een ontmoeting met bijzondere gidsen

 

 

Krishna,  Boeddha  en  Jezus

 

 

 

        

Voorbeschouwing

 

 

De behoefte van de mens op zoek te gaan naar een antwoord op existentiële vragen is blijkbaar van alle tijden en van alle culturen. De ontwikkeling van elke primitieve gemeenschap getuigt immers vrij snel van een religieuze component, die in wezen een bevraging inhoudt naar zijn relatie met een hogere werkelijkheid aan de oorsprong van zijn bestaan. Waarom werd hij als mens gedropt in een meestal weinig gastvrije omgeving, karig bevolkt met soortgenoten, die vooral oog hadden voor hun eigen overleving ? Aan welke wetten hoorde hij te voldoen om dit leven op een bevredigende manier te beleven ? Binnen de geborgenheid van de eigen leefgemeenschap vertrouwde hij op de aanwezigheid van gezaghebbende personen, die kennis in pacht hadden, en dus konden instaan voor een betrouwbare begeleiding. Hij had ook geen andere keus, tenzij het in vraagstellen van de geloofwaardigheid van die personen.

De natuurlijke evolutie en de hierbij horende ontwikkeling van zijn bewustzijn zorgden er evenwel voor dat hij geleidelijk zijn grenzen verlegde. Zo ontdekte hij dat ook andere gemeenschappen zijn aanwezigheid op wat hij als zijn territorium beschouwde deelden. Wat aanvankelijk tot een confrontatie leidde evolueerde tenslotte tot een meer uitgebreide samenleving. Zo maakte hij kennis met andere gebruiken, met andere wetten ook. Die ontwikkeling werd door onze wetenschappers vrij nauwkeurig in kaart gebracht. Toch blijft het een boeiende bevraging hoe zo uiteenlopende levensbeschouwelijke en dus religieuze inzichten zich in een waaier aan culturen hebben verankerd. Want nu beschikken we over de mogelijkheid in een mentale vrijheid kennis te kunnen maken met een indrukwekkende diversiteit aan voorgehouden antwoorden. Nieuwgierigheid is de universele drijfveer voor het vergaren van kennis. Nieuwe culturen ontdekken en eigen religieuze overtuigingen op alternatieve inzichten toetsen werd voor velen een uitdagende ervaring.

Toch ligt het niet voor de hand de geloofsovertuiging, die we van onze ouders hebben meegekregen en eveneens op een eeuwenoude traditie berust, zo maar in vraag te stellen. Dit ondervond destijds ook Jezus… Strijden tegen oude zekerheden is evenwel geen zinvolle optie. Een positief alternatief voorstellen is het wel ! Hoe sterk is evenwel onze behoefte te luisteren naar anderen, die voor ons vaak “vreemdelingen” zijn ? Hoe realistisch is onze bereidheid gehechtheden los te laten en, in een mentale vrijheid, ons bewustzijn open te stellen voor minder bekende religieuze belevingsvormen. Of, hoe dwingend is de conditionering waar onze genetische gebondenheid verantwoordelijk voor is ?

We kunnen niet ontkennen dat elke zoektocht naar religieuze waarden de confrontatie inhoudt met een niet te bevatten werkelijkheid, waarmee we de oorzaak van onze aanwezigheid op deze planeet verbinden. Hierdoor overstijgt die relatie evenwel onze mentale vaardigheden van kennis of inzicht, waardoor het “onbevattelijke” vlot een bron werd van angst. Om hieraan te verhelpen en een beangstigende werkelijkheid te ontmaskeren, namen gezagdragers toevlucht genomen tot hun verbeelding. Het onbevattelijke werd in beeld gebracht… Is verbeelding evenwel het meest aangewezen middel om een gebrek aan kennis te compenseren ? Hoe geloofwaardig kan zo’n kennis zijn ? Bestaat er soms geen meer realistische weg die kan toelaten onze behoefte aan inzicht in een verbondenheid met een “hogere” werkelijkheid iets juister in te schatten ?

We kunnen ons inderdaad de vraag stellen of het onkenbare “hogere” een zodanige aanslag op onze kwetsbaarheid betekent, dat het noodzakelijker wijze moet resulteren in existentiële angsten ? De onwetendheid omtrent onze bestaansbron en onze finaliteit in dit leven is toch niet van die aard, dat we onze dagelijkse beleving erdoor als beangstigend hoeven te ervaren. Want, alles wel overwogen, is het onbevattelijke toch niet zó onbekend... Indien het aan de oorsprong ligt van de natuurlijke werkelijkheid waarin we leven, en het zich blijvend doorheen de natuur manifesteert, reveleert het ons een creatieve wet waarin harmonie een hoofdrol blijkt te vervullen. Stap voor stap onthulde de wetenschap ons inderdaad dat, van het allerkleinste tot in het onmeetbare kosmische, niets toevallig gebeurt, maar dat elke stap in de natuurlijke evolutie de consequentie is van een geordend en dus harmonisch samengaan van elk onderdeel. In een wonderbaarlijke gulheid van expressies getuigt de natuur van een buitengewone scheppingskracht, die zich uitdrukt doorheen een creatieve symbiose. Bovendien ligt de natuurlijke evolutie aan de oorsprong van het ontluiken van het menselijke bewustzijn. Hoort een dergelijk creatief potentieel, ook al ontsnapt het aan ons begripsvermogen, niet eerder vertrouwen in te boezemen dan angst...?

Toch kunnen we ook niet om de vaststelling heen dat het leven vaak meer zorgen baart dan blijdschap, meer beproevingen dan vreugde, meer lijden dan geluk... Wat is de oorzaak van die niet zo harmonische ervaringen ? Zijn zij toe te schrijven aan een almachtige God of zou een satanische macht ons geluk doorkruisen ? Betekenen onze beproevingen soms noodzakelijk te overwinnen hindernissen, waardoor we het totale potentieel van onze vaardigheden efficiënter kunnen erkennen en ontwikkelen ? Is de mens soms niet zelf de oorzaak van zijn eigen onheil en dat van anderen ? Maakt hij wel op een juiste wijze gebruik van de vrijheid die hem is toevertrouwd ? Zou dit, dat we als een vitale disfunctie ervaren, geen diepere introspectie behoeven, waardoor we de zin ervan correcter kunnen inschatten ? Een dergelijke bevraging lag aan de basis van de zoektocht, die ooit de Boeddha ondernam.  

De drie monotheïstische godsdiensten : het judaïsme, het christendom en de islam, die allen geworteld zijn in de Hebreeuwse Bijbel, houden ons een beeld voor van een God, die zowel almachtig als barmachtig is. Die onmiskenbaar antropomorfische voorstelling van een nochtans niet te bevatten werkelijkheid vindt haar oorsprong in een aantal revelaties, die aan bijzondere wezens, profeten genaamd, zouden zijn toevertrouwd. Hoewel hun God uniek is, werden Zijn beeld en de inhoud van Zijn wil mede bepaald door voorouderlijke tradities aanwezig in de diverse culturen. Hiervan is de mannelijke dominantie in religieuze aangelegenheden een niet te miskennen getuigenis. Ondanks de vaststelling dat alle wezens op aarde gelijk zijn ten aanzien van eenzelfde levenswet - wat een essentieel onderdeel is van het religieuze principe - kunnen we niet om de vaststelling heen dat godsdiensten een ruim aandeel hebben gehad in het tot stand komen van verdeelheden en discriminaties onder de volkeren.

Welke sinistere ingeving dreef mensen ertoe zich in te beelden dat hun geloof in een religieus concept hen, bij de gratie van eenzelfde God, onderscheidde van, ja zelfs superieur maakte aan anderen ? Hoe kon het competitie-instinct, dat nog zo prominent aanwezig was bij hun genetische voorouders, hun zin voor verantwoordelijkheid zo diepgaand verstoren ? Want één van de keuzen waartoe onze mentale vrijheid ons uitnodigt is : ben ik dienaar of meester...? Hoe is het te verklaren dat het antagonisme tussen ambitie en nederigheid hun verantwoordelijkheidsbesef dusdanig in verlegenheid bracht...?

Hoewel het hier geen dilemma betreft - nederigheid en ambitie hoeven niet noodzakelijk onverenigbaar te zijn - toch houdt hun relatie een uitdaging in, waarbij vooral de zin voor maat nadrukkelijk wordt aangesproken. Hoe gaan we om met tegengestelde impulsen als egocentrisme en altruïsme, die we allen in onszelf ervaren ? Zowel evenwicht als maat maken deel uit van het principe van harmonie. Wanneer echter de persoonlijke ambitie gaat overheersen, wijkt de zin voor bescheidenheid en wenkt een vertroebeling in de perceptie van de waarde van harmonie. Zo komt een fundamenteel evenwicht in gevaar, waardoor disharmonie dreigt te ontstaan. Hiervan zijn verstoringen het onvermijdelijke gevolg. Wanneer een gezag, dat hoort ten dienste te staan van de onwetende medemens, diens vrijheid misbruikt door zich aan hem op te dringen, ontaardt het in een dwingende macht, die zijn eigen wetten poneert. Natuurlijke principes als vrijheid, gelijkheid en solidariteit ruimen dan de plaats voor discriminaties, waarvan confrontaties het fatale gevolg zijn. De geschiedenis van de voorbije twintig eeuwen illustreert hoe diepgaand dit conflict de evolutie in onze samenleving heeft getekend. We kunnen inderdaad niet om de vaststelling heen hoezeer gezagdragers zijn tekort geschoten in een correcte perceptie van hun verantwoordelijkheid. Ook godsdiensten zijn niet bij machte gebleken te weerstaan aan de verleiding hun gezag om te zetten in macht. De dienaar promoveerde zichzelf tot meester...  

Anderzijds horen we ook te erkennen dat de “waarheden”, die door de diverse godsdiensten worden voorgehouden, de verdienste hebben gehad en nog steeds hebben aan velen een antwoord te bieden op existentiële onzekerheden. Bovendien hebben zij, in naam van hun Godsbeeld, bijgedragen tot het vrijwaren van morele waarden, die een quasi-cultureel draagvlak hebben verkregen. Toch overheerst nog steeds de vraag hoe reëel de waarde is van de weg van kennis en realisatie die godsdiensten ons voorhouden en van de bovennatuurlijke levensverzekering die zij aanbieden.

Onafhankelijk van antwoorden, die door autoritaire religieuze leiders werden aangereikt, weerklonken reeds in een ver verleden onverwachte stemmen, die bevrijdende ideeën in zich droegen. Zij zijn vooral afkomstig uit het oostelijke deel van onze planeet en getuigen van een vrije en introspectieve benadering van de relatie tussen de mens en de wet die zijn leven stuurt. Hun boodschap berust niet op een door angst overheerst concept van een onkenbare werkelijkheid, maar op een juistere zelfkennis en inzicht in de hoedanigheden waarover we beschikken. Het principe dat zij voorstaan is dat elke existentiële kennis berust in het gaan van een innerlijke weg van zoeken en ervaren. Die weg is de tao, die ons toelaat een juistere kennis te verwerven omtrent onszelf en de dharma, de universele levenswet. Een pad, dat niet langer door de overtuiging van anderen wordt bepaald, maar zich realiseert doorheen een persoonlijke beleving. Dit empirische principe houdt evenwel in dat de waarde van de weg die gegaan wordt rechtstreeks afhankelijk is van de toestand van elk individueel bewustzijn.

Het voornaamste bezwaar, dat een dergelijk engagement inhoudt, is dat het leidt tot inzichten die vaak moeilijk communiceerbaar zijn. Want ook een uitgelezen gids kan van die weg slechts de richting duiden. De realiteit, die zich gaandeweg onthult, overstijgt immers de dualiteit die zo kenmerkend is voor de relatieve werkelijkheid waarin we vertoeven en communiceren. De "wereld der verschijnselen" en haar immense verscheidenheid vertegenwoordigen slechts het manifeste aspect van een ongedifferentieerd want absoluut Zijn, dat aan de oorsprong ervan ligt. Uit Eén is twee ontstaan...

Indien het “Éne” de bron voorstelt van de diversiteit waarvan het natuurlijke leven getuigt, hoort elke correcte realisatie van de weg te leiden tot de erkenning van dit eenheidsbeginsel, waar zowel yoga als religie voor staan. Is het evenwel voorstelbaar dat we, op welke wijze ook, toegang kunnen hebben tot een ongedifferentieerde werkelijkheid, of dat we ons minstens bewust kunnen worden van de band die ons met haar verbindt ?  

Het beantwoorden van zo’n existentiële vraag vereist uiteraard enige realistische voorzichtigheid. Want, ook indien sommige getuigenissen onze nieuwsgierigheid prikkelen, stoten zij zich tevens aan de rede, de behoedster van onze intelligentie. De rede fungeert inderdaad als een soort rationele dwangbuis, die ons ervan weerhoudt toegang te hebben tot hoogst ongewone wegen van kennis. Maar, hoever reikt ons inzicht in de mogelijkheden van het menselijke bewustzijn...? Heeft de rede steeds het gelijk aan haar zijde...? Is het rationeel ontoegankelijke werkelijk ontoegankelijk...? Kunnen die verre en vreemde wegen van kennis soms niet de getuigenis inhouden van een mogelijke toegang tot een onvermoed en onontgonnen potentieel in ons bewustzijn...?

Er bestaat een vrij indrukwekkend aantal van verhalen omtrent personen, die ooit toegang zouden hebben gehad tot een mystieke ervaring of een of andere esoterische kennis. Zijn we evenwel in staat hun getuigenissen juist in te schatten ? Zijn hun intenties, hun oprechtheid of de graad van harmonie in hun bewustzijn correct te beoordelen ? Is de ervaring van een door emoties min of meer vertroebelde psyche te onderscheiden van die welke zou zijn toe te schrijven aan een spirituele ingeving uit een niet nader te benoemen bron ? En, indien een dergelijke inspiratie werkelijk aanwezig was, hoe werd zij door anderen begrepen en verwoord ?

We raken hier de grens waar onze intelligentie terugdeinst voor de hypothese van een mogelijke perceptie van een spirituele inflow, die haar bron heeft in een van de onze totaal verschillende realiteit. Toch confronteert de observatie van het natuurlijke leven en van het instinct dat de dieren leidt ons evenzeer met de expressie van een subtiele leven ondersteunende energie, waarvan de oorzaak nog steeds elke wetenschappelijke verklaring overstijgt. Hoe weet een pasgeboren diertje hoe op zoek te gaan naar de tepels van zijn moeder ? Welke mysterieuze gids leidt de zalm terug naar zijn geboorteplek ? Bij deze en zoveel meer intrigerende vragen kunnen we enkel de betrekkelijkheid van onze kennis   vaststellen…

Gezien ook de mens deel uitmaakt van de natuur, ligt het voor de hand aan te nemen dat ook hij beschikking heeft over eenzelfde leidinggevende inspiratie. Kan het bewustzijn zich echter ook beroepen op een zodanige staat van alertheid of zuiverheid, dat het die inspirerende aanwezigheid bewust kan ervaren ? Indien we in staat zijn primaire instincten in een onbewuste fractie van ons bewustzijn te onderkennen, is het dan onwezenlijk te veronderstellen dat we ons bovendien ook bewust kunnen worden van een inspiratie uit een “hogere” bron en hierdoor van onze betrokkenheid in die bron ? Het mag evenwel duidelijk zijn dat de waarde van elke zoektocht naar een existentiële kennis slechts kan worden gewaardeerd door hen die zich bewust betrokken voelen bij de levensvraag : wie ben ik...?

Want het gaan van een realistische religieuze weg heeft niet tot doel zich een kennis van het onkenbare aan te meten, wel een juiste inschatting te maken van onze persoonlijke betrokkenheid in de realisatie van dit leven. Beantwoordt mijn aanwezigheid aan die van een tijdelijk en begrensd partikeltje, dat deel uitmaakt van een onmetelijk groot geheel, of werden aan dit nietige deeltje ook een precieze opdracht en een eigen verantwoordelijkheid toebedeeld binnen de evolutie van een kosmisch gebeuren ? Bovendien kan het ons ook niet ontgaan dat de talenten, die we in onszelf erkennen en ook zo graag aan onszelf toekennen, ons slechts zijn toevertrouwd de tijd dat het leven duurt. Zij betreffen dus veeleer een tijdelijk bruikleen dan een eigen bezit. Toch zijn zij het die onze fierheid voeden... Maar aan wie of wat behoren zij dan werkelijk toe ? En vooral : wat is de natuur van de band die ons met die schenkende bron verbindt ? Dergelijke overwegingen maken duidelijk dat een juiste appreciatie van onze aanwezigheid in dit leven de essentie uitmaakt van elke realistische religieuze zoektocht.

 

 

 

Onze bronnen van kennis

 

Van de drie bronnen van kennis die we hier voorstellen zijn er twee die hun wortels hebben in het huidige India en dateren uit het eerste millennium vóór onze jaartelling. Vrij algemeen wordt aangenomen dat de Bhagavad Gita, de upanishad waarin de lering van Krishna wordt verkondigd, ter schrift werd gesteld tussen de vijfde en de tweede eeuw. De mondelinge overlevering ervan heeft vermoedelijk nochtans heel wat eeuwen getrotseerd. Ook omtrent een precieze duiding van de geboortedatum van de Boeddha bestaan twijfels. Men neemt aan dat hij werd geboren rond de zesde eeuw vóór onze jaartelling in het noordwesten van India. Daar waar de Boeddha een reële persoon is geweest, wordt Krishna erkend als een avatar of incarnatie van de god Vishnu. Hij hoort dus beschouwd te worden als een mythologische vertolker van menselijke inzichten.

Een niet onbelangrijke vaststelling is dat het optreden van de Boeddha, dat in China een navolging kreeg in personen als Lao Tseu en Confucius, ook samenviel met de aanwezigheid van Zarathustra in Perzië en, in het oostelijke deel van het middellandse zeegebied, met die van bijbelse profeten en van buitengewone figuren zoals Socrates, Plato en Aristoteles. Die periode, die zich uitstrekt van de achtste tot de tweede eeuw vóór onze tijdrekening en aan de basis ligt, zowel van belangrijke wereldgodsdiensten als van ingrijpende ideologische stromingen, werd door de Duitse filosoof Karl Jaspers gedefinieerd als het axiale tijdperk.

Het gemeenschappelijke kenmerk van die vernieuwende stromingen is de oproep tot een persoonlijke introspectie en bewustwording ten aanzien van bestaande religieuze praktijken, die vooral in de ban waren van magische krachten. Hun boodschap richtte zich rechtstreeks tot het volk, zonder rekening te houden met gevestigde religieuze praktijken. In India werd de religieuze beleving geleid door brahmanen, de bezitters van de vedische kennis. De oorsprong van de Veda's, een woord dat kennis betekent, ligt verborgen in een ver verleden van het Indische subcontinent. Hierin werd de lagere of relatieve wereld beschouwd als de projectie van een hogere werkelijkheid, bestaande uit een groot aantal goden en godinnen. De band, die beide realiteiten verbindt, zou het gevolg zijn geweest van een oeroffer dat door de oppergod Brahma zou zijn geplengd. Dit verklaart het belang van de magie van het vuur en het offer in de religieuze beleving. Die praktijken waren echter als het ware versteend geraakt in hun met een traditie verbonden gebruiken. De vedische kennis leek meer op een sarcofaag, zorgvuldig afgeschermd door brahmanen, die zowel bewust waren van, als bezorgd om, hun invloed op het volk.

Gezien het leven echter geen verstarde maar een evolutieve werkelijkheid is, was de bewustwording van een dergelijk immobilisme onvermijdelijk geworden. Aangedreven door een economische evolutie, die zowel de landbouw als de handel bevorderde, ontwikkelden zich vernieuwende denkpatronen. De mensen werden zich bewust dat hun vrijheid, de noodzakelijke basis voor het waarmaken van een persoonlijke verantwoordelijkheid, in wezen gegijzeld werd door religieuze leiders. We kunnen nu reeds vermelden dat Jezus, in zijn tijd, tot een gelijkaardige vaststelling kwam. Overigens zullen sommigen niet nalaten de vergelijking te maken met het dogmatische conservatisme, dat eeuwenlang door katholieke Kerk in stand werd gehouden, en eveneens aanleiding gaf tot indrukwekkende reacties. Het lijkt ons daarom aangewezen de vernieuwende inzichten, die zich toen manifesteerden, niet enkel te beschouwen als een lokaal fenomeen maar hen een meer globale betekenis toe te kennen. Want evolutie is een universeel fenomeen en de geschiedenis herhaalt zich voortdurend...

Het onderricht van Krishna is ons dus bekend door de Bhagavad Gita, de upanishad die in India het meest in eer wordt gehouden en ook in de westerse wereld op een zeker aanzien kan bogen. Hij ligt immers aan de basis van wereldwijd verspreide praktijken van yoga en meditatie. De upanishaden zijn romaneske verhalen, die werden geconcipieerd teneinde de vedische kennis meer toegankelijk te maken voor het gewone volk. Zij worden beschouwd als de voedingsbodem van het hindoe geloof. De vedische basisgedachte houdt in dat elk wezen een individuele uitdrukking is van een ongedifferentieerde levensbron, Brahma genaamd. De diepere natuur van ieder zelf hoort dus in een eenheid te worden gezien met Dit waarin het geworteld is. Gezien, in dit relatieve bestaan, de uitdrukking van het Brahma-principe zich manifesteert in een voortdurende interactie van energie en materie, in een dualiteit die tegengestelden genereert, beantwoordt onze lichamelijke verschijningsvorm slechts gedeeltelijk aan zijn diepere natuur. Want in ieder lichaam schuilt een ziel - de atman of het ware zelf - die verankerd is in haar tijdloze en absolute bron. Omdat de atman is ingepakt in een stoffelijk omhulsel, is hij veroordeeld tot steeds weerkerende incarnaties. De bewustwording van de ware natuur van het zelf profileert zich zo als de weg die kan leiden tot een bevrijding uit die fatale kringloop, samsara genaamd.

Het onderricht dat de Bhagavad Gita ons aanbiedt ontwikkelt zich tegen de achtergrond van een broederstrijd tussen de Pandavas en de Kauravas, die tot eenzelfde koninklijke familie behoren. Nadat een door Krishna ondernomen bemiddeling niet het verhoopte resultaat had opgeleverd en een confrontatie dus onvermijdelijk leek, nodigde Arjuna, de feilloze boogschutter bezield met een verheven gevoel voor het vervullen van zijn plicht, Krishna uit te fungeren als de menner van zijn strijdwagen. Vanop een hoogte overschouwen zij samen het strijdtoneel. De aanblik van de aanwezigheid van eerbare voorouders in het vijandige kamp weerhoudt Arjuna ervan een zinloze strijd aan te gaan. Hierop ontwikkelt zich een dialoog, die Krishna de gelegenheid biedt zijn visie op existentiële waarden en hun praktische toepassing toe te lichten.  

 

De levensloop van de Boeddha is verpakt in een aantal verhalen, waarvan de geloofwaardigheid vaak moeilijk te achterhalen is. Indien zij niet steeds naar de letter horen te worden genomen, kan de symbolische waarde ervan niettemin betekenisvol zijn. Zo leert de traditie ons dat de jeugd van Siddharta Gautama zou zijn verlopen in een uiterst elitaire, quasi-prinselijke omgeving. Nadat hij in het huwelijk was getreden en vader geworden was, zou hij met de hulp van een dienstknecht zijn bevoorrechte geborgenheid heimelijk zijn ontvlucht en kennis hebben genomen van een van de zijne totaal verschillende leefwereld. Die ervaring onthulde hem een realiteit van menselijk lijden en aftakeling en zou hem in een toestand van totale ontreddering hebben gebracht. Wat was nog de zin van dit leven indien het resulteerde in dergelijke pijnlijke toestanden, waaraan noch hijzelf, noch de zijnen zouden kunnen ontkomen ?

Innerlijk overtuigd dat het niet de finaliteit van het leven kon zijn zoveel lijden te produceren, nam hij het besluit zijn familie vaarwel te zeggen en op zoek te gaan naar een kennis, die hem een juister inzicht in de levenswet kon bijbrengen. Hij zou toen de leeftijd van negenentwintig jaar hebben bereikt. Hierop vervoegde hij de gemeenschap van rondtrekkende monniken, in de hoop een gids te vinden die hem een bevrijdende weg zou aanwijzen. Dit was het begin van een lange zoekende tocht die, van ervaring tot ervaring, van ontgoocheling tot onthulling, leidde tot een bewustzijn van totale "ontwaking" - de naam Boeddha betekent : hij die ontwaakt is - en tot een fundamenteel pragmatische perceptie van existentiële waarden. Het onderricht, dat hieruit resulteerde, werd verwoord in talrijke geschriften waarvan de Pali canon, die deel uitmaakt van de Theravada traditie, de belangrijkste blijkt te zijn. De overlevering ervan heeft aanleiding gegeven tot diverse stromingen in het boeddhisme zoals de mahayana, de hinayama, het zen boeddhisme en andere.

Gezien er, enerzijds, terechte vragen worden gesteld bij de authenticiteit van een aantal uitspraken en verhalen en, anderzijds, een kritische instelling bij het beluisteren van zijn onderricht aanwezig hoort te zijn, leek het ons aangewezen het risico van ongeloofwaardigheid zoveel als mogelijk in te perken. We hebben er daarom voor gekozen onze aandacht vooral te richten op de moeizame weg die de Boeddha is gegaan en die resulteerde in de formulering van de vier edele waarheden omtrent het lijden en van de acht aanbevelingen, die het pad van de gulden middenweg begeleiden.

 

Een analoog probleem stelt zich wanneer we ons een realistisch beeld trachten te vormen van de levensloop van Jezus. Hoewel diens openbare leven heel wat korter is geweest dan dit van de Boeddha - ook hier zijn we afhankelijk van niet feilloze veronderstellingen - maakte zijn aanwezigheid eveneens het voorwerp uit van talrijke en wonderbaarlijke verhalen. Welke geloofwaardigheid horen we eraan toe te kennen ? En vooral : hoe maken we een juist onderscheid tussen de essentie van zijn boodschap en de commentaren en interpretaties die discipelen en volgelingen, soms nog vele jaren later, gemeend hebben er te moeten aan toevoegen ? De getuigenissen, die als geloofwaardig worden aanzien, zijn voornamelijk vervat in de vier door de kerkelijke overheid erkende evangeliën. Hun eindredacties zijn evenwel pas vele decennia, vermoedelijk zelfs meer dan een eeuw na de dood van Jezus tot stand gekomen. Bovendien weten we nu van het bestaan af van een aanzienlijk aantal getuigenissen, die niet door de toenmalige kerkelijke verantwoordelijken werden weerhouden als relevant voor zijn religieuze boodschap. Zij werden apocrief genoemd, wat verborgen betekent, en als misleidend genegeerd.

Daar waar, ten aanzien van de toen overheersende religieuze opvattingen, aan de verkondiging van de leer van de Boeddha een ruime vrijheid werd toegekend, is een dergelijk voorrecht niet te beurt gevallen aan de vernieuwende ideeën van Jezus. Zijn getuigenis werd inderdaad netjes ingepakt in het bijbelse geloof, dat toen in Palestina prominent aanwezig was. Nochtans nam hij, zoals de Boeddha, duidelijk afstand van hen die toen het religieuze gezag uitmaakten. Ten aanzien van hun impact op het volk benadrukte ook hij de noodzaak van het gaan van een vrije en persoonlijke weg, ontdaan van dwingende regels en abusievelijk opgelegde rituelen. Hun gemeenschappelijke aanbeveling zouden we aldus kunnen verwoorden :

Vertrouw niet op farizeeën en schriftgeleerden, op hen die beweren kennis te hebben en zich opwerpen als jullie priesters, maar wees je eigen gids en je eigen toorts.

Beiden verzetten zich spontaan tegen hen die een elementaire persoonlijke vrijheid miskenden en poogden hun inzichten op te dringen.

In het evangelie volgens Thomas, dat we als leidraad gebruiken, is een vrije, van elk institutioneel geloof onthechte Jezus aan het woord, die in zijn medemensen zijn leef- en lotgenoten herkent. Vermoedelijk is ook hij ooit, net als de Boeddha, een zoekende weg gegaan. Hoewel die weg voor ons nog steeds tot de verborgen jaren van zijn leven behoort, legt hij in dit evangelie getuigenis af van de vruchten ervan.

De betwistbare keuze voor dit evangelie is vooral ingegeven door de indrukwekkende sereniteit, die de woorden van Jezus hierin uitstralen. Bovendien is zij ondersteund door een niet onbelangrijke uitspraak van de katholieke, maar bij deze gelegenheid wetenschappelijk zeer consequente auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de Bijbelschool van Jeruzalem :

"Het (evangelie) lijkt ons toegang te bieden tot een evangelische redactie, die voortijdig is aan de kanonische evangeliën. Zijn getuigenis zou dan zeer belangrijk kunnen zijn bij de restitutie van de overdracht van de woorden van de Christus."  (Tome 1, Préface pagina XI)

Hoewel bij elke ontdekking van een verstorende getuigenis de authenticiteit ervan terecht in vraag wordt gesteld, leek het ons niet aangewezen rekening te houden met een vooringenomen oordeel van de kerkelijke overheid. Bovendien onthult dit evangelie ons een ongekende dimensie in de boodschap van Jezus. Want, daar waar het bijbelse geloof voorhoudt dat we, sinds de zondeval van Adam in het aardse paradijs, gescheiden zijn van onze goddelijke Schepper leert Jezus ons dat, zoals hijzelf, iedere mens blijvend verbonden is met een gemeenschappelijke levensbron, die hij in beeld brengt als een vader. Hij is dus niet verschillend van ieder van ons maar nodigt ons uit tot het gaan van een persoonlijke zoekende weg, een weg van bewustwording waardoor we deel kunnen hebben in het bewustzijn dat het zijne is.

Het ligt voor de hand dat dit beginsel van verbondenheid of eenheid, dat niet enkel het voorrecht van Jezus zou zijn maar de eigenheid van iedere mens, de traditionele gelovige grondig kan verstoren. Ter verduidelijking herinneren we eraan dat, volgens het christelijke geloof, de vereniging van de mens met zijn Schepper pas kan plaats vinden na zijn biologische dood, tenzij de komst van het door Paulus en de joden zo intens verwachte Koninkrijk zich vooralsnog zou aanmelden…

De vaststelling dat de Boeddha zich niet heeft aangesloten bij het vedische concept van het bestaan van een bovennatuurlijke godheid, Brahma genaamd, kan worden verklaard door een natuurlijke bescheidenheid en oprechtheid : "Wie ben ik om me uit te laten over een niet te bevatten werkelijkheid...?" Hoewel de Boeddha aan het onbevattelijke geen naam gaf, is het niettemin impliciet aanwezig doorheen het begrip dharma, de universele levenswet, waarmee iedere mens verbonden is.

Uit deze beschouwingen blijkt in alle duidelijkheid de fundamentele tegenstelling tussen de bijbelse visie en de boodschappen die we hier voorstellen.

Zijn we in dit leven, door welke band dan ook, verenigd met een absolute Levensbron en zijn we in staat hier en nu die eenheid bewust te ervaren zonder beroep te doen op onze verbeelding, of blijven we tot onze biologische dood fataal van haar gescheiden ?

 

 

Wie oren heeft om te horen, hij of zij hore . . .

 

Een luisterbereidheid opbrengen voor eeuwenoude leringen, die hun oorsprong vinden in verre en vreemde culturen en hierdoor ook vaak moeilijk te verzoenen zijn met ons westerse denken, is een hachelijke onderneming. Zijn we in staat ons onder te dompelen in culturele gevoeligheden die zo verschillend zijn van de onze ? Die opgave lijkt alvast problematisch en betekent een niet te onderschatten hindernis voor een serene benadering en een correcte interpretatie van de inhoud van hun boodschap. Bovendien moeten we ook rekening houden met niet te vermijden bezoedelingen, die inherent zijn aan de overdracht van elke kennis.

Eertijds gebeurde die overdracht uitsluitend via orale weg. Hoewel in India de betrouwbaarheid ervan relatief verzekerd was door strikte regels die inherent waren aan het gebruik van verzen, betekenen woorden steeds een onoverkomelijke schakel in de communicatie van kennis. De subtiliteit van hun betekenis is soms moeilijk te vatten en maakt van de vertaling naar voor ons vertrouwde begrippen vaak een delicate opgave. Bovendien dringt de noodzaak zich op eigen intellectuele concepten iets duidelijker af te lijnen. Welke precieze betekenis kennen we toe aan begrippen als religie, geloof, het bewustzijn, de psyche, de geest of de ziel...? Gezien de onderrichten die we hier voorstellen allen verwijzen naar de noodzaak een weg van zelfkennis te gaan en een juiste inschatting te maken van de hoedanigheden die ons door de levenswet worden aangereikt, komt het elke toehoorder toe een correcte perceptie na te streven van begrippen, die essentieel zijn bij een passende beoordeling van eeuwenoude concepten.

Ons bewustzijn berust in de fysiologische structuren van het centrale zenuwstelsel en maakt dus integrerend deel uit van het lichaam. Het centraliseert de hoedanigheden zintuigelijk te kunnen waarnemen, te denken, emoties te ervaren en in vrijheid over de keuze van onze handelingen te beslissen. De fractie waarin onze gedachten en gevoelens samengaan, en die dus onze persoonlijke gevoeligheid bepaalt, benoemen we als onze mentale vermogens of onze psyche, waarin het ego of het “zelf” een leidinggevende rol vervult. Zijn kwetsbaarheid ligt vooral in zijn evidente gevoeligheid voor externe factoren. De graad van harmonie in onze psyche is evenwel bepalend voor de kwaliteit van elk individueel bewustzijn. Het is tenslotte onze intelligentie die beslist over het gebruik dat we ervan maken, doorheen haar vermogen te kunnen onderscheiden. We horen ons inderdaad eerst de juiste vragen te stellen vooraleer passende antwoorden te bedenken. Voor de psyche wordt ook vaak en ten onrechte het woord geest of ziel gebruikt. Dit geeft onvermijdelijk aanleiding tot een misleidend woordgebruik. Het genetische potentieel, dat gevoed wordt door voorouderlijke ervaringen en opgeslagen ligt in een onbewuste fractie van het bewustzijn, is bovendien een niet onbelangrijke component bij het tot stand komen van aan een traditie gerelateerde waarden.

Hoewel de omstandigheden waarin elk onderricht tot stand kwam grondig van elkaar verschillen, beantwoorden de bedenkingen die zij oproepen aan eenzelfde existentiële bevraging : hoe geven we aan dit leven een invulling in overeenstemming met zijn finaliteit ? Maar, is die finaliteit wel te vatten…? Is het overigens noodzakelijk zich een voorstelling te maken van een absolute levensbron of volstaat het de levenswet zo consequent mogelijk in te vullen ? Zijn bron en wet wezenlijk van elkaar te scheiden ? Want, indien het ons niet zo moeilijk valt in te zien dat we allen op eenzelfde wijze met eenzelfde levenswet verbonden zijn, toch is het concept van een bron van die wet een onderwerp dat ons grondig verdeelt. Ook al is zo’n bron door ons begripsvermogen niet te bevatten, toch blijkt een duidelijke behoefte aanwezig te zijn haar te concretiseren in een concept, dat evenwel enkel de vrucht kan zijn van onze verbeelding.

Het bewustzijn dat onze natuurlijke werkelijkheid, die zich manifesteert in een onbegrensde verscheidenheid, verbonden is met een ongedifferentieerde oorzaak ervan waarin onze finaliteit besloten ligt, veronderstelt evenwel een realistische en verifieerbare benadering van de band die ons met haar verbindt. Is het voorstelbaar dat wijzen aan de oorsprong van de Veda’s of Boeddha’s uit nog vroegere tijden mentale technieken zouden hebben ontwikkeld, waardoor hun bewustzijn in staat zou zijn geweest een dergelijke verbondenheid te ervaren ? En, indien dit het geval was, kan die ervaring in rationele termen worden uitgedrukt ? Op die vraag lijkt een antwoord niet evident… Tenslotte rest ons enkel de weg van de persoonlijke ervaring om de waarachtigheid van hun bevindingen te toetsen. Hierin ligt de praktische waarde van de voorgestelde onderrichten.

Teneinde de innerlijke eenheid in elk onderricht niet te verstoren hebben we geopteerd voor een presentatie in chronologische volgorde. Het eerst aan de beurt is dit van Krishna, zoals het in de Bhagavad Gita wordt voorgesteld. Een van de stilistische bijzonderheden, die de uiteenzetting van Krishna kenmerkt, is een continu hernemen van reeds uitgedrukte ideeën, vaak aangevuld met subtiele nuances. We hebben ons daarom beperkt tot de weergave van de meest kenmerkende fragmenten uit de hoofdstukken 2 tot 6, in de mening dat hierin de essentie van zijn boodschap vervat ligt.

We willen er vooraf op wijzen dat de sanskriet stam van het woord yoga yug is, dat we terugvinden in het Nederlandse woord juk. Een juk is een verbindingsstuk dat tot doel heeft een last lichter te maken. Het hoort dus uiteraard zelf licht te zijn. Dit doel wordt bereikt door het verwezenlijken van een eenheid tussen de drager en de last. Het woord yoga staat dus symbool voor eenheid en sluit zo aan bij de originele betekenis van religie. Yoga kan zowel verwijzen naar de weg als naar het einddoel ervan. Een yogi is een persoon die de weg gaat.

 

 

 

Het onderricht van Krishna

 

 

De conflictuele situatie, die het decor uitmaakt van het lyrische epos Bhagavad Gita genaamd, werd reeds toegelicht. De beschrijving ervan en het weeklagen van Arjuna, die er niet kan toe komen een onwezenlijke strijd aan te gaan, maken de inhoud uit van het eerste hoofdstuk. In hoofdstuk 2 wijst Krishna, die fungeert als de wagenmenner van de strijdwagen van Arjuna - de meester heeft zich dienaar gemaakt - op diens zwakheden. Die zijn het gevolg  van zijn emotionele betrokkenheid en van het ontbreken van een juist inzicht in existentiële waarden. Opmerkelijk aan dit verhaal is dat, aan het einde van de 18 hoofdstukken, de situatie op het strijdtoneel nog steeds onveranderd is gebleven.

 

 

Hoofdstuk 2  Het pad van Yoga door Sankhya : de    kennis die onderscheidt

 

Het illusoire van het tijdelijke zelf ten aanzien van het onvergankelijke Zelf

 

Krishna sprak :

De ontmoeting van onze zintuigen met de materie, ô zoon van Kunti, veroorzaakt gewaarwordingen van warmte en koude, van vreugde en verdriet. Efemeer zijn ze, want ze komen en gaan. Verdraag hen geduldig, ô Bharata.  (14)

Hij die er niet door wordt verstoord, die sereen en vastberaden blijft in vreugde als in beproeving, ô beste onder de mensen, hij is er klaar voor de dood niet meer te ervaren. (15)

 

Het niet meer ervaren van de dood betekent de bevrijding uit de cyclus van aanhoudende reïncarnaties.

 

Het onwezenlijke bestaat niet, het wezenlijke houdt niet op te bestaan. Die waarheid is waargenomen door hen die de ultieme realiteit hebben aanschouwd. Weet dat Dit, dat alles doordringt, onvernietigbaar is. Niemand is bij machte het onverwoestbare Zijn te verdelgen. (16-17)

 

We weten dat lichamen een einde hebben. Wat hen bewoond is eeuwig, onvergankelijk, onbegrensd. Gesterkt door die kennis, ô Bharata, ga de strijd aan. (18)

 

Zeker is de dood voor wie geboren wordt en zeker de (weder)geboorte voor wie sterft. Wees daarom niet verstoord door het onvermijdelijke. (27)

 

Alles wat geschapen is, is onmanifest in zijn oorsprong, manifesteert zich in een voorbijgaande verschijning en is opnieuw onmanifest aan het einde. Waarom hierom bezorgd zijn, ô Bharata ?  (28)

 

Het pad van yoga is het praktische aspect van Sankhya

 

Wat je werd voorgehouden is begrepen volgens Sankhya. Hoort het nu aan in termen van Yoga. Wanneer jouw intelligentie hierin gevestigd is, ô Partha, zal je bevrijd zijn van de dwingend band van de handeling. (39)

Op dit pad is geen inspanning vergeefs en is geen belemmering aanwezig. De minste kennis van de wet [dharma] bevrijd je van een grote angst. (40)

De Veda’s betreffen de drie gunas. Wees buiten het bereik van de gunas, ô Arjuna, bevrijd van de dualiteit, gevestigd in zuiverheid, onthecht van elk verlangen naar bezit, vervuld door het Zelf.  (45)

De drie gunas zijn de drie hoedanigheden die het relatieve leven beheersen : rajas de actie, tamas de inertie en satva het evenwicht. In andere bewoordingen : beweging, rust en harmonie.

Voor een verlicht brahmaan zijn de vedas van evenveel nut als een drinkbak midden een overstroomde weide. (46)

Jij, handel omwille van de handeling zelf, nooit omwille van de vruchten. Laat jouw handelen niet bepaald worden door de verwachting van vruchten, noch vestig je in niet-handelen. (47)

Gevestigd in de eenheid, ô Dhananjaya, vervul je handelingen zonder dwang, standvastig in succes als in tegenslag. Die stabiele mentale toestand wordt Yoga genoemd. (48)

Wanneer het mentale de verwarring van het illusoire heeft overstegen, zal je onverschillig worden voor wat je gezegd werd en voor wat je zult horen. Wanneer het mentale, in verwarring wordt gebracht door vedische teksten, onberoerd blijft, verankerd in het Zelf, dan zal je Yoga bereiken. (52-53)

 

Wie zich totaal heeft onthecht, noch toejuicht noch betreurt wat goed is of fout, wie, zoals een schildpad aan alle zijden haar ledematen terugtrekt, zich onttrekt aan het object der zinnen, diens mentale toestand is standvastig. (57-58)

Want, ô zoon van Kunti, de turbulente zinnen verstoren de mentale vermogens ook van de wijze, die betracht hen te beheersen. (60)

 

 

 

Hoofdstuk 3    Karma Yoga of Yoga door het handelen

 

Het is de opdracht van de mens die plicht te vervullen, die zijn integratie in een onbegrensd Zelf hem dicteert. Dit veronderstelt een onthechting ten opzichte van het relatieve zelf, het ego.

 

Arjuna sprak :

Indien U voorhoudt dat kennis hoger is dan actie, ô Jarnardana, waarom zet U mij dan aan tot het volbrengen van zo’n gruwelijke daad ? (1)

Krishna sprak :

Zoals ik reeds gezegd heb zijn er twee wegen die zich in deze wereld aanbieden : Yoga door kennis, voor hen die een bezinning voorstaan, en Yoga door de handeling, voor hen die op actie gericht zijn. (3)

Wie door gedachten zijn zinnen beheerst en zich onthecht richt naar Yoga door het handelen, ziedaar ô Arjuna een voortreffelijk mens. (7)

Volbreng dus de daden die jouw plicht je dicteert zonder gehechtheid. Wie in ware onthechting zijn daden volbrengt, bereikt het allerhoogste. (19)

Daar waar de onwetende daden volbrengt in gehechtheid aan de handeling, ô Bharata, handelt de wijze, die het welzijn van de wereld voor ogen heeft, zonder enige gehechtheid. (25)

De kennis van de ware natuur der dingen - praktri - en van de principes die de handeling conditioneren - de gunas - maakt voor wie handelt hun onthechting mogelijk.

Alle handelingen worden in wezen verricht door de gunas van de natuur. Wiens mentale vermogens misleid zijn door de waardering van het ik, denkt : ik handel. Maar wie een juiste kennis bezit omtrent de gunas en hun werking, wie weet dat de gunas handelen uit zichzelf, verblijft in onthechting. (27-28)

Wie kennis bezit hoort zijn kennis niet op te leggen aan een onwetende.

Dat hij, wiens kennis volledig is, de onwetende, wiens kennis begrensd is, niet verstoort. (29)

Alle wezens gedragen zich volgens hun eigen natuur. Zo doet ook de wijze. Niets hoort te worden opgedrongen. (33)

Arjuna sprak :

Wat is het, ô Varshneya, dat de mens ertoe aanzet zelfs ongewild het foute te volbrengen, alsof hij ertoe gedwongen wordt ?  (36)

De gezegende Heer zei :

Het is het verlangen, de woede, ontsproten uit de raja-guna. Onverzadigbaar en vernietigend zijn zij. Erken hen als de vijand hier op aarde. (37)

Door dit onverzadigbare vuur van het verlangen wordt wijsheid overschaduwd. Het is de voortdurende vijand van de wijze, ô zoon van Kunti. (39)

Het is actief in de zinnen, in het mentale en de intelligentie. Zo versluiert het de wijsheid en misleidt het het stoffelijke zelf. (40)

Daarom, ô beste van de Bharatas, beheers vooreerst de zinnen en ontdoe je van dit kwaad, de vernietiger van kennis en realisatie. (41)

Verfijnd zijn de zinnen, zegt men. Meer verfijnd dan de zinnen is het mentale. Nog verfijnder is de intelligentie. Wat is voorbij de intelligentie is Dat. (42)

In de kennis van wat voorbij de intelligentie is, het zelf tot rust gebracht in het Zelf, overwin de zo moeilijk te onderwerpen vijand die verlangen heet. (43)

 

Hoofdstuk 4  Yoga door de kennis van het verzaken    aan de handeling

 

Verenigd in het onvergankelijke Zelf is de mens in staat de juiste daden te volbrengen. Want, zoals muziek berust in stilte, berust handelen in niet-handelen.

Wat betekent handelen en wat niet-handelen ? Zelfs de wijze is hier in verwarring. Ondoorgrondelijk is het pad van handelen. (16-17)

Wie niet-handelen ziet in handelen en handelen in niet-handelen hij is een wijze onder de mensen. Hij is één en heeft alle daden verricht. (18)

De daadkracht is het natuurlijke middel om verlangens waar te maken. Wie alle daden heeft verricht heeft zich van alle verlangens bevrijd. Op voorwaarde evenwel de daden te hebben volbracht zonder gehechtheid aan hun vruchten.

Hij wiens actie bevrijd is van het vuur van het verlangen, wiens daden verteerd zijn in het vuur van kennis, wordt door hen, die de Werkelijkheid hebben aanschouwd, een wijze genoemd. (19)

Onthecht van elke betrokkenheid bij de vruchten van de handeling, voldaan, van niets afhankelijk, hoewel ten volle betrokken in zijn daden, handelt hij niet meer. (20)

Zonder enige verwachting, zijn emoties en rede beheersend, verzakend aan elke hebzucht, enkel handelend doorheen zijn lichaam, begaat hij geen enkele fout. (21)

Tevreden met wat hij ontvangt zonder vragen, de paren van tegengestelden overstijgend, vrij van verlangen, evenwichtig in succes en falen, is hij niet aan de handeling gebonden. (22)

zonder vragen” : het vragend bidden is de toevlucht van hen die onwetend zijn over wat de eenheid hen bieden kan. Het zelf, dat zich bewust is van zijn verbondenheid met het Zelf, is bevrijd van de dwingende invloed van de gunas. Ieder van zijn daden brengt eer aan het Zelf. Dit is de zin van het ware offer.

Voor hem die bevrijd is van elke gebondenheid, wiens bewustzijn gevestigd is in kennis, lost ieder van zijn daden zich op in een offergave. (23)

De ervaring als basis van kennis

 

Beter dan elke materiele offergave is het offer van kennis. Alle daden zonder uitzondering, ô Partha, monden uit in kennis. (33)

Weet dit : in een nederig, onophoudend zoeken en in dienstbaarheid, zal de kennis je onderwezen worden van hen die het Werkelijke hebben ervaren. (34)

In die kennis, ô zoon van Pandu, zal je niet langer in verwarring verkeren. Want in die kennis zal je elk wezen in jezelf erkennen en ook in mij. (35)

Zelfs al ben je de grootste onder de zondaren, op het vlot van kennis zal je al het kwade overstijgen. (36)

In deze wereld is waarlijk niets zo zuiverend als kennis. Wie zich in Yoga vervolmaakt heeft, zal dit in zichzelf erkennen. (38)

Wie vertrouwen heeft, vastberaden is en zijn zinnen beheerst, zal die kennis bereiken. Eens die kennis verworven, zal hij de opperste vrede ervaren. (39)

 

Hoofdstuk 5    Yoga door het handelen en de verzaking aan het handelen

 

Voor het tijdelijke en lichamelijke zelf is handelen onvermijdelijk. In een juiste kennis van zichzelf kan zich het bewustzijn ontwikkelen van een integratie van het zelf in een onveranderlijk Zelf. Dit bewustzijn bepaalt zijn daden en kan door niemand worden verstoord.

Arjuna sprak :

U prijst, ô Krishna, zowel het verzaken aan de handeling als Yoga van het handelen aan. Zeg me nu duidelijk : wat van beide is het best ? (1)

De gezegende Heer sprak :

Beide, het verzaken aan de handeling als Yoga van het handelen kunnen leiden tot het opperste goed. Maar van beide is Yoga van het handelen hoger dan het verzaken aan de handeling. (2)

Weet dat de asceet, die de verzaking gekozen heeft, die verlangt noch haat, bevrijd is van de paren van tegengestelden, gemakkelijk tot onthechting kan komen. (3)

Maar onthechting is moeilijk te bereiken zonder Yoga. De wijze die het pad van Yoga gekozen heeft zal vrij snel tot de Brahma komen. (6)

Wie door Yoga zijn mentale vermogens gereinigd heeft, zichzelf en zijn zinnen beheerst, zijn zelf erkent in het Zelf van alle wezens, hij is niet betrokken bij zijn daden. (7)

Eén met het goddelijke, erkent hij de ware werkelijkheid en zegt hij : het is niet ik die handel. Door de waarneming van zijn zinnen stelt hij eenvoudig vast dat zij het zijn die handelen ten aanzien van hun objecten. (8-9)

Hij die handelt in overgave aan het universele Wezen, die elke gehechtheid heeft losgelaten, kan niet door de zonde bezoedeld worden zoals de lotus niet door het water kan bezoedeld worden. (10)

Niet de Heer is de verwekker van de handeling noch van de daden van mensen. Noch is hij de schepper van de band die het handelen verbindt met zijn vruchten. Het is de natuur die zich hiermee belast. (14)

Maar, zoals onwetendheid vernietigd wordt door kennis, verlicht kennis Dit dat de menselijke natuur overstijgt. (16)

Wanneer hun mentale vermogens in Dit geworteld zijn, hun wezen in Dit gevestigd, aan Dit is toegewijd, door die kennis gezuiverd van elke bezoedeling, bereiken zij die staat (van het bewustzijn) die onomkeerbaar is. (17)

Hij, wiens zelf niet geraakt wordt door uiterlijkheden, weet dat geluk ligt in het Zelf. Wanneer het zelf in eenheid verkeert met de Brahma, ervaart het een tijdloos geluk. (21)

 

Hoofdstuk 6  De Dhyana Yoga of de Yoga van de onthechting

 

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de verzaking aan de handeling en de onthechting. De onthechting betreft de verbondenheid van het mentale met de buitenwereld, waardoor de illusie van het ik gevoed wordt.

 

De gezegende Heer sprak :

Hij die de daden volbrengt die zijn plicht hem dicteert, zonder gehechtheid aan de vruchten, wordt sannyasin [onthecht, monachos] genoemd en hij is een yogi. Want niemand is een yogi zonder verzaakt te hebben aan sankalpa. (1-2)

Het woord sankalpa bevat de notie van “kiem van het verlangen”. Een yogi is niet de facto een persoon die gevestigd is in de eenheid, maar hij of zij die het pad van eenheid bewandelt. Dit pad is evolutief. Het begint bij de ervaring door het onderzoeken en eindigt in het bewustzijn van de waarde van rust.

Er wordt gezegd dat voor de muni [hij die denkend onderzoekt] het pad van Yoga zich richt is op de praktijk. Voor wie Yoga bereikt heeft en erin verblijft enkel voor hem is rust het aangewezen middel. (3)

Enkel wanneer een man niet gehecht is aan zijn zinnen en zijn daden, wanneer hij heeft verzaakt aan het vuur van zijn verlangens, is hij gevestigd in Yoga. (4)

De illusie van het ego kan enkel worden opgelost in een kennis van het ware zelf. Die weg heeft ieder in zichzelf te volbrengen. Wat onze grootste vijand was - ons ego - wordt zo ons dierbaarste bezit.

De mens hoort zijn zelf in zichzelf te verheffen, niet te verlagen. Hij die in zichzelf zijn zelf heeft overwonnen heeft zijn zelf tot vriend gemaakt. Wie zijn zelf niet heeft overwonnen, diens zelf is als een vijand. (5-6)

Hij die zijn zelf heeft overwonnen kan in die diepe vrede het transcendente Zelf ervaren, dat standvastig is in warmte en koude, in vreugde en leed, in eer en oneer. (7)

Die yogi, die vervuld is door kennis en ervaring, onverstoorbaar meester van zijn zinnen, voor wie een kluit aarde, een steen of goud een gelijke waarde hebben, hij wordt één [monachos] genoemd. (8)

Eenvoudig zittend, ontdaan van elke mentale verwarring zijn zinnen en gedachten beheersend, wijdt hij zich aan de zuiverende werking van Yoga. (12)

In die concentratie en mentale beheersing bereikt de yogi de vrede van de opperste bevrijding die is in mij. (15)

In dit bewustzijn, waarin door de beoefening van Yoga de gedachten afwezig zijn, het Zelf aanschouwend doorheen het zelf, vindt hij zijn welbehagen in het Zelf. (20)

Afwezigheid van gedachten is niet te verwarren met afwezigheid van intelligentie. Het welbehagen, dat zijn oorsprong vindt in een bewustzijn dat de zinnen overstijgt, wordt waargenomen door het onderscheidende vermogen van de intelligentie.

Die ervaring van een onbegrensde vreugde die de zinnen overstijgt, wordt waargenomen door de intelligentie. Hierin gevestigd is elke twijfel gebannen. (21)

Dit allerhoogste bereikt hebbend, kan hij niet meer worden verstoord, ook niet door een grote beproeving. Die onthechting ten aanzien van het lijden wordt Yoga genoemd. (22-23)

De praktische weg die voert tot een dergelijke mentale onthechting wordt meditatie genoemd. Een meditatieve rust evolueert inderdaad naar een toestand van afwezigheid zowel van gedachten als van het “ik” dat ze produceert. Een dergelijke ervaring kan worden gezien als een integratie van het ik in een absoluut Zijn.

Telkens zijn onstabiele en wankele mind verdwaalt, laat hij hem terugbrengen onder de vleugels van het Zelf. Gevestigd in die eenheid, die Yoga heet, zal hij mij zien in alles en het al in mij. Nooit zal ik hem, noch hij mij verliezen. (26-29-30)

Arjuna sprak :

Door mijn vertwijfeling kan ik het standvastige evenwicht van Yoga die U beschrijft, ô Madhusudana, niet ervaren. Want mijn mind is onstabiel, mijn gedachten en gevoelens zijn impulsief, krachtig en alles overheersend. Zoals de wind zijn zij niet in te tomen. (33-34)

De gezegende Heer sprak :

Ongetwijfeld zijn gedachten en gevoelens moeilijk te bedwingen, want zij komen en gaan. Maar door oefening en onthechting zijn ze te beheersen. Voor een ongedisciplineerd mens is Yoga moeilijk te bereiken. Maar een volhardend en gedisciplineerd persoon kan door eigen middelen Yoga bereiken. (35-36)

Arjuna zei :

Wat kan hij bereiken, ô Krishna, die hoewel vol vertrouwen, niet tot Yoga is gekomen, zijn inspanningen heeft laten varen en wiens gedachten van Yoga zijn afgedwaald ? Zal hij die, zonder houvast, verdwaald is op de weg naar Brahma, niet vergaan als een gebroken wolk ? Bevrijd me van mijn twijfels, ô Krishna, want waarlijk geen ander kan me ervan bevrijden. (37-38-39)

De gezegende Heer sprak :

Noch in deze wereld, noch in die erna zal hij ten onder gaan, ô Partha. Want niemand die handelt in oprechtheid gaat zijn ondergang tegemoet. (40)

De volgende verzen verduidelijken de idee dat, van reïncarnatie naar reïncarnatie, geen inspanning om Yoga te bereiken ooit verloren gaat.

Van alle yogi’s beschouw ik hem, die mij trouw vereert, wiens zelf aan mij is gehecht, als het meest volledig met mij verenigd. (47 en laatste vers van dit hoofdstuk)

 

 

Even pogen samen te vatten

 

De zin van de weg die Krishna voorhoudt is te groeien naar een bewustzijn waarin het tijdelijke en vergankelijke ik zijn ware natuur van tijdloos zelf terugvindt in een eenheid met het onbegrensde Zelf.

De gehechtheid van het tijdelijke zelf aan de zinnen en aan de krachten die de relatieve wereld beheersen - de gunas - ligt aan de basis van de bedrieglijke waarde die aan het ik wordt toegekend en genereert gescheidenheid.

Indien de weg van de eenheid een loslaten inhoudt ten aanzien van relatieve banden, dicteert hij geenszins het verzaken aan het handelen. Iedere handeling hoort evenwel bevrijd te zijn, zowel van elke dwang tot handelen als van het verlangen zich de vruchten ervan toe te eigenen.

Bevrijd van zijn egocentrische verlangens kan ieder zelf zijn ware natuur, die transcendent is aan het tijdelijke ik, erkennen. Gevestigd in het ongedifferentieerde Zijn kan het zelf de vruchten ervaren die de eenheid - yoga - te bieden heeft.

 

 

 

Het onderricht van de Boeddha

 

 

Vooraleer kennis te nemen van de weg die de Boeddha is gegaan en van het onderricht dat hieruit resulteerde, lijkt het ons aangewezen oog te hebben voor de sociale en religieuze omstandigheden in het noorden van India ten tijde van zijn leven. Het gebied, dat ten oosten is afgebakend door de delta van de Ganges en ten westen door de eerste voorlopers van het himalaya gebergte, was ten prooi aan stevige maatschappelijke turbulenties. Gekatalyseerd, enerzijds door een vrij ingrijpende economische evolutie en, anderzijds, door de verspreiding van de upanishaden, had zich een vernieuwende religieuze bewustwording aangemeld. Het immobilisme van de brahmanen en hun ancestrale offerpraktijken werden publiekelijk in vraag gesteld. In de slipstream van de upanishaden zetten talrijke goeroes de mensen ertoe aan aandacht te hebben voor een kritische introspectie en voor een juistere aanpak van hun individuele karma.

Dit proces van bewustwording had de allures aangenomen van een soort culturele revolutie, die zich vooral concentreerde rond de stedelijke centra in het oosten. Hoewel de inzet ervan een als noodzakelijke beschouwde persoonlijke introspectie betrof, werd het debat ook intens op openbare plaatsen gevoerd. De sangha’s - gemeenschappen van rondtrekkende monniken onder de leiding van gereputeerde goeroes - namen snel in aantal toe en gingen vaak doortastende onderlinge discussies aan. Binnen een aftakelend kastensysteem hadden de monniken zelfs een niet onbelangrijke positie verworven.

De mensen beschouwden het als hun plicht te voorzien in de dagelijkse eetbehoeften van de monniken, bikkhus genaamd. Dit zou hun persoonlijke karma zeker ten goede komen. Maar uiteraard volstond dit niet om een problematische karmische balans doeltreffend te herstellen. De voorgestelde methoden om tot een juistere beleving van de dharma te komen en zich aldus van een betere reïncarnatie te verzekeren waren evenwel talrijk. Blijkbaar bestond er een niet onaardige competitie tussen metafysische beschouwingen, yoga praktijken en zelfs diverse vormen van ascetisme. Waar de gewone mens echter in de eerste plaats naar uitzag was een meer positieve levenservaring, een concreter welzijn. Hoe konden zij ertoe komen de bedrieglijke impulsen eigen aan de menselijke natuur - de praktri – beter te beheersen en aan de dharma een juistere invulling te geven ?

Gautama was afkomstig uit een vrij verlaten streek in het noordwesten van India, Sakka of Sakkya genaamd. Het kastensysteem en de traditionele rituelen van de brahmanen zouden er zelfs niet formeel zijn geïntroduceerd geweest. Het valt dus moeilijk in te schatten in hoever hij weet had van de ingrijpende gebeurtenissen die zich meer oostelijk afspeelden. Duidelijk is wel dat rondtrekkende monniken zich tot in zijn streek hadden verspreid. Het ligt dus ook voor de hand dat hij zich liet inlichten omtrent de reden van hun aanwezigheid. Ook hoort zijn voorgehouden onwetendheid omtrent de levensomstandigheden buiten zijn afgeschermde familiale omgeving niet te letterlijk te worden opgevat. Meer realistisch lijkt het aan te nemen dat, vooraleer hij zijn familie definitief vaarwel zei, hij zich terdege had verdiept in de problematiek van de dukkha, het menselijke lijden, en in het zoeken naar een oplossing voor dit fenomeen. Want van bij zijn vertrek leek hij ervan overtuigd dat een oplossing mogelijk was. Alleen moest die nog wel worden gevonden…

Gesterkt door die overtuiging en intens bewust van zijn verantwoordelijkheid nam hij de pelgrimsstok ter hand en vervoegde hij de beweging van rondtrekkende monniken. Gaandeweg ontmoette hij talrijke soortgenoten, die over dag hun voedsel bedelden in de dorpen en ’s nachts een rudimentair onderkomen vonden in de nabijgelegen bossen. Vermoedelijk zal hij ook vrij snel zijn ingelicht omtrent de ingrijpende veranderingen die gaande waren in de meer oostelijk gelegen gebieden.

Het is niet onbelangrijk erop te wijzen dat de toekomstige Boeddha geen ascetisch leven ambieerde, maar zich richtte naar het hart zelf van de culturele beroering, in de hoop er een leraar te ontmoeten die hem kon begeleiden op zijn zoektocht naar een bevrijdend inzicht. Zo heeft hij zich gaandeweg ook rekenschap kunnen geven van de diverse theorieën en praktijken, die de talrijke sangha’s verdeelden. In de omgeving van de stad Vesali sloot hij zich tenslotte aan bij een sangha, die onder de leiding stond van goeroe Kalama. Het concept dat de goeroe onderwees was dit van sankhya, dat vooral beroep doet op het vermogen te onderscheiden. Niet zozeer het menselijke verlangen maar zijn onwetendheid werd hierin geduid als de voornaamste oorzaak van zijn dwalingen. Het lijden vond zijn oorzaak in een miskenning van het ware zelf. Dit zelf, dat onderliggend is aan de door het ik beheerde psyche, zou in wezen geïntegreerd zijn in de Purusha, de universele Geest, aanwezig in ieder natuurlijk deeltje. De Purusha onderscheiden van zijn natuurlijke stoffelijke omhulsel, de praktri, was zowat de basis van sankhya. Te sterk belaagd door zijn emoties, hoorde het bewustzijn zich van die storingen te bevrijden, zodat de intelligentie als een rimpelloos wateroppervlak de Purusha kon weerspiegelen. De praktri is slechts een verschijningsvorm van voorbijgaande aard, die niet met de het wezenlijke Zelf te verwarren is.

Gautama waardeerde dit theoretisch verleidelijke model, waarin de natuur een revelerende rol vervult. Want, indien de bron van het lijden te zoeken was in een mentale afhankelijkheid ten aanzien van de buitenwereld, zou de afbouw van die afhankelijkheid een meer stabiel zelf reveleren, die onderliggend is aan het lichamelijke omhulsel van de praktri. Maar Gautama was vóór alles een pragmaticus. Een metafysische theorie hoorde bevestigd te worden door de ervaring. Bovendien specifieerde de theorie dat het mentale niet uitsluitend bewust werd beleefd. Lang vóór Freud en zijn psychanalyse waren wijzen zich bewust geworden van een onbewuste mentale component. Hiervan getuigen begrippen als samskara en vasana. Dit onbewuste was vooral getekend door vroegere, soms voorouderlijke ervaringen, die een soort genetisch erfgoed uitmaakten en waarvan de chaotische want niet te controleren inhoud hoorde te worden opgelost.

Volgens zijn leermeester was Gautama een meer dan begenadigde leerling, die zijn ware zelf snel zou onderscheiden. Maar voor Gautama zelf was de schors van de praktri nog te stevig om al was het maar een glimp van de Purusha te kunnen ontwaren. Het door contemplatie begeleide onderscheidende onderzoek voldeed niet aan zijn verwachtingen. Toen hij zijn twijfels aan zijn meester voorlegde, bekende de goeroe dat hijzelf beroep deed op de beoefening van yoga ten einde de sankhya te realiseren. Gautama veranderde dus zijn geweer van schouder en richtte zich, met de gedrevenheid die hem eigen was, op de praktijk van yoga. Dit zou het uitgelezen middel zijn om zowel de bewuste als de onbewuste component in het mentale bewustzijn te ontdoen van hun verstorende ballast. Weldra hadden de diverse asana’s - lichaamshoudingen - en pranayama’s – ademhalingstechnieken - voor hem geen geheimen meer. Ook bereikte hij vrij snel die staat van het bewustzijn - ayatana - die leegheid werd genoemd. Wanneer alle connecties met de buitenwereld waren gedoofd, was er enkel nog leegte…

Terwijl zijn meester jubileerde, beoordeelde Gautama, voor wie oprechtheid gold als een absolute gids, zijn ervaring als onvoldoende. Door de beoefening van yoga had hij weliswaar een staat van leegheid bereikt maar, eens die extase voorbij, had hij nog steeds te maken met de dwingende verlangens van zijn egocentrische ik. Een innerlijke vrede hoorde standvastig te zijn, tijdloos, zoals de Purusha zelf was…

In wezen erkende Gautama de positieve effecten van yoga en zou hij zijn leven lang yoga blijven beoefenen, maar blijkbaar volstonden zij niet om de oorzaak van het lijden ongedaan te maken. Nadat hij bij een andere goeroe een nog hoger gewaande ayatana had uitgeprobeerd, drong zich de conclusie op dat geen enkele van die methoden hem de verwachte bevrijding had gebracht. Hij betwijfelde zelfs of de sankhya en zijn tijdloze zelf wel een realistische optie voorstelden.  

Zijn volgende experiment was dit van ascetisme. Samen met vijf soortgenoten verkende hij met volle overgave dit nieuwe pad. Het vasten, de meest extreme boetedoeningen en zelfkastijdingen, allen werden zij uitgeprobeerd. De traditie vermeldt dat hij, op zeker ogenblik, nog slechts met een heel dun draadje aan het leven verbonden was. Eens te meer drong zich het besluit op dat, evenmin als een koppige vasthoudendheid aan yoga, ascetisme een zinvol middel was om zijn doel te bereiken. De heroïsche aanslagen op zijn egocentrisme hadden hem slechts tot de grenzen van zijn fysieke vermogens gebracht. Tot groot ongenoegen van zijn lotgenoten besloot hij daarom opnieuw een normaal voedingspatroon op te nemen.

Ondanks de vaststelling dat de weg die hij was gegaan veeleer geleek op een desastreuse onderneming, had geen enkele ontmoediging de vastberadenheid van Gautama aangetast. Zelfs nadat de door respectabele meesters aangereikte theorieën en methoden slechts tot een ontluisterende conclusie hadden geleid, bleef hij overtuigd van het bestaan van een reële bevrijdende weg. Na zovele mislukkingen overviel hem de gedachte of het strijden tegen wel de beste methode was om de vijand te verslaan… Is de repressie van de verlangens wel het aangewezen middel om hen uit de weg te ruimen…? Gezien alle wijzen die hij had geraadpleegd hem hadden ontgoocheld, zou hij voortaan enkel nog rekenen op een correct inzicht in zijn eigen ervaringen.

De geschriften vermelden niet hoeveel tijd zijn fysieke herstel in beslag heeft genomen. Feit is dat hij zich op zekere dag een ervaring uit zijn kindertijd herinnerde. Het was een mooie zonnige dag. De kindermeisjes, die gehouden waren op hem te letten, hadden hem eenzaam achtergelaten onder een in bloesem gehulde appelboom. Gautama herinnerde zich hoe de natuurlijke omgeving een vreedzame rust uitstraalde en een bijzonder gevoel van intense gelukzaligheid hem plotseling in een ongekende vervoering had gebracht. Velen onder ons zullen zich waarschijnlijk een gelijksoortige ervaring herinneren, alsof het bewustzijn zich heel even uit zijn lichamelijke gebondenheid leek los te maken. Een ongewoon en kortstondig momentum, dat ophoudt te bestaan zodra het mentale er zich van bewust wordt. Nadat de herinnering aan dit bijzondere moment opnieuw in zijn geheugen was opgedoken, zou Gautama hebben uitgeroepen : “Er moet een andere weg bestaan om de verlichting te verwezenlijken !”

Hij overschouwde de omstandigheden die dit belevingsmoment hadden mogelijk gemaakt. Hij was alleen. In aanwezigheid van de meisjes en hun gebabbel was dit zeker niet mogelijk geweest. Een dergelijke ervaring behoefde dus eenzaamheid en stilte. Bovendien voelde hij zich totaal ontspannen. Geen enkel verlangen, geen enkele nodeloze bezorgdheid of angst verstoorden zijn gemoed. Wanneer hij de weg overzag die hij was gegaan, besefte hij dat hij een voortdurende argwaan had betoond ten aanzien van elke gevoel van onschuldig genieten, dat hij zich zo vaak had verzet tegen elke uiting van natuurlijk verlangen. Waarom zich verzetten tegen de spontane manifestatie van een verlangen, dat ontdaan was van enig egocentrische gerichtheid…? Zou het niet meer aangewezen zijn positieve zielstoestanden te stimuleren, eerder dan negatieve impulsen zoeken te verdringen ? Is het niet zinvoller vreugde te bevorderen dan te strijden tegen het lijden ? Indien het wenselijk is die gedragingen te vermijden, die een positieve evolutie in de weg staan, zou het niet meer doeltreffend zijn hun tegengestelden aan te wakkeren ?

Iedere monnik was zich bewust van de vijf onthoudingen die hij hoorde in acht te nemen : afzien van geweld, van diefstal, van leugen, van het gebruik van genotsmiddelen en van seksuele praktijken. Hoe waardevol het principe van ahimsa - geweldloosheid - ook is, toch volstaat het slechts gedeeltelijk. Want bovendien is het wenselijk die eigenschappen te ontwikkelen, die een vreedzaam samenleven kunnen bevorderen, zoals hoffelijkheid, verdraagzaamheid en mededogen. Zo diende ook het verbod te stelen te worden aangevuld met de oprechte vreugde een aalmoes te mogen geven of, voor een monnik, een aalmoes zonder enige beoordeling in ontvangst te nemen. Bij ieder negatief aspect van het leven hoort zijn positieve tegengestelde.

Dit even natuurlijke als spontane inzicht veroorzaakte een radicale wijziging in de keuzen van Gautama. De appreciatie van het leven, en van het lijden dat er onvermijdelijk mee verbonden is, nam een nieuwe wending. Indien de egocentrische verlangens, die hun oorsprong vinden in de mentale component van het bewustzijn, de voornaamste oorzaak van het lijden uitmaken, kunnen positieve acties er wellicht toe bijdragen een evenwicht in het mentale effectiever te herstellen. Een dergelijke discipline, ondersteund door het zuiverende effect van meditatie bij middel van yoga oefeningen, zou moeten voorkomen dat we ons nog lieten verleiden tot negatieve gedragingen.

Het is niet bekend hoeveel tijd de toekomstige Boeddha nodig heeft gehad om zijn inzichten te concretiseren. De geschriften vermelden dat, op zekere dag, zijn pad hem voerde naar een plek die bleek te beantwoorden aan de reminiscenties uit zijn kindertijd. Er was een weelderig bos, een rustig klaterende rivier en, in de nabijheid, een dorp waar hij zijn voedsel kon bedelen. Aan de voet van een bodhi boom ging hij zitten in de houding van een yogi en gaf zich over aan de gelukzaligheid, die de natuurlijke harmonie uitstraalde. Die houding zou het archetypische beeld van de mediterende Boeddha worden. De verlichting die erop volgde reveleerde hem in het diepst van zijn wezen een staat van quasi-extatische onthechting. Die begenadigde staat van zijn bewustzijn was niet het gevolg van een of andere bovennatuurlijke interventie, maar resulteerde uit een spontane en dus natuurlijke evolutie. Hij was zich bewust dat, door een meditatieve rust, zich een stabiele innerlijke vrede in zijn bewustzijn gevestigd had en dat zijn dwingende egocentrische verlangens zich hadden gedoofd. Eindelijk had hij die zolang verhoopte bevrijding gevonden. Want, zo stelde hij vast, die toestand was blijvend, maakte voortaan deel uit van zijn diepste wezen.

De weg die hij was gegaan, en die ongeveer zeven jaren in beslag had genomen, had het mogelijk gemaakt zich te onttrekken aan alle turbulenties die het gevolg waren van zowel een persoonlijk als een collectief karma. Door de beoefening van meditatie was hij erin geslaagd zijn mentale vermogens uit te zuiveren en zich te ontdoen van de behoeften die zij produceerden. Hij had die graad van innerlijke sereniteit bereikt, die hij als de hoogst haalbare beschouwde. Niet dat hij zich totaal had bevrijd van het lijden, van de ziekte of de dood. In zijn bewustzijn had zich gewoon een zodanige stabiliteit gevestigd, die het mogelijk maakte te aanvaarden wat inherent is aan het leven, zonder dat zijn innerlijke evenwicht erdoor werd verstoord. Die toestand van innerlijke vrede noemde hij nirwana.

Nirwana betekent letterlijk “doving”. Nu het vuur van zijn egocentrische verlangens was gedoofd, had een meer zuivere en originele harmonie bezit genomen van zijn bewustzijn. Dit doet enigszins terugdenken aan de paradijselijke toestand van vóór de zondeval van Adam of het in werking treden van het rad van samsara. Restte hem nog de opdracht zijn inzichten in een heldere taal te verwoorden en hen ten dienst te stellen van ieder, die een juistere beleving van dit leven wou nastreven.

Het zou al te naïef zijn te veronderstellen dat wat volgde het resultaat was van een unieke meditatie, ook al zou zij verschillende dagen in beslag hebben genomen. Het is eigen aan iedere legende zowel de personages als de omstandigheden te idealiseren. Zijn bevindingen verwoordde de Boeddha eerst in de vier edele waarheden omtrent het lijden. Vervolgens formuleerde hij de acht aanbevelingen, die het pad van de gulden middenweg begeleiden en ondersteunen. Zij vertegenwoordigen het praktische aspect, dat de realisatie van het onderricht van de Boeddha voor eenieder mogelijk moet maken.

 

De vier edele waarheden

De edele waarheid omtrent het lijden

Geboorte is lijden, verouderen is lijden, de dood is lijden. Pijn, verdriet en wanhoop zijn lijden. Onthouden worden van wat we verlangen is lijden. Het lijden is onlosmakelijk met dit leven verbonden.

De edele waarheid omtrent de oorzaak van het lijden

De oorzaak van het lijden ligt in het verlangen dat gebonden is aan geneugten, aan passie, steeds op zoek naar nieuwe verrukkingen. Maar, waarin is dit verlangen geworteld ? Daar waar zich aantrekkelijke en verleidelijke objecten bevinden, die worden waargenomen door de zinnen, door het mentale, dat ontzettend aangename gedachten en emoties produceert. Hierin is het verlangen geworteld, waaruit afgunst, haat en illusies ontstaan.  

De edele waarheid omtrent het einde van het lijden

Wat een einde maakt aan het lijden is de opgave van het egocentrische verlangen, zijn doving. De verzaking aan de afgunst, de haat en de illusies. Die onthechting leidt naar een mentale sereniteit en naar een stabiele innerlijke vrede die nirwana heet.

De edele waarheid omtrent het pad dat uit het lijden bevrijdt

Noch het verzaken aan zintuiglijke geneugten, noch de toevlucht tot nutteloze ontberingen bieden een duurzame oplossing. De extremen moeten worden afgewezen. Dit is het pad van de gulden middenweg.

 

 

Acht richtlijnen begeleiden dit pad

 

1  het juist onderscheiden

de juiste intentie

het juist spreken

de juiste handeling

het juiste levensonderhoud

de juiste dienstbaarheid

de juiste mentale discipline

de juiste meditatie

 

Gezien we hier raken aan de kern van het onderricht van de Boeddha, lijkt het ons aangewezen er even te blijven bij stilstaan.

 

De eerste edele waarheid erkent dat het lijden integrerend deel uitmaakt van het leven. Het is niet vreemd aan, niet strijdig met het leven. Zijn bestaan heeft een zin. Daarom is het niet realistisch het te willen bestrijden. Wel zinvol is de oorzaak, waarvan het de consequentie is, juist te onderscheiden.

De tweede waarheid is het logische vervolg op de eerste en definieert de oorzaak van het lijden. Er is hebben en er is zijn. Alles wat te maken heeft met het verlangen naar persoonlijke bevredigingen, met afgunst of afkeer, is een egocentrische reflex die betrokken is bij het hebben. Ziedaar op het pad van het zijn de hindernis die moet worden verwijderd.

De derde waarheid houdt voor dat er in het bewustzijn een toestand bestaat die de mogelijkheid inhoudt de voornaamste oorzaak van het lijden ongedaan te maken. Gezien het verlangen, evenzeer als het lijden, deel uitmaken van het leven, kunnen zij niet worden vernietigd. Wanneer we er echter in slagen geleidelijk een originele harmonie in het mentale gedeelte van het bewustzijn te herstellen, zal het bewustzijn de functie van het verlangen juister inschatten en invullen. Die toestand van harmonie, van innerlijke vrede, wordt nirwana genoemd.

Rest de meest delicate vierde waarheid, die de weg inleidt naar de staat van nirwana. Dit pad van de gulden middenweg wordt omschreven in acht aanbevelingen, die elke volgeling hoort te gedenken.

Het vermogen juist te onderscheiden is de vrucht van een alerte intelligentie, die leidt naar een juiste kennis en onwetendheid teniet doet. De juiste intentie veronderstelt een niet egocentrische, empathische ingesteldheid. Het juist spreken drukt zich uit in een oprecht, correct en respectvol taalgebruik. De juiste handeling is een handeling die ontdaan is van elke betrokkenheid bij de vruchten ervan. Het juiste levensonderhoud refereert naar een evenwichtige levenswandel en voeding. De juiste dienstbaarheid doet beroep op een passende bescheidenheid. De juiste mentale discipline verzekert een harmonische stabiliteit in het bewustzijn, waarvoor de juiste meditatie het aangewezen middel is.

In tegenstelling tot de tien bijbelse geboden zijn deze aanbevelingen allen in een positieve zin geformuleerd. Het concept van de Boeddha is noch theoretisch, noch metafysisch. Zoals hij ervan uitgaat dat de expressie van het leven beheert wordt door de dharma, de universele levenswet, zo is hij er zich ook van bewust dat de oorsprong van die wet het menselijke begripsvermogen overstijgt. Daarom weigert hij in te gaan op elke metafysische beschouwing. De Boeddha is in de eerste plaats een pragmaticus. De metafysische overwegingen, die de sankhya voorhoudt, zijn wel nuttig en aantrekkelijk, maar zij bieden geen soelaas ten aanzien van het menselijke lijden.

De pali verhalen, die het vervolg van de door de Boeddha afgelegde weg beschrijven, beperken zich vooral tot de eerste vijf jaren die volgen op de formulering van zijn boodschap. Hoewel zijn parcours kan gezien worden als een strikt persoonlijk engagement van zoeken en ervaren, toch was hij er grondig van overtuigd dat hij zijn verworven kennis hoorde ten dienste te stellen van zijn medemensen. Het nirwana kon nooit gelijken op zijn beveiligde thuis van weleer ! Het principe waarin dienstbaarheid, solidariteit en mededogen verenigd zijn, zou overigens de belangrijkste hoeksteen van zijn lering worden.

De eersten met wie hij zijn ervaring deelde waren de vijf bikkhus, die eerder zijn gezellen waren geweest bij het experimenteren van ascetisme. Zij zouden weldra zijn eerste discipelen worden. In het hertenpark van Varanasi, legde hij hen uit dat een juister inzicht in de dharma hem ertoe had gebracht af te zien van elke vorm van extreme praktijken. Niet enkel monniken, ook gewone burgers kwamen hem opzoeken en waren onder de indruk van zijn kennis en charisma. Zo ontstonden vrij snel de eerste sangha’s, die aanvankelijk uitsluitend aan mannelijke monniken waren voorbehouden. Blijkbaar was het onderbewuste van de Boeddha nog niet geheel ontdaan van de culturele ballast, waarin aan de vrouw een minderwaardige status werd toegekend. Later kwam hij hierop terug, ook al legde hij aan de vrouwelijke monniken enigszins discriminerende regels op. Nobody is perfect…

Het is een opmerkelijke vaststelling dat, in tegenstelling tot de bijbelse profeten, de Boeddha zich nooit heeft verzet tegen bestaande religieuze opvattingen en hun volkse praktijken. Het principe aan de grondslag van die verdraagzaamheid is zijn fundamentele respect voor een individuele vrijheid en de persoonlijke keuzen die eruit voortvloeien. Die tolerantie is overigens een beginsel dat het boeddhisme onderscheidt van tal van godsdiensten. Zij verklaart onder meer de aanwezigheid in de pali geschriften van goden, die hulde kwamen brengen aan de verlichte Boeddha. Zelfs Brahma zou hem met een bezoek hebben vereerd, teneinde hem ervan te overtuigen zijn kennis van dharma te delen met zijn medemensen. Dit herinnert ons enigszins aan de verhalen omtrent een occasionele aanwezigheid van de bijbelse God aan de zijde van Abraham of Mozes.

In het India van toen was het hindoeïsme prominent aanwezig. Zo had het concept van reïncarnatie er een algemene en onbetwiste erkenning verkregen. Dit beginsel werd moeiteloos in het boeddhisme ingepast. Maar blijkbaar heeft de Boeddha zelf zich hierover nooit expliciet uitgelaten. Wel wordt hem de uitspraak toebedeeld dat de werkelijkheid, die na de fysieke dood volgt op de staat van nirwana, niet in een reële kennis te vatten is.

Zoals het nirwana niet in woorden is uit te drukken, omdat het met geen enkele gekende staat van het bewustzijn te vergelijken is, zo kan ook de werkelijkheid van het paranirwana, die er na de fysieke dood op volgt, met geen woorden worden omschreven.

Hieruit werd afgeleid dat ieder die het nirwana had bereikt bevrijd zou zijn uit de dwingende cyclus van reïncarnaties. Het ligt voor de hand dat een dergelijk perspectief van verlossing de verspreiding van zijn boodschap enkel kon ten goede komen. Ook hier is het moeilijk aan de verleiding te weerstaan de vergelijking te maken met het verlossende effect, dat aan de kruisdood van Jezus werd toegekend, en zijn consequenties op de verspreiding van de christelijke leer.

De inzichten van de Boeddha leiden ook nog tot een andere conclusie, met name de non-relevantie van de waarde die aan het individuele zelf hoort te worden toegekend. Gezien dit zelf, dat we het ego noemen, aan de oorsprong ligt van egocentrische verlangens waaruit lijden ontstaat, kan het niet als een stabiele waarde worden erkend. Het is immers voortdurend onderhevig aan uiterlijke invloeden en hierdoor steeds veranderd. Daarom beschouwde de Boeddha het belang, dat aan het zelf werd toegekend, als irrelevant. Dit concept wordt anatta genoemd. En, gezien hij zich niet inliet met metafysische bespiegelingen, ligt dit inzicht tevens aan de basis van de afwezigheid van een onsterfelijke ziel in de originele levensbeschouwing van de Boeddha. Het mag duidelijk zijn dat het voor ons westerse denken bepaald niet eenvoudig is zich het concept van reïncarnatie voor te stellen, zonder dit van het bestaan van een ziel… Voor de Boeddha zelf was evenwel noch het concept van reïncarnatie, noch dit van een onsterfelijke ziel een reële optie.

Het onderricht van de Boeddha stelt geen theoretisch concept voor, dat door een rationele intelligentie naar waarde kan worden geschat. Veeleer is het een praktische methode die ter beschikking staat van eenieder, die een weg van onderzoek en ervaring wenst te gaan. Hij kende zichzelf ook niet de verdienste toe een nieuwe kennis te verkondigen. Zijn inzichten beschouwde hij als een soort reflectie van in lang vervlogen tijden door eerdere boeddha’s verkondigde wijsheden. Zijn pad had hem slechts een kennis onthuld, die door tijd en onwetendheid was vervaagd, zo niet vervluchtigd. Bovendien zou de Boeddha er herhaaldelijk op hebben gewezen dat zijn methode noch exclusief noch onfeilbaar is, maar dat zij beroep doet op menselijke hoedanigheden zoals geduld, doorzetting en oprechtheid. Zij hoort ook niet klakkeloos te worden aangenomen. Ten aanzien van zijn discipelen was zijn boodschap steeds : begeef je op de weg en laat je leiden door je eigen ervaring.   

Het onderricht van de Boeddha doet dus geen beroep op bovennatuurlijke of magische krachten, maar op menselijke en dus natuurlijke hoedanigheden. Gezien de mens zelf de oorzaak is van zijn lijden, moet hijzelf, in zichzelf, de juiste transformatie verwezenlijken. De dharma zijnde wat hij is, of we erin opgaan of hij bezit van ons neemt, of die eenheid beantwoordt aan een integratie in de Purusha, de zuivere Geest, of in een tijdloos Zelf, het doet er niet toe ! Doorheen de praktijk van meditatie en van een passende mentale discipline leidt zijn methode tot het geleidelijke herstel van een natuurlijke harmonie.

Dit is de weg die de Boeddha ons voorhoudt.

 

 

Het onderricht van Jezus

 

 

Zich investeren in een vrije en serene benadering van het onderricht van de man, die voor miljoenen gelovigen een nauwelijks in te schatten waarde personifieert, hem beluisteren met een attent oor, zonder enige gebondenheid aan welk geloof dan ook, vereist zowel oprechtheid, bescheidenheid als respect. Velen onder ons hebben een soms doortastende en emotionele onderdompeling in het christelijke geloof gekend. Een elementaire oprechtheid nodigt daarom uit zich van die conditionering bewust te worden. Dit veronderstelt een mentale onthechting die zowel het alerte bewustzijn betreft, doorheen de kijk die we op onze opvoeding en onze culturele gebondenheid hebben, als het onbewuste en zijn genetische ballast.  

De dramatische gebeurtenissen, waardoor het levenseinde van Jezus in ons geheugen werd gestigmatiseerd, zijn ons bekend door evangelische verslagen. Aangevuld met de bijzondere perceptie van een zekere Saul van Tarsus een aantal jaren na de dood van Jezus, bepalen zij sinds twee millennia de inhoud van het christelijke geloof. Het is dan ook de vraag of het wel zinvol of betamelijk is zich vandaag nog vragen te stellen bij de interpretatie van een religieuze boodschap, die voor zovelen zowel een morele, psychische als existentiële ondersteuning betekent. Het mag duidelijk zijn dat het niet onze bedoeling is personen in hun intiemste overtuigingen te verstoren. Onze benadering richt zich niet tot overtuigden ! Wel trachten we een helpende hand te reiken aan hen die, bewust van de relativiteit van ieder geloof, op zoek zijn naar een verantwoorde realisatie van hun aanwezigheid in dit leven.

In vergelijking met de levensloop van de Boeddha herbergt die van Jezus heel wat meer mysteries. Hoewel zijn conceptie, geboorte en prille jeugd aanleiding hebben gegeven tot vervoerende en wonderbaarlijke verhalen, blijven de talrijke jaren, die aan de verkondiging van zijn boodschap zijn vooraf gegaan, nog steeds gehuld in een verbijsterende onwetendheid. Wel zijn een aantal verslagen bekend van reizigers, die op sporen van zijn aanwezigheid in India en Ladakh zijn gestoten. Die informatie zou zijn opgetekend in boeddhistische geschriften, die ter kennis kwamen van personen als Notovich, Roerig en Caspari.

Indien het leven van de Boeddha evenzeer aanleiding gaf tot stichtende verhalen, werd zijn familiale situatie heel wat concreter beschreven. Ook is de motivering van de weg die hij is gegaan in alle duidelijkheid gepreciseerd. Een opvallende maar overigens onbelangrijke gelijkenis is dat voor beiden hun openbare leven een aanvang nam op de leeftijd van ongeveer negenentwintig jaar. Weliswaar begon de Boeddha toen pas aan zijn zoektocht, terwijl Jezus rond die leeftijd de verkondiging van zijn boodschap aanvatte. Concrete gegevens omtrent een innerlijke weg, die Jezus zou zijn gegaan vooraleer van het bewustzijn te getuigen dat het zijne was, zijn bijzonder karig. Evangelische geschriften vermelden enkel dat een retraite van veertig dagen in de woestijn en een vrij beperkt verblijf bij zijn neef Johannes de Doper, aan zijn prediking zouden zijn voorafgegaan. De duur van zijn prediking als religieuze vernieuwer wordt geschat op drie jaren. Een inschatting die veeleer berust op vermoedens dan op formele feiten, maar verder van geen invloed is op de intrinsieke waarde van zijn onderricht.

Een merkwaardige vaststelling is dat zijn aanwezigheid heel weinig sporen heeft nagelaten, zowel binnen de joodse gemeenschap tot wie hij zich richtte als bij de geschiedschrijvers uit die tijd. Twintig jaren na zijn dood bleken in joodse samenleving van Palestina slechts beperkte reminiscenties aan zijn optreden te overleven. Dat sommigen hierdoor het reële bestaan van Jezus in twijfel trekken en hem eerder beschouwen als de personificatie van een religieus concept, kan dus slechts een beperkte verwondering wekken. Het bestaan van een existentiële boodschap, die aan hem wordt toegeschreven, en het juiste begrip van de inhoud ervan zijn evenwel belangrijker dan de perceptie van de persoon die haar heeft verwoord.   

Hoewel in de christelijke godsdienst Jezus wordt erkend als een unieke zoon van de bijbelse God, wordt dit geloof niet gedeeld door de godsdienst die gestalte gaf aan de Bijbel. Overigens is het evenzeer een opmerkelijke vaststelling dat, van de vier erkende evangelisten, enkel Johannes hem expliciet een goddelijke natuur toekende. De kwalificatie “zoon van God” komt uiteraard ook bij andere evangelisten voor, maar die bijbelse uitdrukking verwijst naar een goddelijke uitverkiezing, niet naar een goddelijke identiteit. Volgens de evangelist Marcus zou Jezus overigens ook die nominatie hebben miskend. (Mc 3, 11-12) Wanneer hij uiting geeft aan zijn bewustzijn van eenheid met de Vader, kan ook die verbondenheid niet worden verward met een goddelijke identiteit… In alle helderheid wijzen we er dus op dat we Jezus, net als de Boeddha, beschouwen als een mens, heel bijzonder weliswaar, maar waar we allen de zusters en broeders van zijn.

We herinneren eraan dat de uitspraken van Jezus, die we hier vermelden, afkomstig zijn uit de getuigenis die Judas Thomas ons heeft nagelaten. De taal van dit manuscript is het koptisch, dat noch leestekens, noch hoofdletters bevat. Bovendien zijn woorden en zinnen niet van elkaar gescheiden. Teneinde zoveel als mogelijk het originele karakter ervan te vrijwaren, beperkten we ons ertoe de woorden van elkaar te scheiden. Door de wetenschappers, die de manuscripten van Nag Hammadi onderzochten en publiceerden, werd de originele tekst evenwel ingedeeld in 114 logia, een Grieks woord dat “uitspraken” betekent. Terloops wijzen we erop dat, zoals elke schriftelijke getuigenis, ook dit evangelie het slachtoffer werd van onvermijdelijke bezoedelingen, inherent aan zijn transmissie.

Het eerste logion, waarin Jezus ons uitnodigt tot een correcte interpretatie van zijn woorden, vermeldt een ongewone beloning voor wie in dit opzet slaagt :

en hij heeft gezegd wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

Wat betekent : zal de dood niet smaken…? Zou een correcte interpretatie van zijn woorden gehonoreerd worden met een eeuwig leven ? Het vervolg zal in die bevraging de nodige helderheid brengen. Want niet een biologische werkelijkheid bepaalt het onderscheid tussen leven en dood, wel het bewustzijn van een spirituele verbondenheid. En hierin vervluchtigt de dood, zoals duisternis verdwijnt in het licht. In het tweede logion verduidelijkt Jezus de aard van de weg die te volgen is.

jezus heeft gezegd dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn en wanneer hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn en hij zal koning zijn over het al

De voornaamste opdracht van een koning is niet macht te bezitten, wel zijn verantwoordelijkheid waar te maken… Een analoge bedenking geldt voor het begrip koninkrijk, dat aan de orde is in het derde logion.

jezus heeft gezegd indien zij door wie jullie aangetrokken worden zeggen zie het koninkrijk is in de hemel dan zullen de vogels van de hemel jullie vóór zijn indien zij zeggen het is in de zee dan zullen de vissen jullie vóór zijn maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie wanneer jullie jezelf zullen erkennen dan zullen jullie erkend zijn en jullie zullen weten dat jullie zijn de kinderen van de vader de levende indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen dan verblijven jullie in een armoede en jullie zijn de armoede  

Zoals Paulus er expliciet van getuigde, was de verwachting van de komst van het Koninkrijk, die behoort tot de apocalyptische bijbelse profetieën, levendig aanwezig in het bewustzijn van de joden. Maar, volgens Jezus, betekent hun perceptie van dit Koninkrijk slechts een utopische verwachting. Zij die haar onderhouden zijn niet te vertrouwen. Want het Koninkrijk is aanwezig hier en nu. Het is te ervaren binnenin onszelf als er buiten. Zowel de erkenning van ons ware zelf en van de band die het met de Vader verbindt, als een juiste appreciatie van de levenswet, houden een bevrijding in van de armoedige verduistering die ons bewustzijn heeft ingepalmd.

Gezien vanuit de bijbelse orthodoxie is die perceptie van het Koninkrijk – die overigens bevestigd werd door Lucas (17,21) - op zijn minst revolutionair. Het kon dus ook niet anders dan dat zij een diepe ergernis bij de religieuze gezagdragers veroorzaakte.

De boodschap in de eerste drie logia doet enigszins terugdenken aan de sankhya : ontdoe je van bedrieglijke banden, ontdek je ware zelf en de dharma, de wet die het leven stuurt. Dit is het pad dat leidt naar de erkenning van je werkelijke natuur van kind van de vader de levende. Gezien die Vader gemeenschappelijk is aan ieder van ons, kunnen we niet anders dan die woorden te concipiëren als een beeld. De realiteit, die in het beeld verborgen is, wordt verduidelijkt in logion 15.

jezus heeft gezegd wanneer jullie hem zullen zien die niet uit een vrouw is geboren buig dan jullie aangezicht ten gronde en verheerlijk hem deze is jullie vader

Het mag duidelijk zijn dat het werkwoord zien hier in een symbolische betekenis moet worden begrepen die verwijst naar het verwerven van inzicht. De aard van die kennis wordt verder gepreciseerd als gnosis. De boodschap is dat de werkelijkheid, die in het beeld van de vader verborgen ligt, onze biologische realiteit transcendeert. Jezus onderricht ons hier evenwel dat onze mentale vermogens de mogelijkheid inhouden bewust te worden van de band, die ons met die transcendente werkelijkheid verbindt.

Teneinde zijn kennis meer bevattelijk te maken deed Jezus vaak beroep op een symbolentaal : eenvoudige beelden, die het mogelijk maken een minder toegankelijke werkelijkheid te erkennen. Voor iedere toehoorder is het de opdracht het beeld te decoderen en de verborgen inhoud ervan te ontdekken. Het is dus belangrijk de functie van het beeld correct in te schatten en vooral het beeld niet te verwarren met de werkelijkheid die het tracht te onthullen. Een dergelijke verwarring viel helaas het beeld van de vader te beurt.

In de joodse cultuur werd de vader niet enkel beschouwd als de verwekker van zijn kinderen. Zijn voornaamste taak bestond erin hen te onderwijzen, hen de juiste levenswaarden te inspireren. Die opdracht was levendig aanwezig in het bewustzijn van iedere joodse vader. Daarom was dit beeld toegankelijk voor iedereen. Jezus maakte er gebruik van, niet enkel om duidelijk te maken dat zijn kennis hem is geïnspireerd maar bovendien dat, zoals hijzelf, ieder mens over diezelfde inspiratie kan beschikken. Vervolgens nodigt hij uit tot een juiste perceptie van de wet van de Vader.   

jezus heeft gezegd zie de zaaier ging uit vulde zijn hand en wierp sommige zaden vielen op de weg vogels kwamen en pikten ze op andere vielen op rotsen en schoten geen wortel in de aarde noch richtten zij aren naar de hemel en andere vielen op doornen zij verstikten het zaad en de worm at ze op en andere vielen op de uitgelezen aarde en zij richtte een uitstekende vrucht naar de hemel de opbrengst was zestig per maat en honderdtwintig per maat  (logion 9)

Zoals het beeld van een vader, is ook deze parabel herkenbaar voor ieder die vertrouwd is met het natuurlijke leven. Met zijn handeling integreert de zaaier zich in het creatieve proces waarvan de wet van de Vader getuigt. De les die deze parabel inhoudt is eenvoudig : richt je blik naar het ontluiken van het natuurlijke leven. Twee belangrijke aspecten vallen hierbij op : een spontaan creatief proces, dat berust in een harmonische eenheid van de betrokken elementen : het zaad en de goede aarde. De zaden, die van die eenheid afdwalen, nemen geen deel aan de creatieve evolutie. Voor ieder zaadje van het zaaigoed is het de finaliteit terug te gaan naar de grond waaruit het is ontstaan en in die eenheid zijn uiterlijke omhulsel los te laten - als het ware te “sterven aan zichzelf” - teneinde als anonieme dienaar te dienen.

Hoewel het beeld van een universele Vader, die de menselijke natuur transcendeert en bron is van alle leven, nog aansluit bij het bijbelse geloof, neemt dit van het Koninkrijk er duidelijk afstand van. De komst ervan afwachten is geen realistische optie. Want het Koninkrijk is er. Zijn aanwezigheid is echter van een spirituele orde, die zich slechts kan openbaren doorheen een doorgedreven innerlijke zoektocht. Die van de bijbelse traditie afwijkende visie wordt verder bevestigd.  

jezus heeft gezegd de farizeeërs en de schriftgeleerden hebben de sleutels van de kennis [gnosis] genomen en hebben ze verborgen noch zijn zij zelf binnengegaan noch lieten zij toe dat zij die wilden zouden binnengaan jullie daarentegen wees bedachtzaam als de slangen en zuiver als de duiven  (logion 39)

 

jezus heeft gezegd beklagenswaardig zijn zij de farizeeërs want zij gelijken op een hond die slaapt in de voerbak van de ossen want noch eet hijzelf noch laat hij toe dat de ossen zich voeren  (logion 102)

zijn discipelen zeiden hem vierentwintig profeten hebben in israël gesproken en allen hebben zij door jouw hart gesproken hij zei hen aan hem die levend voor jullie staat zijn jullie voorbijgegaan en jullie hebben gesproken over doden (logion 52)

Zonder enige dubbelzinnigheid brandmerkt Jezus hier de houding van de religieuze leiders. Niet, zoals in de evangeliën, omwille van hun huichelachtige gedrag, maar omdat zij zich de sleutels van de gnosis - de ware kennis - hebben toegeëigend. Zo beletten zij hen die het verlangen een vrije zoekende weg te gaan. De bijbelse profeten worden zelfs afgedaan als doden... Ook het volbrengen van joodse rituelen, als middel om een illusoir doel te bereiken, wordt afgewezen.  

jezus zei hen indien jullie vasten zullen jullie een fout begaan en indien jullie bidden zullen jullie worden veroordeeld en indien jullie aalmoezen geven zullen jullie kwaad berokkenen aan jullie geest en naar welk land jullie ook gaan welke streken jullie ook doortrekken wanneer men jullie ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet verzorg hen die ziek zijn want niet wat in jullie mond komt zal jullie bezoedelen maar wat uit jullie mond komt dit zal jullie bezoedelen  (logion 14)

Het navolgen van door anderen opgelegde rituelen of het reciteren van formele gebeden is niet relevant. Voor wat ons wordt aangeboden of waartoe we zijn genodigd horen we niet te bidden…! Wel van wezenlijk belang is het correct waarmaken van de consequenties die aan onze vrijheid verbonden zijn. Een eerlijk woord of een dienstbare daad is zoveel productiever dan het schijngevoel van bescherming, dat wordt opgewekt door het participeren aan collectieve rituelen. De intentie van Jezus lijkt duidelijk : zijn medemensen bewust maken van hun individuele verantwoordelijkheid ten aanzien van de religieuze manipulatie waar zij het slachtoffer van zijn. Zijn beoordeling van de situatie waarin zij verkeren is inderdaad niet zo fraai…

jezus heeft gezegd midden de wereld ben ik opgestaan in vlees ben ik hen verschenen allen heb ik dronken gevonden onder hen vond ik niemand die dorstig was en in mijn innerlijke zelf [psychè] had ik pijn omwille van de mensenkinderen want blind zijn zij in hun hart en zij zien niet dat zij leeg in de wereld zijn gekomen en dat zij ook zoeken leeg de wereld te verlaten ware het niet dat zij nu bedronken zijn wanneer zij hun wijn zullen hebben uitgebraakt pas dan zullen zij hun ingesteldheid veranderen  (logion 28)

Wanneer we de omstandigheden vergelijken waarin de Boeddha en Jezus hun weg gingen en hun inzichten verkondigden, is een niet onbelangrijk onderscheid aan de orde. De Boeddha begaf zich naar, integreerde zich in een wereld die in een sociale en religieuze beroering verkeerde. De aanzet tot het in vraagstellen van voorouderlijke gebruiken was er reeds duidelijk aanwezig. Jezus daarentegen werd geconfronteerd met een totaal verschillende politieke en religieuze situatie. Het joodse volk werd toen door de romeinse bezetter gegijzeld. Die pijnlijke situatie wakkerde evenwel sterk de herinnering aan hun hun bijbelse verleden aan. De bevrijdende komst van het goddelijke Koninkrijk was opnieuw een concrete verwachting geworden. Met die verwachting was Jezus het echter niet eens. Zijn boodschap werd dus niet door de omstandigheden gediend. Bovendien waren er de privilegies, waar de religieuze gezagdragers zich op beriepen. Openlijk een mening uiten die niet strookte met hun overtuigingen was gewoon suïcidaal ! Die overweging maakt het ook weinig waarschijnlijk dat Jezus zijn inzichten drie jaren lang zou hebben kunnen verkondigen…

Bovendien lijkt het ons redelijk aan te nemen dat zijn boodschap zich aanvankelijk slechts richtte tot een beperkt aantal van zijn naasten, tot hen die een juiste luisterbereidheid konden opbrengen. De verwarring die hij teweeg bracht bij diegenen die begeesterd waren door zijn charisma, zijn vrije meningsuiting, zijn therapeutische gaven en zijn sociale engagement was onvermijdelijk. Sommigen onder hen beschouwden hem als een profeet, anderen zelfs als de lang verwachte Messias. Maar een visie bijtreden die zo afwijkend is van wat hen was onderwezen, is niet vanzelfsprekend. De vragen en twijfels, die zijn prediking opriep, waren aanzienlijk…

de discipelen zeiden tot jezus hoe zal ons einde zijn jezus zei hebben jullie dan het begin ontsluierd zodat jullie zich bekommeren om het einde want daar waar het begin is daar zal het einde zijn gelukkig wie zich zal vestigen in het begin hij zal het einde kennen en de dood niet smaken  (logion 18)

zijn discipelen zeiden leer ons de plaats waar jij bent want voor ons is het noodzakelijk dat wij die zoeken hij zei hen hij die oren heeft dat hij hoort er is licht binnenin een verlicht mens en hij verlicht de hele wereld indien hij niet verlicht is hij een duisternis  (logion 24)

de discipelen zeiden welke dag zal je ons verschijnen en welke dag zullen wij je zien jezus zei wanneer jullie zich hebben ontdaan van jullie schroom en jullie klederen hebben genomen ze aan jullie voeten hebben neergelegd en vertrappeld zoals de kleine kinderen doen dan zullen jullie de zoon zien van hem die levend is en jullie zullen niet vrezen  (logion 37)

de discipelen zeiden hem wie ben je die ons dit zegt door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben maar jullie zijn als de joden want zij houden van de boom en verwerpen zijn vrucht en zij houden van de vrucht en verwerpen de boom  (logion 43)

zijn discipelen vroegen hem welke dag zal er rust zijn voor hen die dood zijn en welke dag komt de nieuwe wereld hij zei hen dit waar jullie naar uitzien is gekomen maar jullie erkennen het niet  (logion 51)

zijn discipelen zeiden hem welke dag zal het koninkrijk komen naar zijn komst kan men niet uitzien noch zal men zeggen zie het is langs hier of zie nu is het er maar het koninkrijk van de vader strekt zich uit over de aarde en de mensen zien het niet  (logion 113)

Maar, waar bevindt zich het begin ? Hoe kunnen zij het innerlijke licht ervaren, de vrucht en de boom correct associëren ? En dat Koninkrijk, dat zo afwijkend is van hun idyllische verwachtingen ? De omvang van hun verwarring is aanzienlijk… Ook heeft Jezus zo zijn twijfels omtrent zijn discipelen.

mariam zei tot jezus aan wie zijn jouw discipelen gelijkend hij zei zij gelijken aan jonge kinderen die bezit namen van een veld dat hen niet toebehoort wanneer de bezitters van het veld zullen komen zullen zij zeggen laat ons het veld in hun aanwezigheid ontdoen zij zich van hun klederen die zij hen achterlaten en geven hen hun veld terug (logion 21 partieel)

 

jezus heeft gezegd zoek en jullie zullen vinden maar dit waarover jullie me vroeger ondervroegen en waarop ik jullie toen geen antwoord gaf nu ik het wil zeggen vragen jullie er niet naar  (logion 92)

Jezus was zich dus wel van een probleem bewust. Zijn uitnodiging tot een persoonlijke introspectie, tot het erkennen van hun ware zelf dat spiritueel met de Vader verbonden is, stuit op diepe religieuze gevoeligheden. Want het bijbelse geloof berust op een gescheidenheid van de mens en zijn God, niet op een verbondenheid… Een ontvankelijkheid voor zijn onderricht vereist daarom een fundamentele ommekeer in de mentaliteiten. Bij zijn boodschap horen immers geen compromissen ! Een keuze tussen het oude en het nieuwe is onherroepelijk...

jezus heeft gezegd het is niet mogelijk dat een man twee paarden bestijgt of twee bogen spant en het is niet mogelijk dat een dienaar twee meesters dient want hij zal de ene eren en de andere beledigen nooit zal een man oude wijn drinken zonder meteen te verlangen de nieuwe wijn te drinken en men doet geen nieuwe wijn in oude zakken omdat er barsten zouden ontstaan en oude wijn doet men niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven men naait geen oude lap aan een nieuw kleed want er zou een scheur ontstaan  (logion 47)  

Het heeft er alle schijn van dat voor de discipelen die keuze te radicaal was. Weinigen onder hen onderkenden de spirituele dimensie in zijn boodschap. Want het bewustzijn hier en nu kind van de Vader de levende te zijn, toegang te hebben tot een spirituele eenheid, impliceert noodzakelijker wijze een juistere zelfkennis.

jezus heeft gezegd wie het al kent indien hij verstoken is van zichzelf is hij verstoken van het gehele veld  (logion 67)

jezus heeft gezegd voor jullie aanschijn zullen de hemelen en de aarde zich oprollen en de levende voortgekomen uit de levende zal noch dood noch angst zien want jezus zegt dit wie zichzelf ontdekt de wereld is hem niet waardig  (logion 111)

Die zelfkennis onthult in het diepst van onszelf een spirituele werkelijkheid, die de biologische natuur van het lichamelijke overstijgt. We raken hier de kwintessens van zijn boodschap.

jezus heeft gezegd indien het vlees is geworden door de Geest is dit een wonder indien daarentegen de Geest door het lichaam is dit het wonder der wonderen maar ik ben in verwondering over dit hoe die grote rijkdom is verbleven in die armoede  (logion 29)

jezus heeft gezegd wie de vader beledigt hem zal vergeven worden en wie de zoon beledigt hem zal vergeven worden wie daarentegen de zuivere Geest beledigt hem zal niet vergeven worden noch op aarde noch in de hemel  (logion 44)

Wie de vader of de zoon beledigt, beledigt slechts een beeld… De realiteit achter het beeld is van een spirituele orde. En die realiteit is onaantastbaar… Haar ontdekken, doorheen de mogelijkheden waarover het lichaam beschikt, is het wonder der wonderen. Om hierin te slagen heeft het bewustzijn echter nood aan die initiële zuiverheid, waar het hele kleine kind nog over beschikt.

jezus heeft gezegd in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen een klein kind van zeven dagen te ondervragen naar de plaats van het leven en hij zal leven want vele eersten zullen zich laatsten en zij zullen één zijn (logion 4)

jezus zag kleintjes die zoogden hij zei tot zijn discipelen deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan zij zeiden hem zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan jezus zei hen wanneer jullie de twee één zullen maken en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het innerlijke en wat boven is als wat beneden is zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt […] dan zullen jullie het rijk binnengaan (logion 22)

jezus heeft gezegd van allen die door een vrouw werden gebaard van adam tot johannes de doper is niemand meer verheven dan johannes de doper zodat zijn ogen niet zullen worden gebroken ik heb daarentegen gezegd wie onder jullie klein zal zijn zal het koninkrijk kennen en meer verheven zijn dan johannes  (logion 46)

Maar, eens te meer, hoe is die onschuldige kinderlijke zuiverheid opnieuw te herstellen ? Enigszins verrassend vervoegt de aanbeveling van Jezus de richtlijn, die ook door de vorige gidsen werd voorgehouden. De aangewezen weg veronderstelt inderdaad een mentale onthechting van de oorzaak van de talrijke verstoringen die het bewustzijn teisteren.

zijn discipelen zeiden hem is de besnijdenis nuttig of niet hij zei hen zo zij nuttig was zou hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden maar het is in de geest [pneuma] dat de ware besnijdenis haar totale waarde vindt  (logion 53)

De besnijdenis is het joodse ritueel, waarin het symbolisch oh zo belangrijke mannelijke orgaan een manipulatie van onthechting ondergaat. Van de vraag van de discipelen maakt Jezus gebruik om duidelijk te maken waarin de ware besnijdenis bestaat. Want zij betreft een mentaal gebeuren, waarbij het bewustzijn zich zodanig kan onthechten van zijn verstorende inhoud, dat het ontvankelijk wordt voor een inspiratie van de Geest. Rest evenwel de vraag hoe zo’n mentale onthechting kan worden verwezenlijkt…

[zij zagen] een samaritaan die een lam droeg en judea binnen ging hij zei tot zijn discipelen wat gaat hij aanvangen met het lam zij zeiden hem hij zal het doden en het opeten hij zei hen zolang het levend is zal hij het niet opeten maar wel indien hij het doodt en het een lijk geworden is zij zeiden op een andere wijze zal hij het niet kunnen hij zei hen jullie zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust zodat jullie geen lijk worden en worden opgegeten (logion 60)

Zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust… Dit is de voornaamste boodschap in dit logion. Die uitnodiging herhaalt zich in logion 90.

jezus heeft gezegd kom tot mij want mijn juk is doeltreffend en zacht is mijn gezag en jullie zullen een rust vinden voor jezelf

De natuurwet leert ons dat een toestand van rust steeds het herstel van een natuurlijke harmonie induceert. De mentale zuivering, die hiervan het gevolg is, maakt het mogelijk dat een meer originele harmonie zich in het bewustzijn kan vestigen, waardoor we ons bewust kunnen worden van de spirituele werkelijkheid waarin onze natuur geworteld is.

jezus heeft gezegd indien zij jullie zeggen vanwaar zijn jullie gekomen zeg hen wij zijn gekomen uit het licht daar waar het licht is ontstaan uit zichzelf heeft het zich opgericht en is het verschenen in hun beeld indien zij jullie zeggen wie zijn jullie zeg wij [zijn] zijn kinderen en de uitverkorenen van de vader de levende indien zij jullie ondervragen wat is het teken van jullie vader die in jullie is zeg hen het is een beweging met een rust  (logion 50)

De wet van de Vader drukt zich uit in een harmonisch samengaan van beweging en rust. Maar, zoals ook Krishna bevestigde, ligt een correct onderscheid tussen handelen en niet-handelen niet altijd voor de hand. (zie Bhagavad Gita, hst.4 vers 16-18) Want een rust kan ageren, zoals een actie tot rust kan brengen. Ons bewustzijn neemt evenwel een onderscheid waar. Teneinde toegang te hebben tot een juistere perceptie van de wet is het daarom noodzakelijk de verstorende inhoud in onze psyche te laten wegvloeien. En soms is die inhoud van een irrationele redelijkheid…

Jezus heeft gezegd het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw die een kruik droeg gevuld met meel terwijl zij een lange weg ging brak het oor van de kruik het meel verspreidde zich achter haar op de weg gezien zij onwetend was kon zij er niet om bedroefd zijn wanneer zij in haar huis was aangekomen zette zij de kruik neer en zag dat ze leeg was  (logion 97)

jezus heeft gezegd wanneer jullie dit in jezelf laten ontstaan dit dat van jezelf is zal jullie redden indien jullie dit niet in jezelf hebben dit dat niet van jezelf is zal jullie doden  (logion 70)

De Boeddha ervoer meditatie als het uitgelezen middel om zijn bewustzijn te ontdoen van zijn mentale turbulenties. De staat van doving, van innerlijke vrede die hiervan het gevolg is en waarin het bewustzijn zich integreert in de universele dharma, noemde hij nirwana. Het is niet ondenkbaar dat, door de ervaring van een gelijkaardige kwaliteit van rust, zich aan Jezus een bewustzijn zou hebben gereveleerd dat hij waardeerde als een spirituele verbondenheid.

Het was de voornaamste bezorgdheid van de Boeddha een oplossing te vinden voor de alomtegenwoordigheid van het lijden. Die bezorgdheid is ook Jezus niet ontgaan. Net als Krishna (hfdst. 6, 22-23) stelde ook hij de consequenties vast die een eenheidsbewustzijn op de perceptie van pijnlijke beproevingen kon teweegbrengen.

jezus heeft gezegd gelukkig de mens die de beproeving heeft gekend hij heeft het leven gevonden  (logion 58)

jezus heeft gezegd gelukkigen zijn jullie wanneer men jullie haat en vervolgt en er in jullie geen spoor zal gevonden worden daar waar jullie zijn vervolgd  (logion 68)

De gevolgen van een pijnlijke vervolging zullen worden ongedaan gemaakt… Bovendien is het niet onbelangrijk aan de uitdrukking die de beproeving gekend heeft een meer omvattende toedracht toe te kennen. Indien de betekenis ervan zich kan beperken tot : die de beproeving ondergaan heeft, kan zij ook worden uitgebreid tot de volle betekenis van kennen. Indien het lijden op een pijnlijke wijze deel uitmaakt van het leven, aan welke finaliteit beantwoordt het…?

Niets is meer subjectief dan de ervaring van lijden… Oprechtheid gebiedt ons evenwel te erkennen dat, bij het aanhoren van die woorden van Jezus, een enigszins verwarrend gevoel ons overvalt. Is het immers consequent aan te nemen dat hijzelf zijn beproevingen zou hebben ervaren zoals zij door menselijke getuigenissen werden waargenomen en gerapporteerd…? Van die menselijke betrokkenheid zijn overigens de drie verschillende versies van zijn “laatste woorden” een illustratie.

De ervaring van een bijzondere en onvermoede staat in hun bewustzijn impliceerde zowel voor Jezus als voor de Boeddha de verantwoordelijkheid hun medemensen in die ervaring te betrekken. Maar de omstandigheden voor een doeltreffende transmissie van zijn kennis waren Jezus niet gunstig gezind. De ergerlijke bedreiging, die hij voor de religieuze overheid betekende, maakte zijn aanwezigheid zelfs ronduit ongewenst. De manier waarop aan zijn verkondiging een einde werd gesteld kan dan ook geen verwondering baren.

Anderzijds mag het ook duidelijk zijn dat zijn inzichten weinig kans maakten het bewustzijn van de massa te beroeren. Menig beeld dat hij gebruikte was niet afgestemd op de mentale ontvankelijkheid van zijn medemensen.

jezus heeft gezegd ik spreek mijn verdoken woorden [mystèrion] tot hen die ze waardig zijn wat je rechter zal doen je linker hoeft niet te weten wat zij doet (logion 62)

hij heeft gezegd meester talrijk zijn zij rond de put niemand daarentegen in de put  (logion 74)

jezus heeft gezegd het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw zij nam een weinig gist stopte het in het deeg en maakte er grote broden mee wie oren heeft dat hij hoort  (logion 96)

Het woord dat Jezus gebruikte om de persoon te duiden die de weg van een mentale onthechting én van een spirituele verbondenheid gaat is monachos. De Griekse wortel ervan is monos en betekent één. Zijn betekenis sluit dus aan bij die van yogi.

jezus heeft gezegd gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen want jullie zullen het koninkrijk ontdekken omdat jullie uit hem zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan  (logion 49)

jezus heeft gezegd talrijk zijn zij die zich ophouden bij de deur maar zij die monachos zijn zij zijn het die de plaats van de bruiloft zullen binnengaan  (logion 75)

zij zeiden hem kom laten we vandaag bidden en vasten jezus zei welke fout heb ik begaan of waarin werd ik bedwongen maar wanneer de bruidegom uit de bruidskamer zal zijn gekomen dan dat men bidt en dat men vast  (logion 104)

Bidden en vasten zijn slechts zinvol wanneer eenheid gescheidenheid geworden is… De bruidskamer is bij uitstek de plaats waarin de leven scheppende eenheid van man en vrouw symbolisch wordt uitgedrukt. Dit beeld bevestigt dit van de eenheid van het zaad en de goede aarde, van het juk of van de gist in het brood, een eenheid die nog steeds onbewust aanwezig is in het bewustzijn van het kleine kind van zeven dagen. Zij is de onmiskenbare voorwaarde opdat het leven zich in een positieve creatieve evolutie zou kunnen integreren.  

Die omschakeling van een biologische naar een spirituele realiteit is evenwel voor twintig eeuwen christelijke theologie een onbeantwoorde uitdaging gebleven. De Kerk liet zich immers verleiden tot een naïeve zelfverheerlijking als de bruid van bruidegom Christus…

 

 

 

 

Enkele overwegingen

 

 

 

Het mag duidelijk zijn dat deze ontmoetingen met uitgelezen gidsen beperkt en dus onvolledig is. Zij kan worden beschouwd als een archeologische religieuze excursie, die tot doel heeft de krachtlijnen in elk onderricht te onderscheiden en een vergelijkende studie te bevorderen. Uiteraard behoeft zo’n studie meer diepgaande persoonlijke investeringen. Indien opvallende en soms onverwachte overeenkomsten te bekennen zijn, kunnen ook belangrijke divergenties niet worden miskend. Gelet op onze culturele conditionering is het niet vanzelfsprekend een religieuze benadering bij te treden, die niet uitgaat van het concept van een goddelijke werkelijkheid, maar berust in zelfkennis en een juist inzicht in de hoedanigheden die de levenswet ons toevertrouwt. Een dergelijk vertrekpunt houdt een uitdaging in ten aanzien van onze traditionele religieuze benadering. De vrijheid waarover het bewustzijn beschikt is evenwel ons meest waardevolle bezit. Haar beheren in oprechtheid, liefde en intelligentie is ongetwijfeld onze belangrijkste opdracht.

Van elk onderricht is de aanleiding een specifieke problematische situatie : de morele patstelling van Arjuna voor Krishna, de confrontatie met het menselijke lijden voor de Boeddha en het misverstand omtrent het concept Koninkrijk voor Jezus. Zij gaven gestalte aan de expressie van bijzondere inzichten in levenswaarden, die een religieuze dimensie impliceren. Want, net als yoga, refereert religie naar een verbondenheid, een eenheid, waar we allen in betrokken zijn. Ongeacht onze natuurlijke, culturele of genetische profielen, onze persoonlijke eigenheden ook, zijn we allen op een zelfde wijze met eenzelfde levenswet verbonden. Gezien in die wet de harmonie een essentiële rol vervult, zou een correcte toepassing ervan moeten resulteren in broederlijkheid en solidariteit, niet in discriminatie en confrontatie. Het tweede aspect, dat bij het religieuze principe hoort, overstijgt de natuurlijke werkelijkheid en houdt in dat we allen ook met de absolute en dus niet te bevatten oorzaak van die levenswet verbonden zijn. Het is vooral die transcendente dimensie die in ons concept van religie overheerst.

Gezien de Boeddha zich niet liet verleiden tot het in beeld brengen van een absolute oorzaak, zijn sommigen de mening toegedaan dat het boeddhisme geen religie is. Hoewel hij zich niet investeerde in een utopische kennis van een het onbevattelijke, toch is het impliciet aanwezig doorheen de dharma, de universele levenswet, waar we allen mee verbonden zijn. Eens temeer stelt zich de vraag : zijn bron en wet wezenlijk van elkaar te scheiden…?

Wanneer Jezus het heeft over een Vader, die gemeenschappelijk is aan ieder van ons, die voor ons allen een inspiratiebron is, maar waarvan het wezen onze biologische realiteit overstijgt, maakt hij gebruik van een beeld. De functie van het beeld is een moeilijk te bevatten werkelijkheid iets meer toegankelijk te maken. Want zij betreft een subtiele en ondefinieerbare spirituele aanwezigheid, die hij benoemd als de pneuma, de Geest. Zo onderricht Jezus ons dat de Geest niet alleen aan de oorsprong ligt van het lichaam en zich blijvend doorheen het lichaam reveleert maar vooral dat, in dit lichaam, het bewustzijn ontvankelijk is voor Zijn inspiratie. Hij erkent dus binnenin iedere mens een spirituele component en nodigt ons uit tot een bewustwording van die werkelijkheid.

Ook Krishna huldigt het principe van een transcendente aanwezigheid - het tijdloze Zelf, Brahma genaamd - waar ieder individueel zelf mee verbonden is. De opdracht van de mens bestaat er daarom in zijn ware natuur te erkennen doorheen een juistere perceptie van de wet die het leven stuurt.

Het eenheidsbeginsel, dat de essentie van religie uitmaakt, is dus gemeenschappelijk aan ieder van onze drie gidsen. Ook hun richtlijnen voor het gaan van een weg van bewustwording van die eenheid zijn vrijwel gelijklopend. Zij impliceren dat onze psyche zich herstelt van de verstorende gevolgen van zijn gehechtheid aan relatieve waarden en van de egocentrische verlangens die eruit voortvloeien. Die gehechtheid hoort daarom te worden afgebouwd, teneinde een meer originele vrijheid terug te vinden en onze verantwoordelijkheid correcter waar te maken. Onthechting biedt zich dus aan als het voornaamste middel om een existentiële zoektocht tot een goed einde te brengen. We horen ons te ontdoen van bedrieglijke schijnwaarden, de wijn van onze dronkenschap uit te braken, teneinde een juistere perceptie en een meer consequente beleving van onze hoedanigheden te realiseren

Ook de weg om zo’n onthechting te verwezenlijken is eensluidend. Wat het bewustzijn ertoe kan aanzetten een evolutie van loslaten te induceren, is het herstel van een meer originele harmonie in zijn structuren. Het aangewezen middel om dit te bereiken is een regelmatig en tijdelijk isolement in een bewuste rust van een bijzondere kwaliteit. Zo’n rust heeft de eigenschap op een natuurlijke wijze harmonie herstellend te zijn. Een toegenomen innerlijke harmonie maakt het mogelijk een juistere perceptie te ontwikkelen zowel van essentiële waarden als van de eigen zwakheden. Door de weg van een innerlijke zuivering te gaan - een weg waarvoor het ritueel van het doopsel symbool staat - kunnen we ons bewust worden van de verstorende bindingen die we horen los te laten.

De ervaring leert evenwel dat in werkelijkheid een voortdurende wisselwerking gaande is tussen de beide voorgehouden middelen : onthechting en rust. Enerzijds veronderstelt een bewuste diepe rust de afwezigheid van gedachten en dus het loslaten van hun oorzaak, wat een mentale onthechting inhoudt. Anderzijds is het harmonie herstellende effect van zo’n rust noodzakelijk om onze gehechtheid aan dwingende mentale invloeden af te zwakken, zo niet ongedaan te maken.

Gezien het leven wordt beheerd door een wet, waarin harmonie een essentiële rol vervult, kan een juistere perceptie van onze integratie in die waarde een positieve evolutie in ons leven enkel ten goede komen. Zoals duisternis afwezigheid is van licht en onwetendheid afwezigheid van kennis, zo ontstaat disharmonie wanneer harmonie afwezig is. Toch kan de onthulling van een meer originele en meer zuivere staat in het bewustzijn niet beletten dat het lijden steeds als een pijnlijke component in dit leven aanwezig blijft.

We hebben noch de intentie, noch de pretentie een oplossing aan te bieden voor het oh zo delicate probleem van het menselijke lijden. Toch willen we ook niet nalaten een bijzondere aandacht te hebben voor het concept van karma, dat handeling betekent, en zowel in het hindoeïsme als het boeddhisme prominent aanwezig is. We vermenen te weten dat de bijbelse God zowel het principe van almacht als dit van ultieme rechter in zich verenigt. Aan het einde van ons leven zal Hij immers een onverbiddelijk oordeel vellen over onze daden en zo onze tijdloze toekomst bepalen. In het oude India werd dit principe van rechtvaardigheid waargenomen door de wet van karma, die geïntegreerd is in de dharma, de universele levenswet. Hoewel karma de wet uitmaakt die het rad van samsara en dus van de steeds terugkerende incarnaties draaiende houdt, concretiseert het vooral het principe van een immanente en alomtegenwoordige gerechtigheid. Elke handeling genereert gevolgen, waar niet enkel de handelende persoon maar ook zijn omgeving en zelfs de natuur bij betrokken worden. Het voornaamste probleem dat dit concept evenwel oproept is dat de subtiliteit van zijn consequenties onze inzichten overstijgt.

Gezien het in deze schepping enkel de mens gegeven is zijn instincten in een zekere mate te beheersen en zo over een vrijheid van handelen te beschikken, is hij ook de enige verantwoordelijke voor de gevolgen van zijn daden. De wet van karma stipuleert dat elke handeling onherroepelijke sporen nalaat, die resulteren in zowel positieve als negatieve energieën. In dit perspectief verkrijgt ook het lijden een zinvolle plaats, want het fungeert als de verklikker van een veroorzaakte disharmonie. Anderzijds kunnen elke positieve gedachte of gevoelen, elke harmonische daad ook ageren als een lichtstraal die bij machte is de duisternis van disharmonie in te perken, zo niet ongedaan te maken. Zoals geboorte, ouderdom en dood, maakt het lijden onherroepelijk deel uit van dit leven. Het willen uitschakelen is geen realistische optie. Wat wel tot onze natuurlijke mogelijkheden behoort is de effecten ervan te milderen of de oorzaak ervan te vermijden.

Jezus nodigt ons uit zowel tot een correct onderscheid van waarden als tot een consequente toepassing van onze verantwoordelijkheid.

en hij heeft gezegd de mens is gelijkend aan een attente visser die zijn net had uitgeworpen in de zee hij haalde het uit de zee op gevuld met kleine vissen onder hen vond hij een grote uitstekende vis alle kleine vissen wierp hij terug in zee moeiteloos koos hij de grote vis uit wie oren heeft om te horen dat hij hoort  (logion 8)

jezus heeft gezegd bemin je broeder als je innerlijke zelf [psychè] waak over hem als over je oogappel  (logion 25)

Liefde en intelligentie zijn de dienaren van de harmonie, lijden is de kompaan van de disharmonie. Erkennen dat wij de oorzaak van een disharmonische toestand in onszelf te zoeken hebben is slechts een eerste stap. Een meer positief gebruik van de hoedanigheden die de levenswet ons aanreikt zou ons bovendien in staat moeten stellen het lijden efficiënter te beheersen. Want, door een passende integratie in die wet, kunnen we ons bewust worden van onze ware natuur die geworteld is in een niet te bevatten bron. Die positieve evolutie kan ons een onvermoed potentieel in het bewustzijn reveleren :

jezus heeft gezegd ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien en wat het oor niet heeft gehoord en wat de hand niet heeft geraakt en wat het hart van de mens niet heeft beroerd (logion 17)

Ook de bewustzijnstoestand die de Boeddha ervoer en die hij nirwana noemde, is volgens hem met geen woorden te beschrijven, omdat zij met geen enkele bekende toestand van het bewustzijn vergelijkbaar is. Anderzijds stelt de wetenschap vast dat we nog steeds slechts heel beperkt gebruik maken van de cerebrale structuren, die de natuur ons ter beschikking stelt. Recente onderzoeken hebben uitgewezen dat een betere coördinatie tussen onze beide hersenhelften kan leiden tot verhoogde mentale prestaties. Sommigen suggereren zelfs dat ons hersenpotentieel zich nog in een vrij pueriel stadium van zijn ontwikkeling zou bevinden.

Maar, ook indien sommige personen ooit toegang zouden hebben gehad tot een nog onontgonnen gebied in hun bewustzijn, zullen hun getuigenissen weinig gehoor vinden bij een meerderheid van de gelovige bevolking, wiens sluimerende religieuze bewustzijn blijkbaar steeds in de ban verkeert van de magie van een goddelijke almacht. Uiteraard is het zo dat, ten aanzien van de onmetelijkheid van de schepping, iedere mens slechts een onooglijk kleine, tijdelijke en kwetsbare aanwezigheid voorstelt. De gedachte dat zijn mentale vermogens hem kunnen in staat stellen zich bewust te worden van zijn integratie in een creatieve evolutie, en dus van zijn verbondenheid met haar bron, kan enkel behoren tot een surrealistische waanvoorstelling. Want, zoals de Bijbel het ons voorhoudt, is niet eenheid maar gescheidenheid hier en nu ons fatale lot...

De enige consequente houding bestaat er dan ook in onze onderdanige eerbied ten aanzien van de almachtige Schepper uit te drukken in gebeden en rituelen, die sinds mensenheugenis deel uitmaken van de religieuze beleving. Blijkbaar beantwoorden zij aan een dwingende behoefte aan bescherming, hoop en troost. Bovendien vervullen zij een niet onbelangrijke sociale functie als de uiting van een verbondenheid met een gelovige gemeenschap. Als middel om een existentiële eenheid te verwezenlijken wordt hun nut nochtans door ieder van onze gidsen in vraag gesteld. Het gaan van een persoonlijke weg van ervaring en kennis maakt dergelijke praktijken in wezen overbodig. Het is weinig zinvol zich in te laten met menselijke verordeningen, die zouden verwijzen naar een goddelijk gezag…

De observatie van diverse rituele praktijken kan overigens verwarrende gevoelens oproepen. De door de islam aan haar gelovigen opgelegde rituelen - zoals de dagelijkse gebeden, het geven van aalmoezen, het eerbiedigen van het vasten tijdens de ramadan of de bedevaart naar Mekka - werden ooit geconcipieerd om hen te sterken in hun geloof in Allah en zijn profeet Mohammed. Dit geloof betekent immers de absolute voorwaarde om hen een plaats in het eeuwige paradijs te verzekeren. De katholieke rituelen, sacramenten genaamd, doen van hun kant beroep op een rechtstreekse goddelijke interventie, teneinde eenzelfde eeuwige toekomst veilig te stellen. Uiteraard beschikt iedereen over de vrijheid die rituelen te volgen die hem of haar zinvol lijken. Toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de magische goddelijke krachten, waarop sacramenten zich beroepen, verdachte gelijkenissen vertonen met oeroude praktijken, waarin de magie van een hogere macht een prominente rol vervult.

Nog steeds kennen vele gelovigen een naïeve geloofwaardigheid toe aan hemelse beloften, ondersteund zowel door vervoerende verhalen als door helse dreigingen. De natuurlijke evolutie waarin het leven zich uitdrukt heeft evenwel een geleidelijke afgang ingeluid van een te infantiele lichtgelovigheid. In de westerse samenleving heeft het collectieve bewustzijn steeds meer moeite zich te verzoenen met dogmatische opgelegde “waarheden”. Elke religieuze perceptie is afhankelijk van het individuele bewustzijn, dat zelf onderhevig is aan een voortdurende evolutie. Dat een aantal archaïsche voorstellingen, voorgehouden door een eeuwenoude religieuze traditie, niet langer beantwoorden aan een individuele religieuze behoefte, lijkt met die evolutie onafwendbaar verbonden te zijn.

Zo tekende zich in de tweede helft van vorige eeuw een duidelijke gerichtheid af naar een meer persoonlijke spirituele beleving. Die behoefte laafde zich vooral aan bronnen uit het Oosten, zoals yoga, zen en diverse vormen van meditatie. Mede door het charisma van de Dalai Lama, kon ook het boeddhisme een vast aanzien verwerven in het Westen. We moeten evenwel erkennen dat die spirituele aspiraties slechts een minderheid raken en vaak niet meer betekenen dan een onschuldig windje, dat het rimpelloze oppervlak van het traditionele geloof nauwelijks beroert. Een stilzwijgende meerderheid van gelovigen lijkt zich inderdaad nog steeds te verzoenen met beschouwingen, die geen beroep doen op een dieper gelegen potentieel van onze mentale vermogens. De perceptie van bijzondere religieuze personages reduceert zich al te vaak tot een archetypisch beeld. Zo beperkt de aandacht voor de Boeddha zich vooral tot de perceptie van een in meditatie verzonken man, die het principe van een universeel mededogen symboliseert. De meest verspreide voorstelling van Jezus is die van de gekruisigde Christus, waarin zijn bevrijdende offer uit liefde voor ons allen levendig wordt gehouden. Uiteraard is het minder veeleisend geloof te hechten aan de verlossende waarde van het kruis, dan zelf die innerlijk bevrijdende weg te gaan, waartoe Jezus ons uitnodigt.

Deze overwegingen leiden ook spontaan tot de vraag welke reële effecten het onderricht van ieder van deze gidsen tenslotte heeft gegenereerd. Hoe werden hun boodschappen begrepen en aan welke concrete consequenties hebben zij vorm gegeven ? Het onderricht van Krishna werd niet alleen een inspiratiebron voor een groot aantal hindoes, het ligt bovendien aan de basis van wereldwijd verspreide praktijken van yoga en meditatie. Daar waar het boeddhisme een religieus concept voorhoudt, zonder evenwel een godsdienst te zijn, is de verspreiding ervan vaak gestoten op hardnekkige volkse tradities. Uit die ontmoeting resulteerden praktijken, die weliswaar de Boeddha honoreren, maar vaak ook voorbijgaan aan zijn meest elementaire richtlijnen met betrekking tot het gaan van een persoonlijke weg, bevrijd van oude gebondenheden. Dit was onder meer het geval in Tibet, waar in de VIII° eeuw Padmasambava geconfronteerd werd met een stevig vast geankerd bon geloof. Wanneer we op vandaag in Tibet of elders boeddhistische ceremonies meemaken, waarin allerhande goden en demonen hun opwachting maken, lijkt de aanbeveling van de Boeddha tot het loslaten van bovennatuurlijke percepties heel ver verwijderd. Bovendien is het opmerkelijk dat, in het spoor van Padmasambava, talrijke en eerbare lama’s zich hebben ingelaten met metafysische bespiegelingen, waarvan het Tibetaanse dodenboek en ook meer recente boeddhistische geschriften getuigen. Dit bevestigt dat een vrije religieuze weg even evolutief is als het leven zelf.  

Ook aan de boodschap van Jezus, zoals zij niet enkel door Judas Thomas maar ook door talrijke citaten in de canonische evangeliën wordt onderschreven, werd een behoorlijk problematisch lot beschoren. Hoewel zij na zijn dood spontaan geïntegreerd werd in het bijbelse geloof - wat aanvankelijk tot een aantal interne meningsverschillen aanleiding gaf, o.m. met betrekking tot de door Paulus vermaledijde besnijdenis - kende haar verspreiding een vreemde evolutie. Het strategische centrum van het nieuwe geloof verplaatste zich immers van Palestina naar Rome. Die migratie is vooral toe te schrijven aan diezelfde man, die nochtans niet tot de discipelen van Jezus behoorde. Hoewel hij ontegensprekelijk een fascinerende persoonlijkheid bezat, is het vooral ontstellend vast te stellen in welke mate hij het onderricht van Jezus miskende. Zijn overtuiging was het dat Jezus zich als een goddelijke Messias had gemanifesteerd, waardoor de komst van het Koninkrijk heel weldra werkelijkheid zou worden. Een verwachting die utopisch gebleken is en bovendien haaks staat op het concept van het Koninkrijk, waarvan Jezus ook in het Lucasevangelie (17,21) getuigt.

Het Koninkrijk is immers niet langer dat goddelijke geschenk eeuwig te kunnen doorleven, dat door Jahwe was voorbehouden aan het door Hem uitverkoren volk. Want voor Jezus is de ervaring van dit Koninkrijk de vrucht van het gaan van een innerlijk zoekende weg, die ieder van ons hier en nu kan leiden naar het bewustzijn van zijn of haar ware natuur van kind van de Vader, de Levende. Die ervaring van een spirituele en dus tijdloze eenheid houdt volgens Judas Thomas de ware bevrijding in, die tevens het onderscheid uitmaakt tussen leven en dood.

Eens te meer dringt een vergelijking met het onderricht van de Boeddha zich op. Diens voornaamste bezorgdheid was het een methode aan te reiken, die het mogelijk zou maken aan dit leven een aan zijn finaliteit meer conforme realisatie te geven. Het pertinente gebruik van een minder toegankelijk potentieel in ons bewustzijn zou ons in staat moeten stellen een juistere en minder pijnlijke realisatie van de dharma, de universele levenswet, te verwezenlijken. Dat het concept van een persoonlijke realisatie van het nirwana een bevrijding zou inhouden uit de cyclus van reïncarnaties, kon enkel de verspreiding van zijn onderricht ten goede komen.

We kunnen niet om de vaststelling heen dat het beeld van Jezus, zoals het ons werd geopenbaard doorheen de evangeliën, de brieven van Paulus, en zoals het door de primitieve geloofsgemeenschap werd gepercipieerd - dit van een bijbelse en goddelijke verlosser - grondig verschillend is van wat Judas Thomas ons onthult. De voornaamste reden hiervoor is dat de impact van de gebeurtenissen, die het levenseinde van Jezus hebben gestigmatiseerd, emotioneel zoveel belangrijker zijn gebleken dan het begrip van zijn onderricht. Ook hier geldt dat het concept van een definitieve bevrijding, waardoor ieder van ons voortaan toegang zou verkrijgen tot een eeuwig leven in zijn Koninkrijk, de beslissende factor werd in de verspreiding van het nieuwe geloof. Want die belofte betekende een ultieme hoop voor de minst bedeelden in de romeinse achterbuurten.  

Tenslotte is het een bijzondere vaststelling dat het menselijke lijden, dat het vertrekpunt was van de tocht die de Boeddha ondernam, in de persoon van Jezus werd verheerlijkt als het middel waarmee de ganse mensheid zou zijn verlost. Wie heeft het grote gelijk aan zijn zijde en wie niet…?

Zoals de erkenning van een noodzakelijke wereldwijde solidariteit een weliswaar nog broos bestaansrecht in het collectieve bewustzijn heeft verworven, zo is ook de aandacht voor een meer realistische benadering van de natuur en van de waarde die zij voor ons betekent evenzeer een bemoedigend verschijnsel in de evolutie van de mensheid. Want een verantwoorde appreciatie van de natuur, van haar wet van harmonie en van de eenheid die ons met haar verbindt, zou de aanzet kunnen betekenen tot een onverwachte religieuze bezinning. Hoewel die recente interesse vooral gedragen is door een legitieme bezorgdheid of angst voor de toekomst van onze planeet, brengt een passend respect voor de natuur en haar wetten, die tenslotte de meest zuivere expressie uitmaken van een creatieve bron, hulde aan die bron, ook al is zij door onze intelligentie niet te bevatten. Een dergelijke overweging maakt bovendien elke onenigheid tussen de aanhangers van Darwin en die van het bijbelse scheppingsverhaal volstrekt overbodig.  

De natuur is niet enkel onze universele draagmoeder, zij is bovendien, zoals Jezus er in zijn allereerste parabel onze aandacht voor opeist, een uitgelezen leermeester. Haar finaliteit is het te zijn, niet te hebben… Dit is de voornaamste les die zij ons voorhoudt. Hieruit kan de bedenking voortvloeien of de oorzaak van de talrijke disfuncties, waarvan de evolutie van de mensheid getuigt, niet is toe te schrijven aan een dubieus antwoord op de keuze waartoe onze vrijheid ons uitnodigt : hebben of zijn

Uiteraard veronderstelt een waardige beleving van dit leven het bezit van een elementair aantal middelen van bestaan en ontwikkeling. De wet van harmonie nodigt niettemin uit tot een zinvolle appreciatie van de betekenis die “hebben” en “zijn” inhouden. Het antwoord op die uitnodiging conditioneert tenslotte de harmonie in elke evolutie, zowel persoonlijk als collectief, en profileert zich als een onafwendbare uitdaging in dit leven. Maar vaak blijken de meest elementaire uitdagingen het moeilijkst te verwezenlijken…

 

 

 

 


Home