die opdracht. Verketterd door de joodse orthodoxie, verdacht bij degenen die hij eerder vervolgde, nam hij zijn toevlucht tot de heidenen, de niet-joden, de onbesnedenen. Zo werd hij, ondanks zijn uiterst karige kennis van het onderricht van Jezus - waarvan zijn talrijke brieven getuigen - de meest enthousiaste promotor van een nieuw geloof. Het afwijkende concept van Jezus omtrent de komst van het Koninkrijk, dat door Lucas in zijn evangelie (17,21) wordt bevestigd, zou door latere kerkleiders worden geminimaliseerd tot een onduidelijke werkelijkheid, waardoor de joodse droom van een eeuwig bestaan in een goddelijk Koninkrijk overeind kon blijven. Een gebeurtenis die evenwel pragmatisch verschoven werd naar een realiteit die zou volgen op de biologische dood.

 

 

Het oude en het nieuwe

 

In het evangelie volgens Thomas wordt onze aandacht uitsluitend gefocust op het onderricht van Jezus, niet op gebeurtenissen en hun interpretaties. Het roept onvermijdelijk de tegenstelling op tussen het oude en het nieuwe. Het oude betreft de Hebreeuwse Bijbel, die de gescheidenheid poneert tussen de mens en zijn God YHWH, maar tevens de verwachting genereert van een tijdloze hereniging in zijn Koninkrijk. Het nieuwe, waarvan Jezus getuigt, is dat niet gescheidenheid maar eenheid hier en nu de werkelijkheid uitmaakt. Door geloof te hechten aan denkbeeldige waarheden heeft de mens zich bedronken, zijn bewustzijn en zelfkennis in verwarring gebracht. Zijn opdracht is het nu zich van zijn originele verbondenheid met zijn Levensbron en haar wet opnieuw bewust te worden. En, zoals de nieuwe wijn niet thuis hoort in oude zakken en een nieuw kleed geen verstelling behoeft met een oud stuk stof, zo heeft het nieuwe geen boodschap aan het oude…

Van de oeroude menselijke droom eeuwig te kunnen doorleven heeft Jezus zich dus gedistantieerd. Wel houdt hij ons voor dat de realisatie van het Koninkrijk een innerlijke ervaring is, waarin het individuele bewustzijn een essentiële rol te vervullen heeft. Hij nodigt de mens uit echte levenswaarden binnen zijn natuurlijke omgeving te erkennen en zich te laten leiden door de universele wet van harmonie : de expressie van een creatieve Geest aan de oorsprong van alle levensvormen en hun evolutie. Wanneer we ons ontvankelijk maken voor Zijn inspiratie kunnen we ons ook bewust worden van Zijn aanwezigheid binnenin onszelf. Die ervaring van verbondenheid, die Jezus visualiseerde in het beeld van een zoon-vader relatie, bevestigt onze integratie hier en nu in een spirituele werkelijkheid. Een vader die vertrouwen inboezemt, geen angst zoals de bijbelse God, en waarvan we allen, net als hijzelf, de kinderen zijn. Die spirituele verbondenheid in zichzelf erkennen betekent voor iedere mens het bewustzijn van zijn integratie in het koningschap van de Vader. Een bewustzijn dat van elke speculatie omtrent een eeuwig leven een overbodige bezorgdheid maakt. Want het spirituele is tijdloos… Zo wordt ook duidelijk dat de verwachting van de komst van een Messias enkel kan behoren tot een bijbelse illusie.

Helaas werd de nieuwe wijn toch aan oude zakken toevertrouwd… Blijkbaar was het collectieve religieuze bewustzijn zo sterk aan het bijbelse erfgoed gehecht, dat hierdoor een elementaire mentale vrijheid aan banden werd gelegd. Een disponibiliteit voor nieuwe, van het oude onthechte inzichten, bleek niet voldoende aanwezig. Niet aan zijn onderricht maar aan zijn offer aan het kruis werd een universeel verlossende waarde toegekend… Met dank aan Paulus haalde de joodse traditie het dus op het onderricht van Jezus, wiens naam werd ingeruild voor die van Christus, de ultieme en goddelijke Messias. Het zal dan ook niemand verbazen dat de kerkelijke overheid de bevrijdende inhoud in het evangelie van Thomas gewoon naast zich neerlegt als een apocriefe dissidentie.

Het bestaan in het vroege christendom van een aantal apocriefe geschriften is een bekend gegeven. De vondst nabij Nag Hammadi verhoogde evenwel hun aantal op een indrukwekkende wijze. Die verzameling kreeg de kwalificatie “gnostisch” mee, een naam die evenwel een grote diversiteit aan inzichten dekt. Zo is eenheid het centrale thema in het Thomasevangelie, daar waar gnosis vooral met dualisme wordt geassocieerd. Jezus getuigt hierin dat het lagere en het hogere, de schepping en de scheppende Geest, één zijn zoals in een bron het water en de leegte één zijn. Dit eeheidsbewustzijn, dat de revelatie inhoudt van een spirituele aanwezigheid binnenin ieder van ons, betekent voor Jezus de ware toegang tot het goddelijke Koningschap, waarvan de mens nooit gescheiden was, tenzij door zijn verstoorde bewustzijn.   

Maar wie is de man aan wie we deze bijzondere getuigenis te danken hebben ? De auteurs van de Bijbelschool van Jeruzalem zijn in hun studie immers de mening toegedaan dat dit evangelie voortijdig is aan de redactie van de canonische evangeliën. De naam die aan de auteur ervan wordt toegekend is Didymos Judas Thomas. Gezien zowel Didymos als Thomas bijnamen zijn, die beide verwijzen naar de hoedanigheid van tweeling, blijft enkel Judas als reële naam over. In de evangeliën is Judas evenwel een vaak voorkomende naam. Zo wordt hij o.m. toegekend aan één van de broeders van Jezus. Misschien was hij wel, net als Jacobus, één van de vier zonen die Jozef uit een eerste huwelijk zou hebben gehad, en dus een halfbroer van Jezus. Deze zou hem, omwille van hun bijzondere verbondenheid, beschouwd kunnen hebben als zijn “spirituele” tweelingbroer, als zijn Thomas...

Die veronderstelling zal ongetwijfeld enige verbazing wekken. Toch horen we te erkennen dat onze kennis omtrent de levensloop van Jezus, meer bepaald van de talrijke jaren die aan zijn publieke optreden zijn voorafgegaan, ongehoord karig is. Welke weg is hij gegaan om tot het bewustzijn te komen waarvan hij getuigde ? Waar onwetendheid is, ontstaat ruimte voor verbeelding, voor wonderlijke verhalen ook. Is het evenwel onrealistisch te veronderstellen dat hij, via een “vlucht naar Egypte”, kennis zou hebben gemaakt met oosterse religieuze tradities, zoals het hindoeïsme of het boeddhisme…? Misschien heeft zijn nieuwsgierigheid hem ooit naar die streken gevoerd… Gezien het bewustzijn waarvan hij volgens Thomas getuigde, en vooral de weg waartoe hij ons uitnodigt om tot dit bewustzijn toegang te hebben, valt die veronderstelling zeker niet weg te vlakken. Zou de latere aanwezigheid van Thomas in India, waar hij overigens overleed, hiervoor een indicatie kunnen zijn…?

Ook valt het op dat enkel het Johannesevangelie een bijzondere aandacht heeft voor de apostel Thomas. Is het voorstelbaar dat de gemeenschap, die zich in het spoor van “een” Johannes vormde en die de “ongelovige” discipel Judas Thomas duidelijk niet welgezind was, zover zou zijn gegaan dat zij hem zou hebben beschouwd als een “verrader” van Jezus en diens goede boodschap…? In een grondige vergelijkende studie tussen het evangelie van Thomas en dit van Johannes kwamen de Amerikaanse theologe Elaine Pagels en haar collega’s tot het besluit dat het Johannesevangelie zou zijn ontstaan als een reactie op dit van Thomas. (*) Soms kunnen wetenschappelijke investeringen leiden tot opmerkelijke conclusies ! Zou het daarom ook onzinnig zijn een verband te overwegen tussen Judas Thomas en Judas Iskariot…? Is het denkbaar dat die Iskariot zou zijn opgevoerd als symbool voor de verstorende inzichten waarvan een ongelovige discipel getuigde...? Immers, volgens het recent ontdekte evangelie van “een” Judas, zou die man een bijzondere band met Jezus hebben gehad.

(*) Ketters en rechtgelovigen  Hfdst.2  E.Pagels   Servire

Om van zijn verbondenheid met een innerlijke inspiratiebron te getuigen, deed Jezus beroep op het beeld van een zoon-vader relatie. Van een beeld is het de functie een verborgen werkelijkheid beter toegankelijk te maken. Hoe dit beeld door zijn toehoorders werd gepercipieerd is onduidelijk. Wel duidelijk is dat beeld en werkelijkheid werden verward. Van die verwarring maakten vooral de farizeeërs dankbaar gebruik. Zij beschuldigden Jezus ervan hun God als zijn ware vader te beschouwen, wat uiteraard een onaanvaardbare godslastering was. Een verwarring die later zou worden bevestigd door de perceptie van Paulus en een onherroepelijke scheiding tussen het nieuwe en het oude geloof met zich meebracht.

Hierdoor werd de erkenning van een verbondenheid tussen beide uiteraard een delicate aangelegenheid, die overigens uitsluitend voor het nieuwe geloof belangrijk was. Want haar geloofwaardigheid stond hier op het spel ! Volgens de christelijke traditie zou die erkenning bevestigd zijn tijdens een ultieme samenkomst met zijn discipelen, die het Laatste Avondmaal werd genoemd. Een bijzonder samenzijn overigens, waarbij Jezus, naar het beeld van het verbond dat God ooit met Mozes sloot (Exodus 24,8), het nieuwe verbond instelde. Opvallend is bovendien dat de woorden, die Jezus bij die gelegenheid zou hebben uitgesproken, zowat de enige zijn die Paulus ooit vermeldde. (1Kor. 11, 23-33) Wat hun geloofwaardigheid overigens niet ten goede komt… Het valt inderdaad te betwijfelen of Jezus, zoals Thomas hem ons onthult, die woorden ooit in de mond zou hebben genomen…  

De consequentie van dit alles is dat, voor de christenen althans, het Nieuwe Testament niet enkel deel uitmaakt van de Bijbel maar bovendien de ultieme realisatie ervan verwoordt. Want, met dank aan Paulus, was de bijbelse Messias nu bekend. De consequentie ervan, de komst van het Koningrijk, laat echter nog steeds op zich wachten…   

 

 

 

Nabeschouwing

 

 

Deze overwegingen leiden onvermijdelijk tot die ene belangrijke vraag : werd het onderricht van Jezus gediend door het amalgaam van het oude en het nieuwe of is hierdoor de essentie van zijn bijzondere boodschap de mist ingegaan ? Paulus, die zijn joodse roots trouw bleef en Jezus erkende als de ultieme Messias, slaagde erin zijn evangelie te verkondigen aan de niet-joden doorheen Klein-Azië, van Ephese tot in Griekenland en Rome. De verlossende waarde, die Paulus aan de kruisdood van Jezus toekende, lag evenwel aan de oorsprong van een ongehoorde religieuze omwenteling. Want ook voor niet-joden was voortaan de weg vrijgemaakt voor een paradijselijke toekomst na dit leven. Dit was als het ware het geheime wapen van Paulus, dat later door Athanasius zou worden bevestigd, wanneer hij het christelijke geloof en zijn rituelen “het medicament voor de eeuwigheid” noemde.

Dit geheime wapen was uiteraard pas na de dood van Jezus beschikbaar. Maar, zoals we reeds aanhaalden, was Paulus vooral onwetend omtrent het onderricht van de man die hij vergoddelijkte. Aan een onwetende valt geen fout aan te rekenen… Heeft hij evenwel geen misbruik gemaakt van uitzonderlijke omstandigheden teneinde een eigen fantastische droom waar te maken…? Zo werd het onderricht van Jezus tenslotte herleid tot een uitzonderlijke “blijde boodschap” waarin, zoveel meer dan aan de inhoud ervan, aan de verlossende waarde van het kruis een exclusieve rol werd toebedeeld.

Ooit was het concept toegang te verkrijgen tot een goddelijk Koninkrijk het voorrecht van een beperkte Hebreeuwse gemeenschap. Zij beschouwde immers zichzelf als het door hun God uitverkoren volk. Eens zou YHWH in een apocalyptisch gebeuren Zijn Koninkrijk onder hen komen vestigen. Tot die conclusie waren de bijbelschrijvers gekomen op grond van verhalen over Abraham, Mozes en zovele koningen en profeten. Meer dan een lokaal religieus fenomeen, waarin een oeroude menselijke droom toegang te hebben tot een eeuwig leven werd bevestigd, was dit echter niet. Het is opmerkelijk dat latere wereldgodsdiensten, zoals het christendom en de islam, die droom hebben opgepikt. Hun beschouwingen omtrent een niet te bevatten goddelijke werkelijkheid aan de oorsprong van de schepping mogen dan wel verschillen, die recuperatie liet hen toe in te spelen op het universele menselijke verlangen naar onsterflijkheid.

Aan ieder van ons is de vrijheid gegeven een passend onderscheid te maken tussen het oude en het nieuwe en te oordelen over de gevolgen van de cocktail die ervan werd gemaakt. Toch blijkt een belangrijke meerderheid onder de mensen zoveel meer te houden van extatische dromen en wonderlijke verhalen dan van een existentieel onderricht, dat ieder individueel bewustzijn een realistisch inzicht voorhoudt. De verwachting van een reëel apocalyptisch gebeuren werd dus door Jezus bijgestuurd en vervangen door de uitnodiging een innerlijke zoekende weg te gaan, die noodzakelijk is om in dit leven tot een harmonische beleving te komen. Zijn onderricht is even praktisch en universeel als dit van de Boeddha, zes honderd jaren vóór hem. Maar beide wijze meesters hebben evenwel af te rekenen gehad met een recuperatie van hun onderricht door bestaande religieuze tradities, die aanleiding gaven tot verstorende interpretaties, manipulaties en rituelen.

Of en hoe men door de uitnodiging van Jezus wordt aangesproken is afhankelijk van de toestand van ieder individueel bewustzijn. Hoe meer bevrijd dit bewustzijn is, hoe meer het onthecht is van door anderen geponeerde waarheden, des te meer het beschikbaar zal zijn voor de ervaring van het nieuwe. Ik ben weg, waarheid en leven... Maar, geen afgebakende weg, geen opgelegde waarheid, geen geconditioneerd leven

Ongeacht de dogmatische waarheden, die ons omtrent de persoon van Jezus door een autoritair kerkelijk gezag worden voorgehouden, zien vele christenen in hem vooral een ideaal mensbeeld dat na te volgen is. Die ingesteldheid zal het ongetwijfeld best kunnen vinden met wat Jezus ons in het Thomasevangelie voorhoudt. Weliswaar is hierin het beeld van een wijze filosoof meer aan de orde dan dit van een buitengewoon liefhebbende man. Maar misschien is het precies dit straaltje van wijsheid dat we ontberen om tot een juiste inschatting te komen van een religieuze werkelijkheid, waarvan het inzicht niet genetisch overdraagbaar is, maar stoelt op vrijheid en universaliteit. De uitdrukking ervan kenmerkt zich door een harmonische samengaan van emoties en redelijkheid, van liefde en intelligentie. Dit is de uitdaging die het nieuwe ons voorhoudt.


Home