Op pad met bijzondere gidsen





Krishna, Boeddha en Jezus






Voorbeschouwing




De natuurlijke evolutie, die resulteerde in de verschijning van de homo sapiens op onze planeet, is een creatief gebeuren waarvan zowel de oorsprong als de finaliteit bijzonder moeilijk te achterhalen zijn. In welk project werd ik als mens willens nillens betrokken ? Wat is de zin van mijn aanwezigheid hier en nu ? Dit is een vraag die wellicht ieder tot mens geŽvolueerd wezen onderhuids in de ban houdt en af en toe ook in zijn bewustzijn opduikt : “Moeder, waarom leven we ?” Velen hebben getracht op die vraag een zinvol antwoord te bedenken. De begrenzingen van ons bewustzijn en zijn intelligentie laten ons echter (nog) niet toe het ondoorgrondelijke te verkennen. Onze verbeeldingskracht daarentegen lijkt wel grenzeloos…

Wat het onderscheid uitmaakt tussen de mens en alle overige levensvormen, is onlosmakelijk verbonden met een natuurlijke evolutie, die leidde tot een geleidelijke verfijning van de cerebrale structuren in het centrale zenuwstelsel van onze oerouders. Hierdoor verkregen hun mentale vermogens de tot dan toe nog ongekende eigenschappen bewust te kunnen onderscheiden en zich in te leven in een specifieke levenssituatie. De meest opmerkelijke consequentie van die verfijning is evenwel de revelatie van een individuele vrijheid, waardoor aan elkeen de mogelijkheid werd geboden eigen inzichten te ontwikkelen en beslissingen te nemen. Vooraleer de mens op aarde verscheen, was de expressie van het natuurlijke leven gestuurd door een uiterst subtiele energie, waarin het principe van ordelijkheid besloten lag. Zo lijkt elk dier te zijn voorzien van een primair bewustzijn, dat het vermogen bevat de rol, die het binnen zijn natuurlijke biotoop te vervullen heeft, correct uit te voeren. Dit soort kennis wordt het instinct genoemd. Hierdoor kon elk levend wezen, hoe beperkt ook, leren uit zijn ervaringen, zich aanpassen aan veranderende omstandigheden en zo zijn primaire bewustzijn laten ontwikkelen.

De vrijheid zelf beslissingen te kunnen nemen betekende zonder meer een baanbrekende stap in de ontwikkeling van het natuurlijke levensproces. Hierdoor was de mens immers in staat zelf wetten te bedenken en zo de ordelijkheid van het leven enigszins in eigen hand te nemen. Aan het basisprincipe, dat de uitdrukking van het leven stuurt, kon hij evenwel niets wijzigen. In zijn ontwikkeling was het hem wel gegeven zich bewust te worden van zijn verantwoordelijkheid binnen het creatieve gebeuren waar hij deel van uitmaakt. Want vrijheid en verantwoordelijkheid blijken onlosmakelijk met elkaar te zijn verbonden. Doordringen tot de consequenties van die hoedanigheden is echter geen evidente opgave… Aanvankelijk was de homo sapiens zich vooral bewust van zijn meerwaarde ten aanzien van alle overige levensvormen, waarmee hij niettemin een aantal elementaire levensinstincten deelt. Zo is ook hij voorzien van een overlevingsinstinct, waartoe niet enkel de voortplantingsdrang behoort, maar tevens de behoefte zichzelf te vrijwaren van of te verdedigen tegen gevaren die zijn bestaan bedreigen. Hierdoor nam het concept van macht, als het meest efficiŽnte middel waardoor zelfbescherming zowel individueel als collectief kon worden verzekerd, binnen iedere gemeenschap een belangrijke plaats in.

Geleidelijk groeide de menselijke samenleving uit tot een indrukwekkende verscheidenheid aan volkeren en culturen. Voor ieder van hen betekende de angst voor het onbekende aan de oorsprong van zovele onrustbarende natuurlijke fenomenen echter een permanente bron van bezorgdheid. De mens werd zich bewust van de aanwezigheid van bijzondere krachten, waartegen zijn begrensde macht duidelijk tekort schoot. Aan die frustratie meende hij te kunnen verhelpen bij middel van surrealistische voorstellingen van goden en godinnen, voorzien van ongekende mogelijkheden. Tenslotte verkreeg het concept van een uniek opperwezen, die als een almachtige heerser alle touwtjes van dit leven in de hand houdt, een uitgelezen plaats onder de concepten die als godsdiensten de mensheid overspoelden. De bedoeling ervan was een zo efficiŽnt mogelijk middel te bedenken teneinde met een ongrijpbare werkelijkheid een gepaste modus vivendi te vinden. Personen die beweerden over een bijzondere kennis te beschikken teneinde die relatie optimaal in te vullen, verkregen binnen elke gemeenschap een bijzondere erkenning. Zo werd ook het religieuze gezag een niet onbelangrijke component in de uitoefening van macht.

Hier tegenover hebben her en der enkelingen of beperkte groepen inzichten laten horen in een poging de werkelijkheid van dit leven met iets meer zin voor realisme te benaderen. Zij hadden vooral aandacht voor de eigenschappen waarover we als mens beschikken en voor de rol die ons in dit creatieve gebeuren kon zijn toebedeeld. Want, indien er een natuurlijke evolutie bestaat, hoort er ook een ordelijkheid bij waaraan ieder van ons niet alleen onderworpen is maar er tevens een betekenisvol onderdeel van uitmaakt. Aandacht hebben voor onze individuele bijdrage in die ordelijkheid betekende voor hen de meest aangewezen weg. Zij focusten zich dus vooral op het mentale potentieel dat in ieder wezen besloten ligt en op zijn functie binnen een verbondenheid met de wet die het leven stuurt. De zin van die verbondenheid achterhalen is evenwel geen voor de hand liggende opdracht ! Die zoektocht houdt immers een dubbele gerichtheid in. Enerzijds is er de levenswet en haar consequenties, waar we allen mee te maken hebben, anderzijds de kennis van het eigen wezen en van de hoedanigheden die ons in dit leven ter beschikking staan. Iedere mens maakt op een evenwaardige wijze deel uit van een creatieve evolutie, waarin hij of zij zich in een bepaald stadium van zijn of haar individuele ontwikkeling bevindt. Die relatie optimaal beleven is een opgave die elke bewust levende mens niet uit de weg kan gaan. Zo werd het nastreven van een passend evenwicht tussen de tegengestelde tendensen van egocentrisme en altruÔsme de belangrijkste hoeksteen, die de verdere ontwikkeling van het menselijke ras zou bepalen. Want tot op heden betekent binnen elke samenleving een harmonisch samengaan van het persoonlijke en het collectieve belang nog steeds een voortdurende uitdaging.

In de realisatie van dit evenwicht is de perceptie van onze individuele zelfwaarde ongetwijfeld het voornaamste onderdeel. Een correcte inschatting van die waarde betekent immers voor ieder van ons de meest delicate opgave binnen het persoonlijke proces van bewustwording. Wat houdt de differentiatie, waarvan we als homo sapiens het voorwerp zijn geweest, voor mijn persoonlijke leven in ? Hoe hoor ik mijn vrijheid te integreren in een bestaande ordelijkheid en over welke leidraad beschik ik hiervoor ? Gezien op de vraag naar de oorsprong van de schepping slechts een denbeeldig antwoord kan worden verzonnen, bestaat de meest pragmatische ingesteldheid erin een antwoord te zoeken op die meer realistische vraag : hoe maak ik op een correcte wijze gebruik van de hoedanigheden die mij in dit leven zijn toevertrouwd ?

De bijzondere gidsen, die binnen diverse culturen gepoogd hebben hun medemensen op te roepen tot een passende zelfbeschouwing, zijn voorbijgegaan aan het heersende principe van macht en hebben gewezen op hoedanigheden die voor ieder van ons een creatieve meerwaarde kunnen betekenen. Hun betrachting was tenslotte een antwoord te vinden op de vraag : hoe komen we hier en nu tot een correcte zelfrealisatie ? Beperkt het leven zich tot het tijdelijk ondergaan van een niet af te wenden lot of steekt er ook een enigmatische bedoeling achter ? Beschikken we soms over verborgen mogelijkheden die ons zouden kunnen toelaten die bedoeling te achterhalen en als een verrijking in onze beleving te ervaren ?

Want alles wel overwogen, is het onbekende aan de oorsprong van dit leven toch ook niet zů onbekend... Indien het de oorzaak is van het ontstaan van de natuurlijke werkelijkheid en het zich blijvend doorheen de natuur manifesteert, reveleert het ons een creatieve wet waarin harmonie een essentiŽle rol blijkt te vervullen. Stap voor stap onthulde de wetenschap ons inderdaad dat van het allerkleinste tot het onmeetbare kosmische niets toevallig gebeurt, dat elke stap in de natuurlijke evolutie berust in een geordend en dus harmonisch samenspel van elk onderdeeltje. In een wonderbaarlijke gulheid aan expressies getuigt de natuur van een buitengewone scheppingskracht, die zich uitdrukt doorheen een creatieve symbiose. Hoort een dergelijk creatief potentieel, ook al ligt het buiten het bereik van onze intelligentie, niet eerder vertrouwen in te boezemen dan angst...?

Toch kunnen we ook niet om de vaststelling heen dat het leven vaak meer zorgen baart dan blijdschap, meer beproevingen dan vreugde, meer lijden dan geluk... Wat is de oorzaak van die niet zů harmonische ervaringen ? Zijn zij toe te schrijven aan een almachtige Schepper of zou een satanische macht ons geluk doorkruisen ? Zouden onze beproevingen ook niet noodzakelijk te overwinnen hindernissen kunnen betekenen, waardoor we het totale potentieel van onze talenten efficiŽnter kunnen erkennen en ontwikkelen ? Is de mens bovendien niet zelf de oorzaak van zijn eigen onheil en dat van anderen ? Maakt hij wel op een juiste wijze gebruik van de vrijheid die hem is toevertrouwd ? Zou dit, dat we als een vitale disfunctie ervaren, geen diepere introspectie behoeven, waardoor we de betekenis ervan correcter kunnen inschatten ? Een dergelijke bevraging lag aan de basis van de weg die ooit de Boeddha is gegaan.

De drie monotheÔstische godsdiensten : het judaÔsme, het christendom en de islam, die allen geworteld zijn in de Hebreeuwse Bijbel, houden ons een beeld voor van een God, die zowel almachtig als barmachtig is. Die onmiskenbaar antropomorfische voorstelling van een nochtans niet te doorgronden werkelijkheid vindt haar oorsprong in een aantal revelaties, die aan bijzondere personen, profeten genaamd, zouden zijn toevertrouwd. Hoewel hun God uniek is, werden zowel zijn beeld als de inhoud van zijn wil mede bepaald door waarden die in hun tradities besloten lagen. Ondanks de vaststelling dat alle op deze aarde levende mensen gelijk zijn ten aanzien van eenzelfde levenswet - wat een essentieel onderdeel uitmaakt van het religieuze principe - kunnen we niet om de vaststelling heen dat godsdiensten een ruim aandeel hebben gehad in het tot stand komen van verdeelheden en discriminaties onder de volkeren. Welke sinistere ingeving dreef mensen ertoe zich in te beelden dat hun geloof in een religieus concept hen, bij de gratie van eenzelfde God, onderscheidde van, ja zelfs superieur maakte aan anderen ? Hoe hebben zij zich kunnen laten verleiden tot zovele waanzinnige onderlinge confrontaties ? Hoe is het te verklaren dat het antagonisme tussen ambitie en nederigheid hun zin voor verantwoordelijkheid dusdanig in verlegenheid bracht...?

Hoewel het hier geen dilemma betreft - nederigheid en ambitie hoeven niet noodzakelijk onverenigbaar te zijn - toch houdt hun relatie een uitdaging in, waarbij vooral de zin voor evenwicht nadrukkelijk wordt aangesproken. Hoe ga ik om met twee schijnbaar tegengestelde eigenschappen ? Zowel evenwicht als maat maken deel uit van het principe van harmonie. Wanneer echter de persoonlijke ambitie gaat overheersen, wijkt de zin voor bescheidenheid en wenkt een vertroebeling in de perceptie van de waarde van harmonie. Zo komt een fundamenteel evenwicht in gevaar, waardoor disharmonie dreigt te ontstaan. En hiervan zijn verstoringen het onvermijdelijke gevolg. Wanneer een gezag, dat hoort ten dienste te staan van de onwetende medemens, diens vertrouwen misbruikt door zich aan hem op te dringen, ontaardt het in een macht die eigen wetten poneert. Natuurlijke principes als vrijheid, gelijkheid en solidariteit ruimen dan de plaats voor discriminaties, waarvan confrontaties het fatale gevolg zijn. De geschiedenis van de mensheid leert ons hoe diepgaand dit conflict de evolutie in onze samenleving heeft getekend. We kunnen inderdaad niet om de vaststelling heen hoezeer gezagdragers zijn tekort geschoten in een correcte perceptie van hun verantwoordelijkheid. Ook godsdiensten zijn niet bij machte gebleken te weerstaan aan de verleiding hun gezag om te zetten in macht. De dienaar promoveerde zichzelf tot meester...

En toch is er hoop... Want hoe meer het menselijke bewustzijn zich ontwikkelt, des te nadrukkelijker onze aandacht zich blijkt te richten naar de verwezenlijking van een globale harmonische samenleving. We kunnen inderdaad niet blind zijn voor het feit dat, sinds het midden van vorige eeuw, de erkenning van de waarde van een wereldwijd wederzijds respect en van solidariteit een opmerkelijke evolutie heeft doorgemaakt. Hoe broos dit bewustzijn ook nog mag zijn, toch lijkt het belangrijker te zijn geworden dan het eerbetoon dat ooit de dappere krijger des vaderlands te beurt viel. Die vaststelling geeft meteen draagkracht aan het gevoel dat het collectieve bewustzijn, geÔnspireerd door een natuurlijke en dus harmonische evolutie, in staat zou moeten zijn een einde te stellen aan een onzinnige competitie tussen ideologische concepten, die geworteld zijn in een ver verleden en gevoed werden door existentiŽle onzekerheden en angsten. Anderzijds horen we ook te erkennen dat de “waarheden”, die door de diverse godsdiensten worden voorgehouden, de verdienste hebben gehad en nog steeds hebben aan vele mensen een antwoord te bieden op fundamentele vragen. Bovendien hebben zij, in naam van hun Godsbeeld, bijgedragen tot het vrijwaren van morele waarden, die een quasicultureel draagvlak hebben verworven. Toch overheerst nog steeds de vraag hoe realistisch de waarde is van de weg van kennis en realisatie die godsdiensten voorhouden en van de bovennatuurlijke levensverzekering die zij aanbieden.

De stemmen die, onafhankelijk van door autoritaire religieuze leiders aangeboden zekerheden, reeds in een ver verleden weerklonken, zijn vooral afkomstig uit het meer oostelijke deel van onze planeet en getuigen van een vrije en introspectieve benadering van de relatie tussen de mens en de wet die zijn leven stuurt. Hun boodschap berust niet langer op een door onwetendheid en angst gevoede overtuiging van anderen maar op een persoonlijke ervaringskennis. Het principe dat zij voorstaan is dat elke existentiŽle kennis zich slechts kan reveleren door het gaan van een innerlijke weg van zoeken en ervaren. Die weg is het, die ons toelaat een juister inzicht te verwerven omtrent onszelf en de dharma, de universele levenswet waardoor de tao zich uitdrukt. Dit empirische principe houdt evenwel in dat de waarde van de weg die gegaan wordt rechtstreeks afhankelijk is van de toestand van ieders individuele bewustzijn.

Het voornaamste probleem dat een dergelijk persoonlijk engagement inhoudt, is dat het vaak leidt tot subjectieve inzichten die niet eenvoudig te verwoorden zijn. Want de realiteit, die zich gaandeweg reveleert, overstijgt de dualiteit die zo kenmerkend is voor de relatieve werkelijkheid waarin we dagelijks vertoeven en communiceren. De "wereld der verschijnselen" en haar immense verscheidenheid betekenen slechts het manifeste aspect van een ongedifferentieerd Zijn, dat aan de oorsprong ervan ligt. Twee is immers ontstaan uit het ťťn... Indien ťťn kan beschouwd worden als het beginpunt van de verscheidenheid, hoort elke correcte realisatie van de weg onvermijdelijk te leiden tot de erkenning van onze integratie in dit eenheidsprincipe, waarvan het woord religie de verbale uitdrukking is. Is het evenwel voorstelbaar dat we, op welke wijze dan ook, toegang kunnen hebben tot een ongedifferentieerde werkelijkheid of, dat we ons minstens kunnen bewust worden van de band die ons met haar verbindt ?

Het formuleren van een antwoord op zo’n existentiŽle vraag vereist uiteraard enige realistische voorzichtigheid. Want, indien sommige inzichten onze nieuwsgierigheid prikkelen, stoten zij zich tevens aan de rede, de behoedster van onze intelligentie. De rede fungeert inderdaad als een soort rationele dwangbuis, die ons ervan weerhoudt toegang te hebben tot hoogst ongewone wegen van kennis. Hoever reikt evenwel ons inzicht in de mogelijkheden van het menselijke bewustzijn ? Heeft de rede steeds het gelijk aan haar zijde ? Is het rationeel ontoegankelijke wel wezenlijk ontoegankelijk ? Kunnen die verre en vreemde wegen van kennis soms ook niet de getuigenis inhouden van een mogelijke toegang tot een onvermoed en onontgonnen potentieel in ons bewustzijn ?

Er bestaat een vrij indrukwekkend aantal verhalen omtrent personen, die ooit toegang zouden hebben gehad tot een soort mystieke ervaring of een of andere esoterische kennis. Zijn we evenwel in staat hun getuigenissen correct in te schatten ? Zijn hun intenties, hun oprechtheid of de graad van harmonie in hun bewustzijn juist te beoordelen ? Is de ervaring van een door emoties min of meer vertroebelde psyche te onderscheiden van die welke zou zijn toe te schrijven aan een “spirituele” ingeving ? En, indien een dergelijke manifestatie zich werkelijk voordeed, hoe werd zij door anderen begrepen en verwoord ?

We raken hier de limiet waar onze intelligentie terugdeinst voor de hypothese van een mogelijke perceptie van een spirituele inflow, die haar bron zou hebben in een van de onze totaal verschillende werkelijkheid. Toch confronteert de observatie van het natuurlijke leven en van het instinct dat de dieren leidt ons evenzeer met de expressie van een subtiele leven ondersteunende energie, waarvan de oorsprong nog steeds elke wetenschappelijke verklaring overstijgt. Hoe weet een pasgeboren diertje dat het op zoek moet gaan naar de tepels van zijn moeder ? Welke mysterieuze gids leidt de zalm terug naar zijn geboorteplek ? Bij deze en zoveel meer gelijkaardige vragen kunnen we enkel de lacune in onze kennis vaststellen…

Gezien ook de mens deel uitmaakt van de natuur, ligt het voor de hand aan te nemen dat ook hij beschikking heeft over eenzelfde leidinggevende inspiratie. Kan het menselijke bewustzijn zich evenwel beroepen op een dusdanig potentieel, dat het die inspirerende aanwezigheid bewust zou kunnen ervaren ? Indien we in staat zijn primaire instincten in de onbewuste fractie van ons bewustzijn te onderkennen, is het dan onwezenlijk te veronderstellen dat we ons bovendien ook zouden kunnen bewust worden van een inspiratie aan de bron ervan en zo van onze persoonlijke betrokkenheid in die bron ? Zo’n bevraging illustreert de wezenlijke toedracht van de uitdaging die een religieuze zoektocht inhoudt. Toch ervaart een groot aantal mensen niet de behoefte zich in te laten met een kennis, die bij voorbaat als onbereikbaar en dus onrealistisch wordt aanzien. Ieder individueel bewustzijn beschikt over de vrijheid zijn behoeften en inzichten in dit leven op een persoonlijke manier in te vullen. Het mag dan ook duidelijk zijn dat de waarde van elke zoektocht naar een existentiŽle kennis slechts kan worden gewaardeerd door hen die zich bewust betrokken voelen bij die elementaire levensvraag : wie ben ik...?

Want het gaan van een realistische religieuze weg heeft niet tot doel zich een kennis van het onkenbare aan te meten, wel een juiste inschatting te maken van onze persoonlijke betrokkenheid in een bestaande ordelijkheid. De waarneming van die ordelijkheid is echter op zich reeds een bijzonder problematische onderneming, omdat de mens er blijkbaar een behoorlijk beroerd potje van heeft gemaakt. In de hoogmoedige perceptie van zijn meerwaarde heeft hij immers zelf wetten bedacht, die niet steeds in harmonie bleken te zijn met de natuurlijke levenswet. Hiervan zijn sinds mensengeheugenis verstoringen het onvermijdelijke gevolg geweest. Kan ik in deze omstandigheden mijn betrokkenheid in een universeel levensproces nu nog op een serene wijze onderzoeken ? Kan ik er nog achterkomen of mijn aanwezigheid beantwoordt aan die van een tijdelijk en begrensd partikeltje, of zou aan dit nietige deeltje ook een precieze opdracht kunnen zijn toebedeeld binnen de evolutie van een kosmisch gebeuren ? Tenslotte kunnen we ook niet om de vaststelling heen dat de talenten, die we in onszelf erkennen en we ook zo graag aan onszelf toekennen, ons slechts zijn toevertrouwd de tijd dat het leven duurt. Zij betreffen dus veeleer een tijdelijk bruikleen dan een eigen bezit. Toch zijn zij het die onze fierheid voeden… Maar aan wie of wat behoren zij dan werkelijk toe ? En vooral : aan welke finaliteit beantwoorden zij en wat is de natuur van de band die ons met die schenkende bron verbindt ? Dergelijke overwegingen maken duidelijk dat een juiste appreciatie van onze aanwezigheid in dit leven de hoeksteen uitmaakt van elke realistische religieuze zoektocht.



Onze bronnen van kennis



Onder de talrijke bronnen van kennis die zich aanbieden, kozen we er drie uit die op een wereldwijde erkenning kunnen bogen. Twee ervan hebben hun wortels in het Indische subcontinent en dateren uit het eerste millennium vůůr onze tijdrekening. Vrij algemeen wordt aangenomen dat de Bhagavad Gita, de upanishad waarin de leer van Krishna wordt verkondigd, ter schrift werd gesteld tussen de vijfde en de tweede eeuw. De mondelinge overlevering ervan heeft echter vermoedelijk heel wat eeuwen getrotseerd. Ook omtrent de precieze duiding van de geboortedatum van de Boeddha bestaan twijfels. Men neemt aan dat hij rond de vijfde eeuw vůůr onze jaartelling geboren werd in Lumbini, in het zuiden van het huidige Nepal. Zijn familie behoorde tot een leidinggevende stam, Shakya genaamd. Daar waar de Boeddha een reŽle persoon is geweest, wordt Krishna erkend als een avatar of incarnatie van de god Vishnu. Hij hoort dus te worden beschouwd als een mythologische vertolker van menselijke inzichten.

Een niet onbelangrijke vaststelling is dat de ruime periode waarin de Boeddha leefde, samenviel met die van Lao Tseu en Confucius in China, met de aanwezigheid ook van Zarathustra in PerziŽ en, in het oostelijke deel van het middellandse zeegebied, met die van bijbelse profeten en van buitengewone figuren zoals Socrates, Plato en Aristoteles. Die periode, die zich uitstrekt van de achtste tot de tweede eeuw vůůr onze jaartelling en aan de basis ligt van zowel belangrijke religieuze inzichten als van ingrijpende filosofische stromingen, werd door de Duitse filosoof Karl Jaspers gedefinieerd als het axiale tijdperk.

Het gemeenschappelijke kenmerk van die vernieuwende stromingen in het Oosten is de oproep tot een persoonlijke introspectie en bewustwording ten aanzien van bestaande religieuze praktijken, die vooral in de ban waren van magische krachten. Hun boodschap richtte zich rechtstreeks tot het volk, zonder rekening te houden met gevestigde religieuze instellingen. In India werd de religieuze beleving geleid door brahmanen, de behoeders van de vedische kennis. De oorsprong van de Veda's - een woord dat kennis betekent - ligt verborgen in een ver verleden van het Indische subcontinent. Hierin werd de lagere of relatieve wereld beschouwd als de projectie van een hogere werkelijkheid, bestaande uit een groot aantal goden en godinnen. De band, die beide realiteiten verbindt, zou het gevolg zijn geweest van een oeroffer dat ooit door de oppergod Brahma zou zijn geplengd. Dit verklaart het belang van de magie van het vuur en het offer in de toenmalige religieuze beleving. Die praktijken waren echter als het ware versteend geraakt in hun gebondenheid aan traditionele gebruiken. De vedische kennis leek meer op een sarcofaag, zorgvuldig afgeschermd door brahmanen, die vooral bewust waren van als bezorgd om hun invloed op het volk.

Gezien het leven geen verstarde maar een evolutieve werkelijkheid is, was de bewustwording van een dergelijk immobilisme onvermijdelijk geworden. Aangedreven door een economische evolutie, die zowel de landbouw als de handel bevorderde, ontwikkelden zich vernieuwende denkpatronen. Het bestaande kastensysteem, dat enkel een minderheid ten goede kwam, werd grondig in vraag gesteld. De mensen werden zich bewust dat hun vrijheid, de noodzakelijke basis voor het waarmaken van hun persoonlijke verantwoordelijkheid, in wezen door religieuze leiders gegijzeld werd. We kunnen nu reeds vermelden dat Jezus, in zijn tijd, tot een gelijkaardige vaststelling is gekomen. Overigens zullen sommigen niet nalaten de vergelijking te maken met het dogmatische conservatisme, dat gedurende eeuwen door de katholieke Kerk in stand is gehouden en eveneens aanleiding gaf tot indrukwekkende reacties. Het lijkt ons daarom aangewezen de vernieuwende inzichten, die zich toen manifesteerden, niet enkel te beschouwen als een tijdelijk lokaal fenomeen maar hen een meer universele betekenis toe te dichten. Want blijkbaar manifesteert de evolutie zich als een zich cyclisch herhalend fenomeen van actie en reactie.

Het onderricht van Krishna is ons dus bekend door de Bhagavad Gita, de upanishad die in India het meest in eer wordt gehouden en ook in het Westen op een reŽle erkenning kan bogen. Hij ligt immers aan de basis van wereldwijd verspreide praktijken van yoga en meditatie. De upanishaden zijn romaneske verhalen, die werden geconcipieerd teneinde de vedische kennis meer toegankelijk te maken voor het gewone volk. Zij worden beschouwd als de voedingsbodem van het hindoe geloof. De vedische basisgedachte houdt in dat elk wezen een individuele uitdrukking is van een ongedifferentieerde levensbron, Brahma genaamd. De diepere natuur van ieder zelf hoort dus in een eenheid te worden gezien met Dit waarin het is geworteld. Gezien, in dit relatieve bestaan, de uitdrukking van het Brahma-principe zich manifesteert in een voortdurende interactie van energie en materie, die tegengestelden en dus dualiteit genereert, beantwoordt onze lichamelijke verschijningsvorm slechts gedeeltelijk aan zijn diepere natuur. Want in ieder lichaam schuilt een ziel - de atman of het ware zelf - die verankerd is in haar tijdloze bron. Omdat de atman is ingepakt in een stoffelijk omhulsel, is hij veroordeeld tot steeds terugkerende incarnaties. De bewustwording van de ware natuur van dit zelf profileert zich zo als de weg die zou kunnen leiden tot een bevrijding uit die fatale kringloop, samsara genaamd.

Het onderricht van Krishna in de Bhagavad Gita ontwikkelt zich tegen de achtergrond van een familiestrijd tussen de Pandavas en de Kauravas, die tot eenzelfde koninklijke familie behoren. Een door Krishna ondernomen poging tot verzoening leverde echter niet het verhoopte resultaat op. Tenslotte had hij nog een laatste voorstel in petto. Hij nodigde Arjuna en zijn vijandige neef Duryodhana uit een laatste wens te uiten. Deze laatste vroeg Krishna te mogen beschikken over diens leger. Arjuna, de feilloze boogschutter bezield met een verheven gevoel voor het vervullen van zijn plicht, drukte hierop de wens uit Krishna zelf als menner van zijn strijdwagen aan zijn zijde te hebben. Van op een hoogte overschouwen zij samen het strijdtoneel. De aanblik van de aanwezigheid van zovele eerbare voorouders in het vijandige kamp weerhoudt Arjuna ervan een zinloze strijd aan te gaan. Hierop ontwikkelt zich een dialoog, die Krishna de gelegenheid biedt zijn visie op existentiŽle waarden en hun praktische toepassing toe te lichten.

De levensloop van de Boeddha is verpakt in een aantal verhalen, waarvan de geloofwaardigheid vaak moeilijk te achterhalen is. Indien zij niet steeds naar de letter horen te worden genomen, kan de symbolische betekenis ervan niettemin waardevol zijn. Zo leert de traditie ons dat de jeugd van Siddharta Gautama zou zijn verlopen in een uiterst elitaire, quasi-prinselijke omgeving. Nadat hij in het huwelijk was getreden en vader was geworden, zou hij met de hulp van een dienstknecht zijn prinselijke geborgenheid zijn ontvlucht en zo kennis hebben genomen van een van de zijne totaal verschillende leefwereld. Die ervaring onthulde hem de realiteit van het menselijke lijden en van fysieke aftakeling, wat hem in een toestand van totale ontreddering zou hebben gebracht. Wat was nog de zin van dit leven indien het resulteerde in dergelijke pijnlijke toestanden, waaraan noch hijzelf, noch de zijnen zouden kunnen ontkomen ?

Innerlijk overtuigd dat het niet de finaliteit van het leven kon zijn zoveel lijden te produceren, nam hij het besluit zijn familie vaarwel te zeggen en op zoek te gaan naar een kennis, die hem een juister inzicht in de werkelijkheid van dit bestaan zou bijbrengen. Hij had toen de leeftijd van negenentwintig jaar bereikt. Hierop vervoegde hij een gemeenschap van rondtrekkende monniken, in de hoop een gids te vinden die hem op zijn zoektocht kon begeleiden. Dit was het begin van een lange zoekende weg die, van ervaring tot ervaring, van ontgoocheling tot onthulling, zou leiden tot een bewustzijn van totale "ontwaking" - de naam Boeddha betekent “hij die ontwaakt is” - en tot een fundamenteel pragmatische perceptie van existentiŽle waarden. Het onderricht, dat hieruit resulteerde, werd verwoord in talrijke geschriften waarvan de Pali canon, die deel uitmaakt van de Theravada traditie, de belangrijkste blijkt te zijn. De overlevering ervan heeft aanleiding gegeven tot diverse stromingen in het boeddhisme zoals de mahayana, de hinayama, het zen boeddhisme en andere.

Gezien er enerzijds terechte vragen worden gesteld bij de authenticiteit van een aantal uitspraken en verhalen over zijn persoon, en dat anderzijds een kritische instelling bij het beluisteren van zijn onderricht steeds aanwezig hoort te zijn, leek het ons aangewezen het risico van ongeloofwaardigheid zoveel als mogelijk te beperken. We hebben er daarom voor gekozen onze aandacht vooral te richten op de moeizame weg die de Boeddha is gegaan en die tenslotte resulteerde in de formulering van de vier edele waarheden omtrent het lijden en van de acht aanbevelingen, die het pad van de gulden middenweg begeleiden.


Een analoog probleem stelt zich wanneer we ons een realistisch beeld trachten te vormen van de levensloop van Jezus. Hoewel diens openbare leven heel wat korter is geweest dan dit van de Boeddha - ook hier zijn we echter afhankelijk van niet feilloze veronderstellingen - maakte zijn aanwezigheid eveneens het voorwerp uit van talrijke wonderbaarlijke verhalen. Welke geloofwaardigheid horen we hieraan toe te kennen ? En vooral : hoe maken we het juiste onderscheid tussen de essentie van zijn boodschap en de commentaren en interpretaties die discipelen en volgelingen, soms nog vele jaren later, hebben gemeend er te moeten aan toevoegen ? De getuigenissen, die als geloofwaardig worden erkend, zijn voornamelijk vervat in de vier door de kerkelijke overheid erkende evangeliŽn. Hun eindredacties zijn evenwel pas vele decennia, sommigen zelfs meer dan een eeuw na de dood van Jezus tot stand gekomen. Bovendien weten we nu van het bestaan af van een aanzienlijk aantal getuigenissen, die niet door de toenmalige kerkelijke verantwoordelijken als relevant voor zijn religieuze boodschap werden weerhouden. Zij werden apocrief genoemd, wat verborgen betekent, en als onbetrouwbaar afgevoerd.

Daar waar, ten aanzien van de toen overheersende religieuze opvattingen, aan de verkondiging van de leer van de Boeddha een ruime vrijheid werd toegekend, is een dergelijk voorrecht niet te beurt gevallen aan de vernieuwende ideeŽn van Jezus. Zijn getuigenis werd immers netjes ingepakt in het bijbelse geloof, dat toen prominent in Palestina aanwezig was. Nochtans nam hij, zoals de Boeddha, duidelijk afstand van hen die toen het religieuze gezag uitmaakten. Ten aanzien van hun impact op het volk benadrukte ook hij de noodzaak van het gaan van een vrije en persoonlijke weg, ontdaan van dwingende regels en abusievelijk opgelegde rituelen. Hun gemeenschappelijke aanbeveling zouden we aldus kunnen verwoorden :

Vertrouw niet op farizeeŽn en schriftgeleerden, op hen die beweren kennis te hebben en zich opwerpen als jullie priesters, maar wees je eigen gids en je eigen toorts.

Niet zolang geleden werd de integrale versie ontdekt van een evangelie, waarvan tot dan toe slechts enkele fragmenten bekend waren : dit volgens Thomas. Het bevestigt niet alleen een groot aantal uitspraken, die we in de traditionele evangeliŽn terug vinden, het nodigt ons vooral uit tot de kern van zijn onderricht door te dringen. In vele opzichten lijkt het wel op een uitgebreide versie van zijn Bergrede. Bij het beluisteren van zijn boodschap is evenwel geen enkele religieuze connectie vereist, noch met bijbelse denkbeelden, noch met de uitzonderlijke hoedanigheden die de katholieke Kerk aan zijn persoon toekende. In dit evangelie kan hij beschouwd worden als een mens die zijn medemensen een helpende hand aanreikte, teneinde hen op een weg van bewustwording en zelfkennis te begeleiden.

In het evangelie volgens Thomas is een vrije en dus van elk institutioneel geloof onthechte Jezus aan het woord. Vermoedelijk is ook hij, net als de Boeddha, ooit een zoekende weg gegaan. Van die weg, die voor ons nog steeds tot de verborgen jaren van zijn leven behoort, stelt hij in dit evangelie de vruchten voor. De vaststelling dat hierin geen specifiek christelijke geloofswaarheden voorkomen, maakt van zijn onderricht een universeel toegankelijke getuigenis. Dit manuscript reveleert ons namelijk een merkwaardige verzameling van uitspraken, die zijn neergeschreven door een discipel, Judas Thomas genaamd, die al dan niet terecht geÔdentificeerd wordt als de apostel Thomas. De betwistbare keuze voor dit evangelie is vooral ingegeven door de indrukwekkende sereniteit en realistische logica, die de woorden van Jezus hierin uitstralen. Die keuze is evenwel ondersteund door een niet onbelangrijke uitspraak van de katholieke, maar bij deze gelegenheid wetenschappelijk zeer consequente auteurs van de “Synopse des quatre …vangiles” van de Bijbelschool van Jeruzalem :

"Het (evangelie) lijkt ons toegang te bieden tot een evangelische redactie, die voortijdig is aan de canonische evangeliŽn. Zijn getuigenis zou dan zeer belangrijk kunnen zijn bij de restitutie van de overdracht van de woorden van de Christus." (Tome 1, Prťface pagina XI)

Hoewel bij de ontdekking van elke nieuwe getuigenis de authenticiteit ervan terecht in vraag moet worden gesteld, leek het ons niet aangewezen rekening te houden met een vooringenomen standpunt van de kerkelijke overheid, dat de facto elke mogelijks verhelderende informatie als overbodig afwijst. Bovendien onthult dit evangelie ons een ongekende dimensie in de boodschap van Jezus. Want, daar waar het bijbelse geloof voorhoudt dat we, sinds de zondeval van Adam in het aardse paradijs, van onze goddelijke Schepper gescheiden zijn, leert Jezus ons dat, zoals hijzelf, iedere mens blijvend met zijn gemeenschappelijke levensbron verbonden is. Hij is dus niet verschillend van ieder van ons. Daarom nodigt hij ons uit tot een persoonlijke innerlijke zoektocht, tot het gaan van een weg van zelfkennis en bewustwording, waardoor ook wij kunnen deel hebben in het bewustzijn dat het zijne is.

Het ligt voor de hand dat dit beginsel van verbondenheid of eenheid, dat niet enkel het exclusieve voorrecht van Jezus zou zijn geweest maar tot de eigenheid is van iedere mens behoort, de traditionele gelovige grondig kan verstoren. Ter verduidelijking herinneren we eraan dat, volgens het christelijke geloof, de vereniging van de mens en zijn Schepper pas kan plaats vinden na zijn biologische dood, tenzij de komst van het door Paulus en de joden zo intens verwachte Koninkrijk zich vooralsnog zou aanmelden…

De vaststelling dat de Boeddha zich niet heeft aangesloten bij het vedische concept van het bestaan van een bovennatuurlijke godheid, Brahma genaamd, kan worden verklaard door zijn natuurlijke bescheidenheid en oprechtheid : "Wie ben ik om me in te laten met een niet te bevatten werkelijkheid...?" Hoewel hij aan het onbevattelijke geen naam gaf, is het niettemin in zijn onderricht impliciet aanwezig doorheen het begrip dharma, de universele levenswet, waar iedere mens mee verbonden is. De essentiŽle vraag die een bewust zoekende mens niet kan ontlopen is tenslotte :



Zijn we in dit leven, door welke band dan ook, verenigd met een absolute Levensbron en kunnen we, zonder beroep te doen op onze verbeelding, hier en nu die eenheid bewust ervaren, of zijn we tot onze biologische dood fataal van haar gescheiden ?








Wie oren heeft om te horen, hij of zij hore . . .


Een luisterbereidheid opbrengen voor eeuwenoude leringen, die afkomstig zijn uit verre en vreemde culturen en hierdoor vaak moeilijk te verzoenen zijn met onze westerse denkbeelden, is een hachelijke onderneming. Zijn we in staat ons onder te dompelen in van de onze zo verschillende gevoeligheden ? Die opgave lijkt alvast problematisch en betekent een niet te onderschatten hindernis voor een serene benadering en een correcte interpretatie van de inhoud van hun boodschap. Bovendien moeten we ook rekening houden met niet te vermijden bezoedelingen inherent aan elke overdracht van kennis.

Eertijds gebeurde die overdracht uitsluitend langs orale weg. Hoewel in India de betrouwbaarheid ervan relatief verzekerd was door strikte regels die hoorden bij het gebruik van verzen, betekenen woorden steeds een onoverkomelijke schakel in de communicatie van kennis. De subtiliteit van hun betekenis is soms moeilijk te vatten en maakt van de vertaling naar voor ons vertrouwde begrippen vaak een delicate opgave. Bovendien dringt de noodzaak zich op eigen intellectuele concepten iets duidelijker af te lijnen. Welke precieze betekenis kennen we toe aan begrippen als religie, geloof, het bewustzijn, de psyche, de geest of de ziel...? Gezien de onderrichten die we hier voorstellen allen een uitnodiging inhouden een weg van zelfkennis te gaan en dus een juiste inschatting te maken van de hoedanigheden die ons door de levenswet worden aangereikt, komt het elke toehoorder toe een correcte invulling te geven aan begrippen, die essentieel zijn bij een passende beoordeling van eeuwenoude concepten.

Ons bewustzijn berust in de fysiologische structuren van ons centrale zenuwstelsel en maakt dus integrerend deel uit van het lichaam. Het centraliseert de hoedanigheden zintuigelijk te kunnen waarnemen, te denken, emoties te ervaren en vrij over de keuze van onze handelingen te beslissen. De fractie, waarin onze gedachten en gevoelens samengaan, benoemen we als onze mentale vermogens of onze psyche, waarin het ego een leidinggevende rol vervult. Zijn kwetsbaarheid ligt in een evidente gevoeligheid voor externe factoren. De graad van harmonie binnenin de psyche is bepalend voor de kwaliteit van ieders individuele bewustzijn. Tenslotte is het onze intelligentie die beslist over het gebruik dat we ervan maken, doorheen haar vermogen te kunnen onderscheiden. Zo horen we ons eerst de juiste vragen te stellen vooraleer passende antwoorden te bedenken. Voor onze psyche wordt ook vaak het woord geest of ziel gebruikt, wat onvermijdelijk aanleiding geeft tot een misleidend woordgebruik. Het genetische potentieel, dat gevoed wordt door voorouderlijke ervaringen en opgeslagen ligt in de onbewuste fractie van ons bewustzijn, is bovendien een niet onbelangrijke component bij het tot stand komen van aan een traditie gerelateerde waarden.

Hoewel de omstandigheden waarin elk onderricht tot stand kwam grondig van elkaar verschillen, beantwoorden de bedenkingen die zij oproepen aan eenzelfde existentiŽle bevraging : hoe geven we aan dit leven een invulling in overeenstemming met zijn finaliteit ? Maar, is die finaliteit wel te bevatten…? Is het overigens noodzakelijk zich een voorstelling te maken van een absolute levensbron of volstaat het de levenswet zo consequent mogelijk in te vullen ? Zijn bron en wet wezenlijk van elkaar te scheiden ? Daar waar het ons niet zo moeilijk valt te erkennen dat we allen op eenzelfde wijze met eenzelfde levenswet verbonden zijn, is het toekennen van een unieke bron van die wet een onderwerp dat ons grondig verdeelt. Want, ook al is zo’n bron door ons begripsvermogen niet te bevatten, toch blijkt haar aanwezigheid te beantwoorden aan een werkelijkheid die te ervaren is, maar waarvan de beeldvorming enkel tot het imaginaire behoort.

De koppeling van de natuurlijke werkelijkheid, die zich manifesteert in een onbegrensde verscheidenheid, aan een ongedifferentieerde bron ervan veronderstelt evenwel een realistische en verifieerbare benadering van de band die ons met haar verbindt. Is het voorstelbaar dat wijzen aan de oorsprong van de Veda’s of Boeddha’s uit nog vroegere tijden mentale technieken zouden hebben ontwikkeld, waardoor hun bewustzijn in staat zou zijn geweest een dergelijke verbondenheid bewust te ervaren ? En, indien dit het geval was, kan die ervaring in rationele bewoordingen worden uitgedrukt ? Op die vraag lijkt een antwoord niet evident… Tenslotte rest ons enkel de weg van de persoonlijke ervaring om de waarachtigheid van de bevindingen van anderen te toetsen. Hierin ligt tenslotte de praktische waarde van de voorgestelde onderrichten.

Teneinde de innerlijke eenheid in elk onderricht niet te verstoren hebben we geopteerd voor een presentatie in een chronologische volgorde. Het eerst aan de beurt is dit van Krishna, zoals het in de Bhagavad Gita wordt voorgesteld. Een van de stilistische bijzonderheden die de uiteenzetting van Krishna kenmerkt, is een continu hernemen van reeds uitgedrukte ideeŽn, vaak aangevuld met subtiele nuances. We hebben ons daarom beperkt tot de weergave van de meest kenmerkende fragmenten uit de hoofdstukken 2 tot 6, in de mening dat hierin reeds de essentie van zijn boodschap vervat ligt.

We willen er vooraf op wijzen dat de sanskriet stam van het woord yoga yug is, dat we terugvinden in het Nederlandse woord juk. Een juk is een verbindingsstuk dat tot doel heeft een last lichter te maken. Het hoort dus uiteraard zelf licht te zijn. Dit doel wordt bereikt door het verwezenlijken van een eenheid tussen de drager en de last. Het woord yoga staat dus symbool voor eenheid en sluit zo aan bij de originele betekenis van religie. Yoga kan zowel verwijzen naar de weg als naar het einddoel ervan. Een yogi is een persoon die de weg gaat.































Het onderricht van Krishna







De conflictuele situatie, die het decor uitmaakt van het lyrische epos Bhagavad Gita genaamd, werd reeds toegelicht. De beschrijving ervan en het weeklagen van Arjuna, die er niet kan toe komen een onwezenlijke strijd aan te gaan, maken de inhoud uit van het eerste hoofdstuk. In hoofdstuk 2 wijst Krishna, die fungeert als de wagenmenner van de strijdwagen van Arjuna - de meester heeft zich dienaar gemaakt - op diens zwakheden. Die zijn het gevolg van zijn emotionele betrokkenheid en van het ontbreken van een juist inzicht in existentiŽle waarden. Opmerkelijk aan dit verhaal is dat, aan het einde van de 18 hoofdstukken, de situatie op het strijdtoneel nog steeds onveranderd is gebleven.





Hoofdstuk 2 Het pad van Yoga door Sankhya : de kennis die onderscheidt



Het illusoire van het tijdelijke zelf ten aanzien van het onvergankelijke zelf



Krishna sprak :

De ontmoeting van onze zintuigen met de materie, Ű zoon van Kunti, veroorzaakt gewaarwordingen van warmte en koude, van vreugde en verdriet. Efemeer zijn ze, want ze komen en gaan. Verdraag hen geduldig, Ű Bharata. (14)

Hij die er niet door wordt verstoord, die sereen en vastberaden blijft in vreugde als in beproeving, Ű beste onder de mensen, hij is er klaar voor de dood niet meer te ervaren. (15)


Het niet meer ervaren van de dood betekent vermoedelijk de bevrijding uit de cyclus van aanhoudende reÔncarnaties.


Het onwezenlijke bestaat niet, het wezenlijke houdt niet op te bestaan. Die waarheid is waargenomen door hen die de ultieme realiteit hebben aanschouwd. Weet dat Dit, dat alles doordringt, onvernietigbaar is. Niemand is bij machte het onverwoestbare Zijn te verdelgen. (16-17)


We weten dat lichamen een einde hebben. Wat hen bewoond is eeuwig, onvergankelijk, onbegrensd. Gesterkt door die kennis, Ű Bharata, ga de strijd aan. (18)


Zeker is de dood voor wie geboren wordt en zeker de (weder)geboorte voor wie sterft. Wees daarom niet verstoord door het onvermijdelijke. (27)


Alles wat geschapen is, is onmanifest in zijn oorsprong, manifesteert zich in een voorbijgaande verschijning en is opnieuw onmanifest aan het einde. Waarom hierom bezorgd zijn, Ű Bharata ? (28)


Het pad van yoga is het praktische aspect van Sankhya



Wat je werd voorgehouden is begrepen volgens Sankhya. Hoort het nu aan in termen van Yoga. Wanneer jouw intelligentie hierin gevestigd is, Ű Partha, zal je bevrijd zijn van de dwingend band van de handeling. (39)

Op dit pad is geen inspanning vergeefs en is geen belemmering aanwezig. De minste kennis van de wet [dharma] bevrijd je van een grote angst. (40)

De Veda’s betreffen de drie gunas. Wees buiten het bereik van de gunas, Ű Arjuna, bevrijd van de dualiteit, gevestigd in zuiverheid, onthecht van elk verlangen naar bezit, vervuld door het Zelf. (45)

De drie gunas zijn de drie hoedanigheden die het relatieve leven beheersen : rajas de actie, tamas de inertie en satva het evenwicht. In andere bewoordingen : beweging, rust en harmonie.

Voor een verlicht brahmaan zijn de vedas van evenveel nut als een drinkbak midden een overstroomde weide. (46)

Jij, handel omwille van de handeling zelf, nooit omwille van de vruchten. Laat jouw handelen niet bepaald worden door de verwachting van vruchten, noch vestig je in niet-handelen. (47)

Gevestigd in de eenheid, Ű Dhananjaya, vervul je handelingen zonder dwang, standvastig in succes als in tegenslag. Die stabiele mentale toestand wordt Yoga genoemd. (48)

Wanneer het mentale de verwarring van het illusoire heeft overstegen, zal je onverschillig worden voor wat je gezegd werd en voor wat je zult horen. Wanneer het mentale, dat in verwarring wordt gebracht door vedische teksten, onberoerd blijft, verankerd in het Zelf, dan zal je Yoga bereiken. (52-53)


Wie zich totaal heeft onthecht, noch toejuicht noch betreurt wat goed is of fout, wie zoals een schildpad aan alle zijden haar ledematen terugtrekt, zich onttrekt aan het object der zinnen, diens mentale toestand is standvastig. (57-58)

Want, Ű zoon van Kunti, de turbulente zinnen verstoren de mentale vermogens ook van de wijze, die betracht hen te beheersen. (60)




Hoofdstuk 3 Karma Yoga of Yoga door het handelen



Het is de opdracht van de mens die plicht te vervullen, die zijn integratie in een onbegrensd Zelf hem dicteert. Dit veronderstelt een onthechting ten opzichte van het relatieve zelf, het ego.



Arjuna sprak :

Indien U voorhoudt dat kennis hoger is dan actie, Ű Jarnardana, waarom zet U mij dan aan tot het volbrengen van zo’n gruwelijke daad ? (1)

Krishna sprak :

Zoals ik reeds gezegd heb zijn er twee wegen die zich in deze wereld aanbieden : Yoga door kennis, voor hen die een bezinning voorstaan, en Yoga door de handeling, voor hen die op actie gericht zijn. (3)

Wie door gedachten zijn zinnen beheerst en zich onthecht richt naar Yoga door het handelen, ziedaar Ű Arjuna een voortreffelijk mens. (7)

Volbreng dus de daden die jouw plicht je dicteert zonder gehechtheid. Wie in ware onthechting zijn daden volbrengt, bereikt het allerhoogste. (19)

Daar waar de onwetende daden volbrengt in gehechtheid aan de handeling, Ű Bharata, handelt de wijze, die het welzijn van de wereld voor ogen heeft, zonder enige gehechtheid. (25)

De kennis van de ware natuur der dingen - praktri - en van de principes die de handeling conditioneren - de gunas - maakt voor wie handelt hun onthechting mogelijk.

Alle handelingen worden in wezen verricht door de gunas van de natuur. Wiens mentale vermogens misleid zijn door de waardering van het ik, denkt : ik handel. Maar wie een juiste kennis bezit omtrent de gunas en hun werking, wie weet dat de gunas handelen uit zichzelf, verblijft in onthechting. (27-28)

Wie kennis bezit hoort zijn kennis niet op te leggen aan een onwetende.

Dat hij, wiens kennis volledig is, de onwetende, wiens kennis begrensd is, niet verstoort. (29)

Alle wezens gedragen zich volgens hun eigen natuur. Zo doet ook de wijze. Niets hoort te worden opgedrongen. (33)

Arjuna sprak :

Wat is het, Ű Varshneya, dat de mens ertoe aanzet zelfs ongewild het foute te volbrengen, alsof hij ertoe gedwongen wordt ? (36)

De gezegende Heer zei :

Het is het verlangen, de woede, ontsproten uit de raja-guna. Onverzadigbaar en vernietigend zijn zij. Erken hen als de vijand hier op aarde. (37)

Door dit onverzadigbare vuur van het verlangen wordt wijsheid overschaduwd. Het is de voortdurende vijand van de wijze, Ű zoon van Kunti. (39)

Het is actief in de zinnen, in het mentale en de intelligentie. Zo versluiert het de wijsheid en wordt het stoffelijke zelf misleid. (40)

Daarom, Ű beste van de Bharatas, beheers vooreerst de zinnen en ontdoe je van dit kwaad, de vernietiger van kennis en realisatie. (41)

Verfijnd zijn de zinnen, zegt men. Meer verfijnd dan de zinnen is het mentale. Nog verfijnder is de intelligentie. Wat is voorbij de intelligentie is Dat. (42)

In de kennis van wat voorbij de intelligentie is, het zelf tot rust gebracht in het Zelf, overwin de zo moeilijk te onderwerpen vijand die verlangen heet. (43)



Hoofdstuk 4 Yoga door de kennis van het verzaken aan de handeling



Verenigd in het onvergankelijke Zelf is de mens in staat de juiste daden te volbrengen. Want, zoals muziek berust in stilte, berust handelen in niet-handelen.

Wat betekent handelen en wat niet-handelen ? Zelfs de wijze is hier in verwarring. Ondoorgrondelijk is het pad van handelen. (16-17)

Wie niet-handelen ziet in handelen en handelen in niet-handelen hij is een wijze onder de mensen. Hij is ťťn en heeft alle daden verricht. (18)

De daadkracht is het natuurlijke middel om verlangens waar te maken. Wie alle daden heeft verricht heeft zich van alle verlangens bevrijd. Op voorwaarde evenwel de daden te hebben volbracht zonder gehechtheid aan hun vruchten.

Hij wiens actie bevrijd is van het vuur van het verlangen, wiens daden verteerd zijn in het vuur van kennis, wordt door hen, die de Werkelijkheid hebben aanschouwd, een wijze genoemd. (19)

Onthecht van elke betrokkenheid bij de vruchten van de handeling, voldaan, van niets afhankelijk, hoewel ten volle betrokken in zijn daden, handelt hij niet meer. (20)

Zonder enige verwachting, zijn emoties en rede beheersend, verzakend aan elke hebzucht, enkel handelend doorheen zijn lichaam, begaat hij geen enkele fout. (21)

Tevreden met wat hij ontvangt zonder vragen, de paren van tegengestelden overstijgend, vrij van verlangen, evenwichtig in succes en falen, is hij niet aan de handeling gebonden. (22)

zonder vragen” : het vragend bidden is de toevlucht van hen die onwetend zijn over wat de eenheid hen bieden kan. Het zelf, dat zich bewust is van zijn verbondenheid met het Zelf, is bevrijd van de dwingende invloed van de gunas. Ieder van zijn daden brengt eer aan het Zelf. Dit is de zin van het ware offer.

Voor hem die bevrijd is van elke gebondenheid, wiens bewustzijn gevestigd is in kennis, lost ieder van zijn daden zich op in een offergave. (23)

De ervaring als basis van kennis


Beter dan elke materiele offergave is het offer van kennis. Alle daden zonder uitzondering, Ű Partha, monden uit in kennis. (33)

Weet dit : in een nederig, onophoudend zoeken en in dienstbaarheid, zal de kennis je onderwezen worden van hen die het Werkelijke hebben ervaren. (34)

In die kennis, Ű zoon van Pandu, zal je niet langer in verwarring verkeren. Want in die kennis zal je elk wezen in jezelf erkennen en ook in mij. (35)

Zelfs al ben je de grootste onder de zondaren, op het vlot van kennis zal je al het kwade overstijgen. (36)

In deze wereld is waarlijk niets zo zuiverend als kennis. Wie zich in Yoga vervolmaakt heeft, zal dit in zichzelf erkennen. (38)

Wie vertrouwen heeft, vastberaden is en zijn zinnen beheerst, zal die kennis bereiken. Eens die kennis verworven, zal hij de opperste vrede ervaren. (39)



Hoofdstuk 5 Yoga door het handelen en de verzaking aan het handelen



Voor het tijdelijke en lichamelijke zelf is handelen onvermijdelijk. In een juiste kennis van zichzelf kan zich het bewustzijn ontwikkelen van een integratie van het zelf in een onveranderlijk Zelf. Dit bewustzijn bepaalt zijn daden en kan door niemand worden verstoord.

Arjuna sprak :

U prijst, Ű Krishna, zowel het verzaken aan de handeling als Yoga van het handelen aan. Zeg me nu duidelijk : wat van beide is het best ? (1)

De gezegende Heer sprak :

Beide, het verzaken aan de handeling als Yoga van het handelen kunnen leiden tot het opperste goed. Maar van beide is Yoga van het handelen hoger dan het verzaken aan de handeling. (2)

Weet dat de asceet, die de verzaking gekozen heeft, die verlangt noch haat, bevrijd is van de paren van tegengestelden, gemakkelijk tot onthechting kan komen. (3)

Maar onthechting is moeilijk te bereiken zonder Yoga. De wijze die het pad van Yoga gekozen heeft zal vrij snel tot de Brahma komen. (6)

Wie door Yoga zijn mentale vermogens gereinigd heeft, zichzelf en zijn zinnen beheerst, zijn zelf erkent in het Zelf van alle wezens, hij is niet betrokken bij zijn daden. (7)

Eťn met het goddelijke, erkent hij de ware werkelijkheid en zegt hij : het is niet ik die handel. Door de waarneming van zijn zinnen stelt hij eenvoudig vast dat zij het zijn die handelen ten aanzien van hun objecten. (8-9)

Hij die handelt in overgave aan het universele Wezen, die elke gehechtheid heeft losgelaten, kan niet door de zonde bezoedeld worden zoals de lotus niet door het water kan bezoedeld worden. (10)

Niet de Heer is de verwekker van de handeling noch van de daden van mensen. Noch is hij de schepper van de band die het handelen verbindt met zijn vruchten. Het is de natuur die zich hiermee belast. (14)

Maar, zoals onwetendheid vernietigd wordt door kennis, verlicht kennis Dit dat de menselijke natuur overstijgt. (16)

Wanneer hun mentale vermogens in Dit geworteld zijn, hun wezen in Dit gevestigd, aan Dit is toegewijd, door die kennis gezuiverd van elke bezoedeling, bereiken zij die staat (van het bewustzijn) die onomkeerbaar is. (17)

Hij, wiens zelf niet geraakt wordt door uiterlijkheden, weet dat geluk ligt in het Zelf. Wanneer het zelf in eenheid verkeert met de Brahma, ervaart het een tijdloos geluk. (21)



Hoofdstuk 6 De Dhyana Yoga of de Yoga van de onthechting



Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de verzaking aan de handeling en de onthechting. De onthechting betreft de gebondenheid van het mentale aan de buitenwereld, waardoor de illusie van het ik gevoed wordt.



De gezegende Heer sprak :

Hij die de daden volbrengt die zijn plicht hem dicteert, zonder gehechtheid aan de vruchten, wordt sannyasin [onthecht, monachos] genoemd en hij is een yogi. Want niemand is een yogi zonder verzaakt te hebben aan sankalpa. (1-2)

Het woord sankalpa bevat de notie van “kiem van het verlangen”. Een yogi is niet de facto een persoon die gevestigd is in de eenheid, maar hij of zij die het pad van eenheid bewandelt. Dit pad is evolutief. Het begint bij de ervaring door het onderzoeken en eindigt in het bewustzijn van de waarde van rust.

Er wordt gezegd dat voor de muni [hij die denkend onderzoekt] het pad van Yoga zich richt is op de praktijk. Voor wie Yoga bereikt heeft en erin verblijft enkel voor hem is rust het aangewezen middel. (3)

Enkel wanneer een man niet gehecht is aan zijn zinnen en zijn daden, wanneer hij heeft verzaakt aan het vuur van zijn verlangens, is hij gevestigd in Yoga. (4)

De illusie van het ego kan enkel worden opgelost in een kennis van het ware zelf. Die weg heeft ieder in zichzelf te volbrengen. Wat onze grootste vijand was - ons ego - wordt zo ons dierbaarste bezit.

De mens hoort zijn zelf in zichzelf te verheffen, niet te verlagen. Hij die in zichzelf zijn zelf heeft overwonnen heeft zijn zelf tot vriend gemaakt. Wie zijn zelf niet heeft overwonnen, diens zelf is als een vijand. (5-6)

Hij die zijn zelf heeft overwonnen kan in die diepe vrede het transcendente Zelf ervaren, dat standvastig is in warmte en koude, in vreugde en leed, in eer en oneer. (7)

Die yogi, die vervuld is door kennis en ervaring, onverstoorbaar meester van zijn zinnen, voor wie een kluit aarde, een steen of goud een gelijke waarde hebben, hij wordt ťťn [monachos] genoemd. (8)

Eenvoudig zittend, ontdaan van elke mentale verwarring zijn zinnen en gedachten beheersend, wijdt hij zich aan de zuiverende werking van Yoga. (12)

In die concentratie en mentale beheersing bereikt de yogi de vrede van de opperste bevrijding die is in mij. (15)

In dit bewustzijn, waarin door de beoefening van Yoga de gedachten afwezig zijn, het Zelf aanschouwend doorheen het zelf, vindt hij zijn welbehagen in het Zelf. (20)

Afwezigheid van gedachten is niet te verwarren met afwezigheid van intelligentie. Het welbehagen, dat zijn oorsprong vindt in een bewustzijn dat de zinnen overstijgt, wordt waargenomen door het onderscheidende vermogen van de intelligentie.

Die ervaring van een onbegrensde vreugde die de zinnen overstijgt, wordt waargenomen door de intelligentie. Hierin gevestigd is elke twijfel gebannen. (21)

Dit allerhoogste bereikt hebbend, kan hij niet meer worden verstoord, ook niet door een grote beproeving. Die onthechting ten aanzien van het lijden wordt Yoga genoemd. (22-23)

De praktische weg die voert tot een dergelijke mentale onthechting wordt meditatie genoemd. Een meditatieve rust evolueert inderdaad naar een toestand van afwezigheid zowel van gedachten als van het “ik” dat ze produceert. Een dergelijke ervaring kan worden gezien als een integratie van het ik in een absoluut Zijn.

Telkens zijn onstabiele en wankele mind verdwaalt, laat hij hem terugbrengen onder de vleugels van het Zelf. Gevestigd in die eenheid, die Yoga heet, zal hij mij zien in alles en het al in mij. Nooit zal ik hem, noch hij mij verliezen. (26-29-30)

Arjuna sprak :

Door mijn vertwijfeling kan ik het standvastige evenwicht van Yoga die U beschrijft, Ű Madhusudana, niet ervaren. Want mijn mind is onstabiel, mijn gedachten en gevoelens zijn impulsief, krachtig en alles overheersend. Zoals de wind zijn zij niet in te tomen. (33-34)

De gezegende Heer sprak :

Ongetwijfeld zijn gedachten en gevoelens moeilijk te bedwingen, want zij komen en gaan. Maar door oefening en onthechting zijn ze te beheersen. Voor een ongedisciplineerd mens is Yoga moeilijk te bereiken. Maar een volhardend en gedisciplineerd persoon kan door eigen middelen Yoga bereiken. (35-36)

Arjuna zei :

Wat kan hij bereiken, Ű Krishna, die hoewel vol vertrouwen, niet tot Yoga is gekomen, zijn inspanningen heeft laten varen en wiens gedachten van Yoga zijn afgedwaald ? Zal hij die, zonder houvast, verdwaald is op de weg naar Brahma, niet vergaan als een gebroken wolk ? Bevrijd me van mijn twijfels, Ű Krishna, want waarlijk geen ander kan me ervan bevrijden. (37-38-39)

De gezegende Heer sprak :

Noch in deze wereld, noch in die erna zal hij ten onder gaan, Ű Partha. Want niemand die handelt in oprechtheid gaat zijn ondergang tegemoet. (40)

De volgende verzen verduidelijken de idee dat, van reÔncarnatie naar reÔncarnatie, geen inspanning om Yoga te bereiken ooit verloren gaat.

Van alle yogi’s beschouw ik hem, die mij trouw vereert, wiens zelf aan mij is gehecht, als het meest volledig met mij verenigd. (47 en laatste vers van dit hoofdstuk)



Even pogen samen te vatten



De richting of zin van de weg die Krishna voorhoudt is te groeien in een bewustzijn waarin het tijdelijke en vergankelijke ik zijn ware natuur van tijdloos zelf terugvindt in een eenheid met het onbegrensde Zelf.

De gehechtheid van het tijdelijke zelf aan de zinnen en aan de krachten die de relatieve wereld beheersen - de gunas - ligt aan de basis van de bedrieglijke waarde die aan het ik wordt toegekend en die gescheidenheid genereert.

Daar waar het gaan van een weg van eenheid inhoudt onze relatieve banden los te laten, dicteert het geenszins het verzaken aan het handelen. Iedere handeling hoort evenwel bevrijd te zijn, zowel van elke dwang tot handelen als van het verlangen zich de vruchten ervan toe te eigenen.

Bevrijd van zijn egocentrische verlangens kan ieder zelf zijn ware natuur, die transcendent is aan zijn tijdelijke ik, erkennen. Gevestigd in het ongedifferentieerde Zijn kan het zelf de vruchten ervaren, die de eenheid - yoga - te bieden heeft.























Het onderricht van de Boeddha




Vooraleer we een poging wagen ons in te leven in de weg die de Boeddha is gegaan en in het onderricht dat hieruit resulteerde, lijkt het ons aangewezen oog te hebben voor de sociale en religieuze omstandigheden die het noorden van India toen kenmerkten. Het gebied, dat ten oosten is afgebakend door de delta van de Ganges en ten westen door de eerste voorlopers van het Himalaya gebergte, was het toneel van grondige culturele turbulenties. Gekatalyseerd door een vrij ingrijpende economische evolutie enerzijds en, door de verspreiding van de upanishaden anderzijds, ontwikkelde zich een stroming van vernieuwende sociale en religieuze denkbeelden. Het immobilisme van de brahmanen en hun ancestrale offerpraktijken werden publiekelijk in vraag gesteld. In de slipstream van de upanishaden zetten talrijke goeroes de mensen ertoe aan aandacht te hebben voor een kritische introspectie, die moest leiden tot een juistere aanpak van hun individuele karma.

Dit proces van bewustwording had de allures aangenomen van een soort culturele revolutie, die zich vooral concentreerde rond de stedelijke centra in het oosten. Hoewel de inzet ervan een als noodzakelijke geachte persoonlijke introspectie betrof, werd het debat ook intens op openbare plaatsen gevoerd. De sangha’s - gemeenschappen van rondtrekkende monniken onder de leiding van gereputeerde goeroes - namen snel in aantal toe en gingen vaak met elkaar doortastende onderlinge discussies aan. Door het aftakelende kastensysteem maakten monniken zelfs een niet onbelangrijk onderdeel uit van het sociale leven. Zo beschouwden gewone mensen het als hun plicht te voorzien in de dagelijkse eetbehoeften van de monniken, bikkhus genaamd. Dit zou hun persoonlijke karma zeker ten goede komen. Maar dit volstond uiteraard niet om een problematische karmische balans doeltreffend te herstellen. De voorgestelde methoden om tot een juistere navolging van de dharma - de levenswet - te komen en zich aldus van een betere reÔncarnatie te verzekeren, waren evenwel talrijk. Er ontwikkelde zich inderdaad een niet onaardige competitie tussen metafysische beschouwingen, yoga praktijken en zelfs diverse vormen van ascetisme. Waar de gewone mens evenwel vooral naar uitzag was een meer positieve ervaring van zijn dagelijkse beleving. Hoe konden hij ertoe komen de bedrieglijke impulsen eigen aan de menselijke natuur - de praktri - beter te beheersen en aan de dharma een juistere invulling te geven ?

Het gebied waar Gautama vandaan kwam was een vrij verlaten streek. Het kastensysteem en de traditionele rituelen van de brahmanen zouden er zelfs niet formeel zijn geÔntroduceerd geweest. Het valt dus moeilijk in te schatten in hoever hij weet had van de ingrijpende gebeurtenissen, die zich in de meer oostelijk gelegen gebieden afspeelden. Duidelijk is wel dat rondtrekkende monniken tot in zijn streek waren doorgedrongen. Hun aanwezigheid zal ongetwijfeld zijn nieuwsgierigheid hebben gewekt. Zo is het waarschijnlijk dat hij zich liet inlichten omtrent de reden van hun aanwezigheid. Zijn voorgehouden onwetendheid omtrent de leefomstandigheden buiten zijn afgeschermde familiale omgeving hoort dus niet te letterlijk te worden opgevat. Meer realistisch lijkt het aan te nemen dat, vooraleer hij zijn familie definitief vaarwel zei, hij zich terdege had verdiept in de problematiek van de dukkha - het menselijke lijden - en in de noodzaak van het zoeken naar een oplossing voor dit fenomeen. Want van bij zijn vertrek leek hij ervan overtuigd dat het leven een positieve ervaring hoorde te zijn en dat een oplossing dus mogelijk moest zijn. Alleen hoorde hij die nog wel te vinden…

Gesterkt door die overtuiging en intens bewust van zijn verantwoordelijkheid nam hij de pelgrimsstok ter hand en vervoegde zo de beweging van rondtrekkende monniken. Gaandeweg ontmoette hij talrijke soortgenoten, die over dag hun voedsel bedelden in de dorpen en ’s nachts een rudimentair onderkomen vonden in de nabijgelegen bossen. Vermoedelijk zal hij ook vrij snel zijn ingelicht omtrent de ingrijpende veranderingen die gaande waren in de meer oostelijk gelegen gebieden.

Het is niet onbelangrijk erop te wijzen dat de toekomstige Boeddha geen ascetisch leven ambieerde, maar zich richtte naar het hart zelf van de culturele beroering, in de hoop er een leraar te ontmoeten die hem kon begeleiden op zijn zoektocht naar een bevrijdend inzicht. Zo heeft hij zich gaandeweg ook rekenschap kunnen geven van de diverse theorieŽn en praktijken, die de talrijke sangha’s verdeelden. In de omgeving van de stad Vesali sloot hij zich tenslotte aan bij een sangha, die onder de leiding stond van de goeroe Kalama. Het concept dat de goeroe onderwees was dit van sankhya, dat vooral beroep doet op het vermogen te onderscheiden. Niet zozeer het verlangen maar de menselijke onwetendheid werd hierin geduid als de voornaamste oorzaak van onze dwalingen. Het lijden vond zijn oorzaak in een miskenning van het ware zelf. Dit zelf, dat onderliggend is aan het door het ik gestuurde bewustzijn, zou in wezen geÔntegreerd zijn in de Purusha, de universele Geest, aanwezig in ieder stoffelijk deeltje. De Purusha onderscheiden van zijn natuurlijke omhulsel, de praktri, was zowat de basis van sankhya. Het te sterk door zijn emoties belaagde bewustzijn, hoorde zich van die storingen te bevrijden, zodat de intelligentie als een rimpelloos wateroppervlak de Purusha kon weerspiegelen. De praktri is slechts een verschijningsvorm van voorbijgaande aard, die niet met de het wezenlijke zelf te verwarren is.

Gautama waardeerde dit theoretisch verleidelijke model, waarin de natuur een revelerende rol vervulde. Want, indien de bron van het lijden te zoeken was in een mentale afhankelijkheid ten aanzien van de buitenwereld, zou de afbouw van die afhankelijkheid een meer stabiel zelf kunnen reveleren, die onderliggend is aan het lichamelijke omhulsel van de praktri. Maar Gautama was vůůr alles een pragmaticus. Een metafysische theorie hoorde bevestigd te worden door de ervaring. Bovendien specifieerde de theorie dat het mentale niet uitsluitend bewust werd beleefd. Lang vůůr Freud en zijn psychanalyse waren wijzen zich bewust geworden van de aanwezigheid van een onbewuste component in het bewustzijn. Hiervan getuigen begrippen als samskara en vasana. Die onbewuste fractie was vooral getekend door vroegere voorouderlijke ervaringen, die een soort genetisch erfgoed uitmaakten en waarvan de chaotische want niet te controleren inhoud hoorde te worden opgelost.

Volgens zijn leermeester was Gautama een meer dan begenadigde leerling, die zijn ik snel zou onderscheiden van het ware zelf. Maar voor Gautama zelf was de schors van de praktri nog te stevig om al was het maar een glimp van de Purusha te kunnen ontwaren. Het door contemplatie begeleide onderscheidende onderzoek voldeed niet aan zijn verwachtingen. Toen hij zijn twijfels aan zijn meester voorlegde, bekende de goeroe dat hijzelf beroep deed op de beoefening van yoga ten einde de sankhya te realiseren. Gautama veranderde dus zijn geweer van schouder en richtte zich, met de gedrevenheid die hem eigen was, op de praktijk van yoga. Dit zou het uitgelezen middel zijn om zowel de bewuste als de onbewuste component in zijn bewustzijn te ontdoen van hun verstorende ballast. Weldra hadden voor hem de diverse asana’s - lichaamshoudingen - en pranayama’s – ademhalingstechnieken - geen geheimen meer. Ook bereikte hij vrij snel die staat van het bewustzijn - ayatana - die leegheid werd genoemd. Wanneer alle connecties met de buitenwereld waren gedoofd, bleef enkel nog leegte over…

Terwijl zijn meester jubileerde, beoordeelde Gautama, voor wie oprechtheid gold als een absolute gids, zijn ervaring als onvoldoende. Door de beoefening van yoga had hij weliswaar een staat van leegheid bereikt maar, eens die extase voorbij, had hij nog steeds te maken met de dwingende verlangens van zijn egocentrische ik. Een innerlijke vrede hoorde standvastig te zijn, tijdloos, zoals de Purusha zelf was… In wezen erkende Gautama de positieve effecten van yoga en zou hij zijn leven lang yoga blijven beoefenen, maar blijkbaar volstonden zij niet om de oorzaak van het lijden ongedaan te maken. Nadat hij bij een andere goeroe een nog hoger gewaande ayatana had uitgeprobeerd, drong zich de conclusie op dat geen enkele van die methoden hem de verwachte bevrijding had gebracht. Hij betwijfelde zelfs of de weg van de sankhya en zijn tijdloze zelf wel een realistische optie inhielden.

Zijn volgende experiment was dit van ascetisme. Samen met vijf soortgenoten verkende hij met volle overgave dit nieuwe pad. Het vasten, de meest extreme boetedoeningen en zelfkastijdingen, allen werden zij uitgeprobeerd. De traditie vermeldt dat hij, op zeker ogenblik, nog slechts met een heel dun draadje aan het leven verbonden was. Eens te meer drong zich het besluit op dat, evenmin als een koppige vasthoudendheid aan yoga, ascetisme een zinvol middel was om zijn doel te bereiken. De heroÔsche aanslagen op zijn egocentrisme hadden hem slechts tot de grenzen van zijn fysieke vermogens gebracht. Tot groot ongenoegen van zijn lotgenoten besloot hij daarom opnieuw een normaal voedingspatroon op te nemen.

Ondanks de vaststelling dat de weg die hij was gegaan veeleer geleek op een desastreuse onderneming, had geen enkele ontmoediging de vastberadenheid van Gautama aangetast. Zelfs nadat de door respectabele meesters aangereikte theorieŽn en methoden slechts tot een ontluisterende conclusie hadden geleid, bleef hij overtuigd van het bestaan van een reŽle bevrijdende weg. Na zovele mislukkingen overviel hem de gedachte of het strijden tegen wel de beste methode was om de vijand te verslaan… Is de repressie van de verlangens wel het aangewezen middel om hen uit de weg te ruimen…? Gezien alle wijzen die hij had geraadpleegd hem hadden ontgoocheld, zou hij voortaan enkel nog rekenen op een correct inzicht in zijn eigen ervaringen.

De geschriften vermelden niet hoeveel tijd zijn fysieke herstel in beslag heeft genomen. Feit is dat hij op een zekere dag zich een ervaring uit zijn kindertijd herinnerde. Het was een mooie zonnige dag. De kindermeisjes, die gehouden waren op hem te letten, hadden hem eenzaam achtergelaten onder een in bloesem gehulde appelboom. Gautama herinnerde zich hoe de natuurlijke omgeving een vreedzame rust uitstraalde en een bijzonder gevoel van intense gelukzaligheid hem plotseling in een ongekende vervoering had gebracht. Velen onder ons zullen zich waarschijnlijk een gelijksoortige ervaring uit hun kindertijd herinneren, alsof het bewustzijn zich heel even uit zijn lichamelijke gebondenheid leek los te maken. Een ongewoon en kortstondig momentum, dat ophield te bestaan zodra het mentale er zich van bewust werd. Nadat de herinnering aan dit bijzondere moment opnieuw in zijn bewustzijn was opgedoken, zou Gautama hebben uitgeroepen : “Er moet een andere weg bestaan om de verlichting te verwezenlijken !”

Hij overschouwde de omstandigheden die dit belevingsmoment hadden mogelijk gemaakt. Hij was alleen. In aanwezigheid van de meisjes en hun gebabbel was dit zeker niet mogelijk geweest. Een dergelijke ervaring behoefde dus eenzaamheid en stilte. Bovendien voelde hij zich totaal ontspannen. Geen enkel verlangen, geen enkele angst of nodeloze bezorgdheid verstoorden zijn gemoed. Wanneer hij de weg overzag die hij was gegaan, besefte hij dat hij een voortdurende argwaan had betoond ten aanzien van elke gevoel van onschuldig genieten, dat hij zich zo vaak had verzet tegen elke uiting van natuurlijk verlangen. Waarom zich verzetten tegen de spontane manifestatie van een verlangen, dat ontdaan was van enig egocentrische gerichtheid…? Zou het niet meer aangewezen zijn positieve zielstoestanden te stimuleren, eerder dan het zoeken negatieve impulsen te verdringen ? Zou het niet zinvoller zijn vreugde te bevorderen eerder dan te strijden tegen het lijden ? Indien het wenselijk is die gedragingen te vermijden, die een positieve evolutie in de weg staan, is het toch niet meer doeltreffend hun tegengestelden aan te wakkeren ?

Iedere monnik was zich bewust van de vijf onthoudingen die hij hoorde in acht te nemen : het afzien van geweld, van diefstal, van leugen, van het gebruik van genotsmiddelen en van seksuele praktijken. Hoe waardevol het principe van ahimsa - geweldloosheid - ook is, toch volstaat het slechts gedeeltelijk. Want bovendien is het aangewezen die eigenschappen te ontwikkelen, die een vreedzaam samenleven kunnen bevorderen, zoals hoffelijkheid, verdraagzaamheid en mededogen. Zo diende ook het verbod te stelen te worden aangevuld met de oprechte vreugde een aalmoes te mogen geven of, voor een monnik, een aalmoes zonder enige beoordeling in ontvangst te nemen. Bij ieder negatief aspect van het leven hoort zijn positieve tegengestelde.

Dit even natuurlijke als spontane inzicht veroorzaakte een radicale wijziging in de keuzen die Gautama voortaan zou maken. De appreciatie van het leven en van het lijden, dat er onvermijdelijk mee verbonden is, nam een vernieuwende wending. Indien de egocentrische verlangens, die integrerend deel uitmaken van de mentale component van het bewustzijn, de voornaamste oorzaak van het lijden uitmaken, kunnen altruÔstische acties er wellicht toe bijdragen het evenwicht in die mentale fractie effectiever te herstellen. Een dergelijke discipline, ondersteund door het zuiverende effect van meditatie bij middel van yoga oefeningen, zou moeten voorkomen dat we ons nog lieten verleiden tot negatieve gedragingen.

Het is niet bekend hoeveel tijd de toekomstige Boeddha nodig heeft gehad om aan zijn inzichten een concrete invulling te geven. De geschriften vermelden dat, op zekere dag, zijn pad hem voerde naar een plek die bleek te beantwoorden aan de reminiscenties uit zijn kindertijd. Er was een weelderig bos, een rustig klaterende rivier en, in de nabijheid, een dorp waar hij zijn voedsel kon bedelen. Aan de voet van een bodhi boom ging hij zitten in de houding van een mediterende yogi en gaf zich over aan de gelukzaligheid, die de natuurlijke harmonie uitstraalde. Die houding zou het archetypische beeld van de mediterende Boeddha worden. De verlichting die erop volgde reveleerde hem in het diepst van zijn wezen een staat van quasi-extatische onthechting. Die begenadigde staat van zijn bewustzijn was niet het gevolg van een of andere bovennatuurlijke interventie, maar resulteerde uit een spontane en dus natuurlijke evolutie. Hij was zich bewust dat, door een meditatieve rust, zich een stabiele innerlijke vrede in zijn bewustzijn gevestigd had en dat zijn dwingende egocentrische verlangens zich hadden gedoofd. Eindelijk had hij die zolang verhoopte bevrijding gevonden. Want, zo stelde hij vast, die toestand was blijvend, maakte voortaan deel uit van zijn diepste wezen.

De weg die hij was gegaan, en die ongeveer zeven jaren in beslag had genomen, had het mogelijk gemaakt zich te onttrekken aan alle turbulenties die het gevolg waren van zowel het persoonlijke als een collectieve karma. Door de beoefening van meditatie was hij erin geslaagd zijn mentale vermogens uit te zuiveren en zich te ontdoen van de behoeften die zij produceerden. Hij had die graad van innerlijke sereniteit bereikt, die hij als de hoogst haalbare beschouwde. Niet dat hij zich totaal had bevrijd van het lijden, van de ziekte of de dood. In zijn bewustzijn had zich gewoon een zodanige stabiele sereniteit gevestigd, die het mogelijk maakte te aanvaarden wat inherent is aan het leven, zonder dat zijn innerlijke evenwicht erdoor werd verstoord. Die toestand van innerlijke vrede noemde hij nirwana.

Nirwana betekent letterlijk “doving”. Nu het vuur van zijn egocentrische verlangens was gedoofd, had een meer zuivere en originele harmonie bezit genomen van zijn bewustzijn. Dit doet enigszins terugdenken aan de paradijselijke toestand van vůůr de zondeval van Adam of de toestand voorafgaand aan het in werking treden van het rad van samsara. Restte hem nog de opdracht zijn inzichten in een heldere taal te verwoorden en ze ten dienste te stellen van eenieder die een juistere beleving van dit leven wou nastreven.

Het zou al te naÔef zijn te veronderstellen dat wat volgde het resultaat was van een unieke meditatie, ook al zou zij verschillende dagen in beslag hebben genomen. Het is eigen aan iedere legende zowel de personages als de omstandigheden te idealiseren. Zijn bevindingen verwoordde de Boeddha eerst in de vier edele waarheden omtrent het lijden. Vervolgens formuleerde hij de acht aanbevelingen, die het pad van de gulden middenweg begeleiden en ondersteunen. Zij vertegenwoordigen het praktische aspect, dat de realisatie van het onderricht van de Boeddha voor elkeen mogelijk moet maken.











De vier edele waarheden

De edele waarheid omtrent het lijden

Geboorte is lijden, verouderen is lijden, de dood is lijden. Pijn, verdriet en wanhoop zijn lijden. Onthouden worden van wat we verlangen is lijden. Het lijden is onlosmakelijk met dit leven verbonden.

De edele waarheid omtrent de oorzaak van het lijden

De oorzaak van het lijden ligt in het verlangen dat gebonden is aan geneugten, aan de passie steeds opnieuw op zoek te gaan naar nieuwe verrukkingen. Maar, waarin is dit verlangen geworteld ? Daar waar zich aantrekkelijke en verleidelijke objecten bevinden, die worden waargenomen door de zinnen, door het mentale, dat ontzettend aangename gedachten en emoties produceert. Hierin is het verlangen geworteld, waaruit afgunst, haat en illusies ontstaan.

De edele waarheid omtrent het einde van het lijden

Wat een einde maakt aan het lijden is de opheffing van het egocentrische verlangen, zijn doving. De verzaking aan de afgunst, de haat en de illusies. Die onthechting leidt naar een mentale sereniteit en naar een stabiele innerlijke vrede die nirwana heet.

De edele waarheid omtrent het pad dat uit het lijden bevrijdt

Noch het verzaken aan zintuiglijke geneugten, noch de toevlucht tot nutteloze ontberingen bieden een duurzame oplossing. De extremen moeten worden afgewezen. Dit is het pad van de gulden middenweg.



Acht richtlijnen begeleiden dit pad



1 het juist onderscheiden

2 de juiste intentie

3 het juist spreken

4 de juiste handeling

5 het juiste levensonderhoud

6 de juiste dienstbaarheid

7 de juiste mentale discipline

8 de juiste meditatie


Gezien we hier raken aan de kern van het onderricht van de Boeddha, lijkt het ons aangewezen er even te blijven bij stilstaan.


De eerste edele waarheid erkent dat het lijden integrerend deel uitmaakt van het leven. Het is niet vreemd aan, niet strijdig met het leven. Zijn bestaan heeft een zin. Daarom is het niet realistisch het te willen bestrijden. Wel zinvol is de oorzaak, waarvan het een gevolg is, juist te onderscheiden.

De tweede waarheid is het logische vervolg op de eerste en definieert de oorzaak van het lijden. Er is hebben en er is zijn. Alles wat te maken heeft met het verlangen naar persoonlijke bevredigingen, met afgunst of afkeer, is een egocentrische reflex die betrokken is bij het hebben. Ziedaar op het pad van het zijn de hindernis die moet worden verwijderd.

De derde waarheid houdt voor dat er in het bewustzijn een toestand bestaat die de mogelijkheid inhoudt de voornaamste oorzaak van het lijden ongedaan te maken. Gezien het verlangen, evenzeer als het lijden, deel uitmaken van het leven, kunnen zij niet worden vernietigd. Wanneer we er echter in slagen geleidelijk een originele harmonie in het mentale gedeelte van het bewustzijn te herstellen, zal het bewustzijn de functie van het verlangen juister inschatten en invullen. Die toestand van harmonie, van innerlijke vrede, wordt nirwana genoemd.

Rest de meest delicate vierde waarheid, die de weg uitstippelt die leidt naar de staat van nirwana. Dit pad van de gulden middenweg wordt omschreven in acht aanbevelingen, die elke volgeling hoort in gedachte te houden.

Het vermogen juist te onderscheiden is de vrucht van een alerte intelligentie, die leidt naar een juiste kennis en onwetendheid ongedaan maakt. De juiste intentie veronderstelt een niet egocentrische maar empathische ingesteldheid. Het juist spreken drukt zich uit in een oprecht, correct en respectvol taalgebruik. De juiste handeling is een handeling die ontdaan is van elke betrokkenheid bij de vruchten ervan. Het juiste levensonderhoud refereert naar een evenwichtige levenswandel en voeding. De juiste dienstbaarheid doet beroep op een passende bescheidenheid. De juiste mentale discipline verzekert het herstel van een harmonische toestand in het bewustzijn, waarvoor de juiste meditatie het aangewezen middel is.

In tegenstelling tot de tien bijbelse geboden zijn deze aanbevelingen allen in een positieve zin geformuleerd. Het concept van de Boeddha is noch theoretisch, noch metafysisch. Zoals hij ervan uitgaat dat de expressie van het leven beheert wordt door de dharma, de universele levenswet, zo is hij er zich ook van bewust dat de oorsprong van die wet het menselijke begripsvermogen overstijgt. Daarom weigert hij in te gaan op elke metafysische beschouwing. De Boeddha is in de eerste plaats een pragmaticus. De metafysische overwegingen, die de sankhya voorhoudt, zijn wel nuttig en aantrekkelijk, maar zij bieden geen soelaas ten aanzien van het menselijke lijden.

De pali verhalen, die het vervolg van de door de Boeddha afgelegde weg beschrijven, beperken zich vooral tot de eerste vijf jaren die volgen op de formulering van zijn boodschap. Hoewel zijn parcours kan gezien worden als een strikt persoonlijk engagement van zoeken en ervaren, toch was hij er grondig van overtuigd dat hij zijn verworven kennis hoorde te delen met zijn medemensen. Het nirwana kon nooit gelijken op zijn beveiligde thuis van weleer ! Dit principe van delen, van solidariteit en mededogen, zou overigens de belangrijkste hoeksteen van zijn lering worden.

De eersten met wie hij zijn ervaring deelde waren de vijf bikkhus, die eerder zijn gezellen waren geweest bij het experimenteren van ascetisme. Zij zouden weldra zijn eerste discipelen worden. In het hertenpark van Varanasi, legde hij hen uit dat een juister inzicht in de dharma hem ertoe had gebracht af te zien van elke vorm van extreme praktijken. Niet enkel monniken, ook gewone burgers kwamen hem opzoeken en waren onder de indruk van zijn kennis en charisma. Zo ontstonden vrij snel de eerste sangha’s, die aanvankelijk uitsluitend aan mannelijke monniken waren voorbehouden. Blijkbaar was het onderbewuste van de Boeddha nog niet geheel ontdaan van de culturele ballast, waarin aan de vrouw een minderwaardige status werd toebedeeld. Later kwam hij hierop terug, ook al legde hij aan de vrouwelijke monniken enigszins discriminerende regels op. Nobody is perfect…

Het is een opmerkelijke vaststelling dat, in tegenstelling tot de bijbelse profeten, de Boeddha zich nooit heeft verzet tegen bestaande religieuze opvattingen en hun volkse praktijken. Het principe aan de grondslag van die verdraagzaamheid is zijn fundamentele respect voor de individuele vrijheid en voor de persoonlijke keuzen die eruit voortvloeien. Die tolerantie is overigens een beginsel dat het boeddhisme onderscheidt van tal van godsdiensten. Zij verklaart onder meer de aanwezigheid in de pali geschriften van goden, die hulde kwamen brengen aan de verlichte Boeddha. Zelfs Brahma zou hem met een bezoek hebben vereerd, teneinde hem ervan te overtuigen zijn kennis van dharma te delen met zijn medemensen. Dit herinnert ons enigszins aan de verhalen omtrent de occasionele aanwezigheid van de bijbelse God aan de zijde van Abraham of Mozes.

In het India van toen was het hindoeÔsme prominent aanwezig. Zo had het concept van reÔncarnatie er een algemene en onbetwiste erkenning verkregen. Dit beginsel werd moeiteloos in het boeddhisme ingepast. Maar blijkbaar heeft de Boeddha zelf zich hierover nooit expliciet uitgelaten. Wel wordt hem de uitspraak toebedeeld dat de werkelijkheid, die na de fysieke dood volgt op de staat van nirwana, niet in een reŽle kennis is te vatten.

Zoals het nirwana niet in woorden is uit te drukken, omdat het met geen enkele gekende staat van het bewustzijn te vergelijken is, zo kan ook de werkelijkheid van het paranirwana, die er na de fysieke dood op volgt, met geen woorden worden omschreven.

Hieruit werd afgeleid dat ieder die het nirwana had bereikt zou zijn bevrijd uit de dwingende cyclus van reÔncarnaties. Het ligt voor de hand dat een dergelijk perspectief van verlossing de verspreiding van zijn boodschap enkel kon ten goede komen. Ook hier is het moeilijk aan de verleiding te weerstaan de vergelijking te maken met het verlossende effect, dat aan de kruisdood van Jezus werd toegekend, en zijn consequenties op de verspreiding van de christelijke leer.

De inzichten van de Boeddha leiden ook nog tot een andere conclusie, met name de non-relevantie van de waarde die aan het individuele zelf hoort te worden toegekend. Gezien dit zelf, dat we het ego noemen, aan de oorsprong ligt van de egocentrische verlangens waaruit lijden ontstaat, kan geen enkele stabiele waarde ermee worden verbonden. Het is immers voortdurend onderhevig aan uiterlijke invloeden en hierdoor steeds veranderd. Daarom oordeelde de Boeddha dat geen absolute waarde aan dit zelf kon worden toegewezen. Dit concept wordt anatta genoemd. En, gezien hij zich niet inliet met metafysische bespiegelingen, ligt dit inzicht tevens aan de grondslag van de afwezigheid van een onsterfelijke ziel in de originele levensbeschouwing van de Boeddha. Het mag duidelijk zijn dat het voor ons westerse denken bepaald niet eenvoudig is zich het concept van reÔncarnatie voor te stellen, zonder dit van het bestaan van een ziel… Voor de Boeddha zelf maakte noch het concept van reÔncarnatie, noch dit van een onsterfelijke ziel evenwel deel uit van zijn reŽle bezorgdheid.

Het onderricht van de Boeddha stelt geen theoretisch concept voor, dat door een rationele intelligentie naar waarde kan worden geschat. Veeleer is het een praktische methode die ter beschikking staat van eenieder, die een weg van onderzoek en ervaring wenst te gaan. Hij kende zichzelf ook niet de verdienste toe een nieuwe kennis te verkondigen. Zijn inzichten beschouwde hij als een soort reflectie van in lang vervlogen tijden door eerdere boeddha’s verkondigde wijsheden. Zijn pad had hem slechts een kennis onthuld, die door tijd en onwetendheid was vervaagd, zo niet vervluchtigd. Bovendien zou de Boeddha er herhaaldelijk op hebben gewezen dat zijn methode niet exclusief noch onfeilbaar is, maar dat zij beroep doet op menselijke eigenschappen zoals geduld, doorzetting en oprechtheid. Zij hoort ook niet klakkeloos te worden aangenomen. Ten aanzien van zijn discipelen was zijn boodschap steeds : begeef je op de weg en laat je leiden door je eigen ervaring.

Het meest bijzondere aan het onderricht van de Boeddha is dat het geen beroep doet op magische of bovennatuurlijke krachten, maar op menselijke en dus natuurlijke eigenschappen. Gezien de mens zelf de oorzaak is van zijn lijden, moet hijzelf, in zichzelf, de juiste transformatie verwezenlijken. De dharma zijnde wat hij is, of we erin opgaan of hij bezit van ons neemt, of die eenheid beantwoordt aan een integratie in de Purusha, de zuivere Geest, of in een tijdloos Zelf, het doet er niet toe ! Doorheen de praktijk van meditatie en van een passende mentale discipline leidt zijn methode tot het geleidelijke herstel van een natuurlijke harmonie. Dit is de weg die de Boeddha ons voorhoudt.
















Het onderricht van Jezus





Zich investeren in een vrije en serene benadering van het onderricht van de man, die voor miljoenen gelovigen een nauwelijks in te schatten waarde personifieert, hem beluisteren met een attent oor, zonder enige gebondenheid aan welk geloof dan ook, vereist zowel oprechtheid, bescheidenheid als respect. Velen onder ons hebben een doortastende en emotionele onderdompeling in het christelijke geloof meegemaakt. De gevolgen hiervan horen we in een elementaire oprechtheid bewust onder ogen te zien. Want hierdoor werd onze kinderlijke vrijheid toch wel behoorlijk aan banden gelegd. Inzichten van anderen werden ons gewoon als een absolute waarheid opgedrongen. Willen we religieus volwassen worden, zo horen we ons van die conditionering te ontdoen en in een herwonnen vrijheid zelf een zoekende weg te gaan.

De dramatische gebeurtenissen, die het levenseinde van Jezus hebben gestigmatiseerd, zijn ons bekend door evangelische verslagen. Aangevuld met de bijzondere perceptie van een zekere Saul van Tarsus een aantal jaren na de kruisiging, bepalen zij sinds twee millennia de inhoud van het christelijke geloof. Het is dan ook de vraag of het wel zinvol of betamelijk is zich vandaag nog vragen te stellen bij de interpretatie van een religieuze boodschap, die voor zovele mensen zowel een morele, psychische als existentiŽle ondersteuning betekent. Het mag duidelijk zijn dat het niet onze bedoeling is personen in hun overtuiging te verstoren. Onze benadering richt zich niet tot overtuigden ! Wel trachten we een helpende hand te reiken aan hen die, bewust van de relativiteit van ieder geloof, op zoek zijn naar een verantwoorde realisatie van hun aanwezigheid in dit leven.

In vergelijking met de levensloop van de Boeddha is die van Jezus in heel wat meer mysteries gehuld. Naast de vaststelling dat zijn conceptie, geboorte en prille jeugd aanleiding hebben gegeven tot heel wat stichtende en wonderbaarlijke verhalen, behoren de talrijke jaren die aan de verkondiging van zijn boodschap zijn vooraf gegaan, nog steeds tot onze beklijvende onwetendheid. Wel zijn een aantal verslagen bekend van reizigers, die op sporen van zijn aanwezigheid in India en Ladakh zijn gestoten. Die informatie zou zijn opgetekend in boeddhistische geschriften, die ter kennis kwamen van personen als Notovich, Roerig en Caspari. Overigens zou de naam Isa, waarmee Jezus in de Koran wordt geÔdentificeerd, uit die streken afkomstig zijn.

Indien het leven van de Boeddha evenzeer aanleiding gaf tot vervoerende verhalen, is diens familiale situatie toch wel preciezer beschreven. Ook is de motivering van de weg die hij is gegaan in alle duidelijkheid bekend. Een opvallende maar overigens onbelangrijke gelijkenis is dat voor beiden hun openbare leven een aanvang nam op de leeftijd van ongeveer negenentwintig jaar. Weliswaar begon de Boeddha toen pas aan zijn zoektocht, terwijl Jezus rond die leeftijd zijn prediking aanvatte. Concrete gegevens omtrent de weg, die Jezus zou zijn gegaan vooraleer van het bewustzijn te getuigen dat het zijne was, zijn in de evangelische verslagen bijzonder karig. Die geschriften vermelden enkel dat een retraite van veertig dagen in de woestijn en een vrij beperkt verblijf bij zijn neef Johannes de Doper, aan zijn prediking zouden zijn voorafgegaan. De duur van zijn optreden als religieuze vernieuwer wordt geschat op drie jaren. Een inschatting die veeleer berust op vermoedens dan op formele feiten, maar verder van geen invloed is op de intrinsieke waarde van zijn onderricht.

Een merkwaardige vaststelling is dat zijn optreden heel weinig sporen heeft nagelaten, zowel onder het Palestijnse volk tot wie hij zich richtte als bij de geschiedschrijvers uit die tijd. Tachtig jaren na zijn dood bleken in Palestina nauwelijks nog reminiscenties te overleven van zijn aanwezigheid. Dat sommigen hierdoor het reŽle bestaan van Jezus in twijfel trekken en hem eerder beschouwen als de personificatie van een lokale spirituele beweging, kan dus slechts een beperkte verwondering wekken. Het bestaan van een existentiŽle boodschap, die aan hem wordt toegeschreven, en het juiste begrip van de inhoud ervan zijn evenwel belangrijker dan een keurig afgelijnde perceptie van de persoon die haar heeft verwoord.

Hoewel in het christelijk geloof Jezus wordt erkend als een unieke zoon van de bijbelse God, wordt die erkenning niet bijgetreden door de godsdienst die gestalte gaf aan de Bijbel. Overigens is het evenzeer een opmerkelijke vaststelling dat, van de vier erkende evangelisten, enkel de Johannestraditie in hem een goddelijke natuur erkende. De kwalificatie “zoon van God” komt uiteraard ook bij andere evangelisten voor, maar die bijbelse uitdrukking verwijst naar een uitverkiezing als Messias, niet naar een goddelijke identiteit. Volgens de evangelist Marcus zou Jezus overigens ook die nominatie hebben miskend. (Mc 3,11-12) Wanneer hij uiting geeft aan zijn bewustzijn van verbondenheid met de Vader, verwijst ook die eenheid niet naar een goddelijke identiteit… In alle helderheid wijzen we er dus op dat we Jezus, net als de Boeddha, beschouwen als een mens, heel bijzonder weliswaar, maar waar we allen de evenwaardige zusters en broeders van zijn.

De uitspraken van Jezus, die we hier vermelden, zijn dus afkomstig uit de getuigenis die Judas Thomas ons heeft nagelaten. Gezien de taal van dit manuscript het koptisch is, bevat het noch leestekens, noch hoofdletters. Bovendien zijn woorden en zinnen niet van elkaar gescheiden. Teneinde zoveel als mogelijk het originele karakter ervan te vrijwaren, beperkten we ons ertoe de woorden van elkaar te scheiden. Door de wetenschappers, die de manuscripten van Nag Hammadi onderzochten en publiceerden, werd de originele tekst ingedeeld in 114 logia, een Grieks woord dat “uitspraken” betekent. Terloops wijzen we erop dat, zoals elke schriftelijke getuigenis, ook dit evangelie niet ontsnapte aan onvermijdelijke bezoedelingen inherent aan zijn transmissie.

Het eerste logion, waarin Jezus ons uitnodigt tot een correcte interpretatie van zijn woorden, vermeldt een ongewone beloning voor wie in dit opzet slaagt :

en hij heeft gezegd wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

Wat betekent : zal de dood niet smaken…? Zou een correcte interpretatie van zijn woorden gehonoreerd worden met een eeuwig leven ? Het vervolg zal in die bevraging de nodige klaarheid brengen. Want niet een biologische werkelijkheid bepaalt het onderscheid tussen leven en dood, wel het bewustzijn van een spirituele verbondenheid. En hierin vervluchtigt de dood, zoals de duisternis verdwijnt in het licht. In het tweede logion verduidelijkt Jezus de richting van de weg die te volgen is.

jezus heeft gezegd dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn en wanneer hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn en hij zal koning zijn over het al

Het is niet de eerste opdracht van een koning macht uit te oefenen, wel zijn verantwoordelijkheid waar te maken… Eenzelfde bedenking geldt voor het begrip koninkrijk, dat aan de orde is in het derde logion.

jezus heeft gezegd indien zij door wie jullie worden aangetrokken zeggen zie het koninkrijk is in de hemel dan zullen de vogels van de hemel jullie vůůr zijn indien zij zeggen het is in de zee dan zullen de vissen jullie vůůr zijn maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie wanneer jullie jezelf zullen erkennen dan zullen jullie erkend zijn en jullie zullen weten dat jullie zijn de kinderen van de vader de levende indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen dan verblijven jullie in een armoede en jullie zijn de armoede

Zoals Paulus er expliciet van getuigde, was de verwachting van de komst van het koninkrijk, die behoort tot de apocalyptische bijbelse profetieŽn, levendig aanwezig in het bewustzijn van de joden. Maar, volgens Jezus, beantwoordt hun perceptie van dit koninkrijk aan een utopische verwachting. Zij die haar onderhouden zijn niet te vertrouwen. Want het Koninkrijk is aanwezig hier en nu. Het is te ervaren zowel binnenin onszelf als erbuiten. Zowel een juiste appreciatie van de levenswet als de erkenning van ons ware zelf en van de band die het met de levende vader verbindt, houden een bevrijding in van de armoedige verduistering, die ons bewustzijn heeft overwoekerd. Gezien vanuit de bijbelse orthodoxie is die perceptie van het koninkrijk - die overigens bevestigd werd door Lucas (17,21) - op zijn minst revolutionair. Het kon dus ook niet anders dan dat zij een diepe ergernis bij de religieuze gezagdragers veroorzaakte.

De boodschap in de eerste drie logia doet enigszins terugdenken aan de sankhya : ontdoe je van bedrieglijke banden, ontdek je ware zelf en de dharma, de wet die het leven beheert. Dit is het pad dat leidt naar de erkenning van onze werkelijke natuur van kind van de vader de levende. Gezien die vader gemeenschappelijk is aan ieder van ons, kunnen we niet anders dan die woorden te concipiŽren als een beeld. De realiteit, die in het beeld verborgen is, wordt verduidelijkt in logion 15.

jezus heeft gezegd wanneer jullie hem zullen zien die niet uit een vrouw is geboren buig dan jullie aangezicht ten gronde en verheerlijk hem deze is jullie vader

Het mag duidelijk zijn dat het werkwoord zien hier in een ruimere betekenis moet worden begrepen en verwijst naar het verwerven van inzicht. De aard van die kennis wordt evenwel niet gepreciseerd. De boodschap is dat de werkelijkheid, die in het beeld van de vader verborgen ligt, onze biologische realiteit transcendeert. Jezus onderricht ons hier evenwel dat onze mentale vermogens de mogelijkheid inhouden bewust te worden van de band, die ons met die transcendente werkelijkheid verbindt.

Teneinde zijn kennis meer bevattelijk te maken deed Jezus vaak beroep op een symbolentaal : eenvoudige beelden, die het mogelijk maken een minder toegankelijke werkelijkheid te benaderen. Voor iedere toehoorder is het de opdracht het beeld te decoderen en de verborgen inhoud ervan te ontdekken. Het is dus belangrijk de functie van het beeld correct in te schatten en vooral het beeld niet te verwarren met de werkelijkheid die het tracht te onthullen. Een dergelijke verwarring viel helaas het beeld van de vader te beurt.

In de joodse cultuur werd de vader niet enkel beschouwd als de verwekker van zijn kinderen. Zijn voornaamste taak bestond erin hen te onderwijzen, hen de juiste levenswaarden bij te brengen. Die opdracht was levendig aanwezig in het bewustzijn van iedere joodse vader. Daarom was dit beeld toegankelijk voor iedereen. Jezus maakte er gebruik van, niet enkel om te verduidelijken dat zijn kennis hem is geÔnspireerd maar bovendien dat, zoals hijzelf, iedere mens over diezelfde inspiratie kan beschikken. Vervolgens nodigt hij uit tot een juiste perceptie van de wet van de Vader.

jezus heeft gezegd zie de zaaier ging uit vulde zijn hand en wierp sommige zaden vielen op de weg vogels kwamen en pikten ze op andere vielen op rotsen en schoten geen wortel in de aarde noch richtten zij aren naar de hemel en andere vielen op doornen zij verstikten het zaad en de worm at ze op en andere vielen op de uitgelezen aarde en zij richtte een uitstekende vrucht naar de hemel de opbrengst was zestig per maat en honderdtwintig per maat (logion 9)

Zoals het beeld van een vader, is ook deze parabel herkenbaar voor ieder die vertrouwd is met het natuurlijke leven. Met zijn handeling integreert de zaaier zich in het creatieve proces waarvan de wet van de Vader getuigt. De les die deze parabel inhoudt is eenvoudig : richt je blik naar de natuur, naar het ontluiken van het natuurlijke leven. Twee belangrijke aspecten vallen hierbij op : een spontaan creatief proces, dat zich manifesteert doorheen een harmonische eenheid van de betrokken elementen : het zaad en de goede aarde. De zaden, die van die eenheid afdwalen, nemen geen deel aan een creatieve evolutie. Voor ieder zaadje in het zaaigoed is het de finaliteit terug te gaan naar de grond waaruit het is ontstaan en in die eenheid zijn uiterlijke omhulsel los te laten - als het ware te “sterven aan zichzelf” - teneinde als anonieme dienaar te dienen.

Hoewel het concept van een universele Vader, die de menselijke natuur transcendeert en bron is van alle leven, nog aansluit bij het bijbelse geloof, neemt dit van het koninkrijk er duidelijk afstand van. De komst ervan afwachten is geen realistische optie. Want het koninkrijk is er. Zijn natuur is echter van een spirituele orde, die zich slechts kan openbaren doorheen een doorgedreven innerlijke zoektocht. Die van de bijbelse traditie afwijkende visie wordt verder bevestigd.

jezus heeft gezegd de farizeeŽrs en de schriftgeleerden hebben de sleutels van de kennis [gnosis] genomen en hebben ze verborgen noch zijn zij zelf binnengegaan noch lieten zij toe dat zij die wilden zouden binnengaan jullie daarentegen wees bedachtzaam als de slangen en zuiver als de duiven (logion 39)


jezus heeft gezegd beklagenswaardig zijn zij de farizeeŽrs want zij gelijken op een hond die slaapt in de voerbak van de ossen want noch eet hijzelf noch laat hij toe dat de ossen zich voeren (logion 102)

zijn discipelen zeiden hem vierentwintig profeten hebben in israŽl gesproken en allen hebben zij door jouw hart gesproken hij zei hen aan hem die levend voor jullie staat zijn jullie voorbijgegaan en jullie hebben gesproken over doden (logion 52)

Zonder enige dubbelzinnigheid brandmerkt Jezus hier de houding van religieuze leiders. Niet, zoals in de evangeliŽn, omwille van hun huichelachtige gedrag, maar omdat zij zich de sleutels van de gnosis - de ware kennis - hebben toegeŽigend. Zo beletten zij hen, die er naar verlangen, een vrije zoekende weg te gaan. De bijbelse profeten worden zelfs afgedaan als doden... Ook het volbrengen van joodse rituelen, als middel om een illusoir doel te bereiken, wordt afgewezen.

jezus zei hen indien jullie vasten zullen jullie een fout begaan en indien jullie bidden zullen jullie worden veroordeeld en indien jullie aalmoezen geven zullen jullie kwaad berokkenen aan jullie geest en naar welk land jullie ook gaan welke streken jullie ook doortrekken wanneer men jullie ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet verzorg hen die ziek zijn want niet wat in jullie mond komt zal jullie bezoedelen maar wat uit jullie mond komt dit zal jullie bezoedelen (logion 14)

Het navolgen van door anderen opgelegde rituelen of het reciteren van formele gebeden is niet relevant. Voor wat ons wordt aangeboden of waartoe we genodigd zijn horen we niet te bidden… Wel van wezenlijk belang is het correct waarmaken van de consequenties die met onze vrijheid verbonden zijn. Een eerlijk woord of een dienstbare daad is zoveel productiever dan het schijngevoel van bescherming, dat wordt opgewekt door het participeren aan collectieve rituelen. De intentie van Jezus lijkt duidelijk : zijn medemensen bewust maken van hun individuele verantwoordelijkheid ten aanzien van de religieuze manipulatie waar zij het slachtoffer van zijn geworden. Zijn beoordeling van de situatie waarin zij verkeren is inderdaad niet zo fraai…

jezus heeft gezegd midden de wereld ben ik opgestaan in vlees ben ik hen verschenen allen heb ik dronken gevonden onder hen vond ik niemand die dorstig was en in mijn innerlijke zelf [psychŤ] had ik pijn omwille van de mensenkinderen want blind zijn zij in hun hart en zij zien niet dat zij leeg in de wereld zijn gekomen en dat zij ook zoeken leeg de wereld te verlaten ware het niet dat zij nu bedronken zijn wanneer zij hun wijn zullen hebben uitgebraakt pas dan zullen zij hun ingesteldheid veranderen (logion 28)

Wanneer we de omstandigheden vergelijken waarin de Boeddha en Jezus hun weg gingen en hun inzichten verkondigden, kan een belangrijk onderscheid niet worden miskend. De Boeddha begaf zich naar, integreerde zich in, een wereld die in een toestand van sociale en religieuze beroering verkeerde. De aanzet tot het in vraagstellen van voorouderlijke gebruiken was er reeds duidelijk aanwezig. Jezus daarentegen werd geconfronteerd met een totaal verschillende politieke en religieuze situatie. Het joodse volk werd toen door de romeinse bezetter gegijzeld. Door die pijnlijke situatie werd het bewustzijn van hun bijbelse identiteit sterk aangewakkerd. De bevrijdende komst van het goddelijke koninkrijk was een latente droom, die opnieuw levendig werd. Met die verwachting was Jezus het echter niet eens. Zijn boodschap werd dus niet door de omstandigheden gediend. Bovendien waren er de privilegies, waar de religieuze gezagdragers zich op beriepen. Openlijk een mening uiten die niet strookte met hun overtuigingen was gewoon suÔcidaal ! Die overweging maakt het ook weinig waarschijnlijk dat Jezus zijn inzichten drie jaren lang zou hebben kunnen verkondigen…

Bovendien lijkt het ons redelijk aan te nemen dat zijn boodschap zich in het begin slechts kon richtten tot een beperkt aantal personen, tot hen namelijk die een juiste luisterbereidheid wisten op te brengen. De verwarring die hij teweeg bracht bij diegenen die begeesterd waren door zijn charisma, zijn vrije meningsuiting en zijn therapeutische gaven, was onvermijdelijk. Sommigen onder hen beschouwden hem als een profeet, anderen zelfs als de lang verwachte Messias. Maar een visie bijtreden die zo afwijkend is van wat hen was onderwezen, is niet evident. De vragen en twijfels, die zijn prediking opriep, waren aanzienlijk…

de discipelen zeiden tot jezus hoe zal ons einde zijn jezus zei hebben jullie dan het begin ontsluierd zodat jullie zich bekommeren om het einde want daar waar het begin is daar zal het einde zijn gelukkig wie zich zal vestigen in het begin hij zal het einde kennen en de dood niet smaken (logion 18)

zijn discipelen zeiden leer ons de plaats waar jij bent want voor ons is het noodzakelijk dat wij die zoeken hij zei hen hij die oren heeft dat hij hoort er is licht binnenin een verlicht mens en hij verlicht de hele wereld indien hij niet verlicht is hij een duisternis (logion 24)

de discipelen zeiden welke dag zal je ons verschijnen en welke dag zullen wij je zien jezus zei wanneer jullie zich hebben ontdaan van jullie schroom en jullie klederen hebben genomen ze aan jullie voeten hebben neergelegd en vertrappeld zoals de kleine kinderen doen dan zullen jullie de zoon zien van hem die levend is en jullie zullen niet vrezen (logion 37)

de discipelen zeiden hem wie ben je die ons dit zegt door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben maar jullie zijn als de joden want zij houden van de boom en verwerpen zijn vrucht en zij houden van de vrucht en verwerpen de boom (logion 43)

zijn discipelen vroegen hem welke dag zal er rust zijn voor hen die dood zijn en welke dag komt de nieuwe wereld hij zei hen dit waar jullie naar uitzien is gekomen maar jullie erkennen dit niet (logion 51)

zijn discipelen zeiden hem welke dag zal het koninkrijk komen naar zijn komst kan men niet uitzien noch zal men zeggen zie het is langs hier of zie nu is het er maar het koninkrijk van de vader strekt zich uit over de aarde en de mensen zien het niet (logion 113)

Maar, waar bevindt zich het begin ? Hoe kunnen zij het innerlijke licht ervaren, de vrucht en de boom correct associŽren ? En dat koninkrijk, dat zo afwijkend is van hun idyllische verwachtingen ? De omvang van hun verwarring is aanzienlijk… Maar ook Jezus heeft zo zijn twijfels omtrent zijn discipelen.

mariam zei tot jezus aan wie zijn jouw discipelen gelijkend

hij zei zij gelijken aan jonge kinderen die bezit namen van een veld dat hen niet toebehoort wanneer de bezitters van het veld zullen komen zullen zij zeggen laat ons het veld in hun aanwezigheid ontdoen zij zich van hun klederen die zij hen achterlaten en geven hen hun veld terug (logion 21 partieel)


jezus heeft gezegd zoek en jullie zullen vinden maar dit waarover jullie me vroeger ondervroegen en waarop ik jullie toen geen antwoord gaf nu ik het wil zeggen vragen jullie er niet naar (logion 92)

Jezus was zich dus wel van een probleem bewust. Zijn uitnodiging tot een persoonlijke introspectie, tot het erkennen van hun ware zelf dat spiritueel met de Vader verbonden is, stuitte op diepe religieuze gevoeligheden. Want het bijbelse geloof berust op een gescheidenheid van de mens en zijn God, niet op een verbondenheid… Een ontvankelijkheid voor zijn onderricht vereist daarom een fundamentele ommekeer in de mentaliteiten. Bij zijn boodschap horen immers geen compromissen ! Een keuze tussen het oude en het nieuwe is onherroepelijk...

jezus heeft gezegd het is niet mogelijk dat een man twee paarden bestijgt of twee bogen spant en het is niet mogelijk dat een dienaar twee meesters dient want hij zal de ene eren en de andere beledigen nooit zal een man oude wijn drinken zonder meteen te verlangen de nieuwe wijn te drinken en men doet geen nieuwe wijn in oude zakken omdat er barsten zouden ontstaan en oude wijn doet men niet in een nieuwe zak zodat hij niet zou bederven men naait geen oude lap aan een nieuw kleed want er zou een scheur ontstaan (logion 47)

Het heeft er alle schijn van dat voor de discipelen die keuze te radicaal was. Weinigen onder hen onderkenden de spirituele dimensie van zijn boodschap. Want het bewustzijn hier en nu kind van de Vader de levende te zijn, toegang te hebben tot een spirituele verbondenheid, impliceert noodzakelijker wijze een juistere zelfkennis.

jezus heeft gezegd wie het al kent indien hij verstoken is van zichzelf is hij verstoken van het gehele veld (logion 67)

jezus heeft gezegd voor jullie aanschijn zullen de hemelen en de aarde zich oprollen en de levende voortgekomen uit de levende zal noch dood noch angst zien want jezus zegt dit wie zichzelf ontdekt de wereld is hem niet waardig (logion 111)

Die zelfkennis onthult in het diepst van ieder wezen een spirituele aanwezigheid, die de biologische natuur van het lichaam overstijgt. Hier raken we de kwintessens van de boodschap van Jezus.

jezus heeft gezegd indien het vlees is geworden door de Geest is dit een wonder indien daarentegen de Geest door het lichaam is dit het wonder der wonderen maar ik ben in verwondering over dit hoe die grote rijkdom is verbleven in die armoede (logion 29)

jezus heeft gezegd wie de vader beledigt hem zal vergeven worden en wie de zoon beledigt hem zal vergeven worden wie daarentegen de zuivere Geest beledigt hem zal niet vergeven worden noch op aarde noch in de hemel (logion 44)

Wie de vader of de zoon beledigt, beledigt slechts een beeld… De realiteit achter het beeld is van een spirituele natuur en dus onaantastbaar… Haar ontdekken, doorheen de mogelijkheden waarover het lichaam beschikt, is het wonder der wonderen. De voorwaarde opdat we hierin zouden slagen is evenwel toegang te hebben tot die initiŽle zuiverheid waar het hele kleine kind nog over beschikt.

jezus heeft gezegd in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen een klein kind van zeven dagen te ondervragen naar de plaats van het leven en hij zal leven want vele eersten zullen zich laatsten maken en zij zullen ťťn zijn (logion 4)

jezus zag kleintjes die zoogden hij zei tot zijn discipelen deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan zij zeiden hem zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan jezus zei hen wanneer jullie de twee ťťn zullen maken en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het innerlijke en wat boven is als wat beneden is zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke ťťn maken opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt […] dan zullen jullie het rijk binnengaan (logion 22)

jezus heeft gezegd van allen die door een vrouw werden gebaard van adam tot johannes de doper is niemand meer verheven dan johannes de doper zodat zijn ogen niet zullen gebroken worden ik heb daarentegen gezegd wie onder jullie klein zal zijn zal het koninkrijk kennen en meer verheven zijn dan johannes (logion 46)

Maar, eens te meer, hoe is die onschuldige kinderlijke zuiverheid opnieuw te bereiken ? Enigszins verrassend vervoegt de aanbeveling van Jezus de richtlijn, die ook door de vorige gidsen werd voorgehouden. De aangewezen weg veronderstelt inderdaad een mentale onthechting van de oorzaak van de talrijke verstoringen die het bewustzijn teisteren.

zijn discipelen zeiden hem is de besnijdenis nuttig of niet hij zei hen zo zij nuttig was zou hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden maar het is in de geest dat de ware besnijdenis haar totale waarde vindt (logion 53)

De besnijdenis is een joods ritueel, waarin het symbolisch oh zo belangrijke mannelijke orgaan een manipulatie van onthechting ondergaat. Van de vraag van de discipelen maakt Jezus gebruik om duidelijk te maken waarin de noodzakelijke spirituele besnijdenis bestaat. Want zij betreft een mentaal gebeuren, waarbij het bewustzijn zich zodanig kan onthechten van zijn verstorende inhoud, dat het ontvankelijk wordt voor een inspiratie van de Geest. Rest evenwel de vraag hoe zo’n mentale onthechting kan worden verwezenlijkt…

[zij zagen] een samaritaan die een lam droeg en judea binnen ging hij zei tot zijn discipelen wat gaat hij aanvangen met het lam zij zeiden hem hij zal het doden en het opeten hij zei hen zolang het levend is zal hij het niet opeten maar wel indien hij het doodt en het een lijk geworden is zij zeiden op een andere wijze zal hij het niet kunnen hij zei hen jullie zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust zodat jullie geen lijk worden en worden opgegeten (logion 60)

Zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust… Dit is de voornaamste boodschap in dit logion. Die uitnodiging herhaalt zich in logion 90.

jezus heeft gezegd kom tot mij want mijn juk is doeltreffend en zacht is mijn gezag en jullie zullen een rust vinden voor jezelf

De natuurwet leert ons dat een toestand van rust de aangewezen omstandigheid is opdat een natuurlijke harmonie zich zou kunnen herstellen. De mentale zuivering, die hieruit resulteert, maakt het mogelijk dat een meer originele ordelijkheid zich in het bewustzijn kan vestigen, waardoor we ons opnieuw kunnen bewust worden van de spirituele werkelijkheid waarin onze natuur geworteld is.

jezus heeft gezegd indien zij jullie zeggen vanwaar zijn jullie gekomen zeg hen wij zijn gekomen uit het licht daar waar het licht is ontstaan uit zichzelf heeft het zich opgericht en is het verschenen in hun beeld indien zij jullie zeggen wie zijn jullie zeg wij [zijn] zijn kinderen en de uitverkorenen van de vader de levende indien zij jullie ondervragen wat is het teken van jullie vader die in jullie is zeg hen het is een beweging met een rust (logion 50)

De wet van de Vader drukt zich uit in een harmonisch samengaan van beweging en rust. Maar, zoals ook Krishna het bevestigde, ligt een correct onderscheid tussen beide niet altijd voor de hand. (zie Bhagavad Gita, hst.4 vers 16-18) Want een rust kan dynamiek genereren, zoals een actie heel rustgevend kan zijn. Maar tenslotte is het de kwaliteit van de rust die bepalend is voor die van de handeling. Daarom is het noodzakelijk de verstorende inhoud uit onze mind te laten wegvloeien in een harmonie herstellende rust die, zoals ook de Boeddha ervoer, leegte is.

Jezus heeft gezegd het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw die een kruik droeg gevuld met meel terwijl zij een lange weg ging brak het oor van de kruik het meel verspreidde zich achter haar op de weg gezien zij onwetend was kon zij er niet om bedroefd zijn wanneer zij in haar huis was aangekomen zette zij de kruik neer en zag dat ze leeg was (logion 97)

jezus heeft gezegd wanneer jullie dit in jezelf laten ontstaan dit dat van jezelf is zal jullie redden indien jullie dit niet in jezelf hebben dit dat niet van jezelf is zal jullie doden (logion 70)

De Boeddha erkende meditatie als het uitgelezen middel om zijn bewustzijn te ontdoen van zijn mentale turbulenties. De staat van doving, van innerlijke vrede die hiervan het gevolg was en waarin het bewustzijn zich integreert in de universele dharma, noemde hij nirwana. Het is niet ondenkbaar dat, door de ervaring van een gelijkaardige kwaliteit van rust, Jezus een bewustzijn zou hebben ervaren dat hij percipieerde als een spirituele verbondenheid.

Het was de voornaamste bezorgdheid van de Boeddha een oplossing te vinden voor de alomtegenwoordigheid van het lijden. Die bezorgdheid is ook Jezus niet ontgaan. Net als Krishna (hfdst. 6, 22-23) stelde ook hij de consequenties vast die een eenheidsbewustzijn op de perceptie van het lijden kon teweegbrengen.

jezus heeft gezegd gelukkig de mens die de beproeving heeft gekend hij heeft het leven gevonden (logion 58)

jezus heeft gezegd gelukkigen zijn jullie wanneer men jullie haat en vervolgt en er in jullie geen spoor zal gevonden zijn daar waar jullie zijn vervolgd (logion 68)

De gevolgen van een pijnlijke vervolging zullen worden ongedaan gemaakt… Bovendien is het niet onbelangrijk aan de uitdrukking die de beproeving gekend heeft haar complete toedracht toe te geven. Indien de betekenis ervan zich kan beperken tot : die de beproeving ondergaan heeft, kan zij ook worden uitgebreid tot de volle betekenis van kennen, dat ook doorzien kan betekenen. Indien het lijden op een pijnlijke wijze deel uitmaakt van het leven, aan welke finaliteit beantwoordt het…?

Niets is meer subjectief dan de ervaring van lijden… Oprechtheid gebiedt ons evenwel te erkennen dat, bij het aanhoren van die woorden van Jezus, ons een enigszins verwarrend gevoel overvalt. Is het immers consequent aan te nemen dat hijzelf zijn beproevingen zou hebben ervaren zoals zij door mensen werden waargenomen en gerapporteerd…? Van die empathische menselijke betrokkenheid zijn overigens de drie verschillende versies van zijn “laatste woorden” een illustratie.

De ervaring van een bijzondere en onvermoede staat in hun bewustzijn impliceerde zowel voor Jezus als voor de Boeddha de verantwoordelijkheid hun medemensen in hun ervaring te betrekken. Maar de omstandigheden voor een doeltreffende transmissie van zijn kennis waren Jezus niet gunstig gezind. De ergerlijke bedreiging, die hij voor de religieuze overheid betekende, maakte zijn aanwezigheid zelfs ronduit ongewenst. De manier waarop aan zijn onderricht een einde werd gesteld kan dan ook geen opzien baren.

Anderzijds mag het ook duidelijk zijn dat zijn inzichten weinig kans maakten het bewustzijn van de massa te beroeren. Menig beeld dat hij gebruikte was niet afgestemd op de mentale ontvankelijkheid van zijn medemensen.

jezus heeft gezegd ik spreek mijn verdoken woorden [mystŤrion] tot hen die ze waardig zijn wat je rechter zal doen je linker hoeft niet te weten wat zij doet (logion 62)

hij heeft gezegd meester talrijk zijn zij rond de put niemand daarentegen in de put (logion 74)

jezus heeft gezegd het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw zij nam een weinig gist stopte het in het deeg en maakte er grote broden mee wie oren heeft dat hij hoort (logion 96)

Het woord dat Jezus gebruikte om de persoon te duiden die de weg van een spirituele verbondenheid gaat, is monachos. De Griekse wortel ervan is monos en betekent ťťn. Zijn betekenis sluit dus aan bij die van een yogi.

jezus heeft gezegd gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen want jullie zullen het koninkrijk ontdekken omdat jullie uit hem zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan (logion 49)

jezus heeft gezegd talrijk zijn zij die zich ophouden bij de deur maar zij die monachos zijn zij zijn het die de plaats van de bruiloft zullen binnengaan (logion 75)

zij zeiden hem kom laten we vandaag bidden en vasten jezus zei welke fout heb ik begaan of waarin werd ik bedwongen maar wanneer de bruidegom uit de bruidskamer zal zijn gekomen dan dat men bidt en dat men vast (logion 104)

Bidden en vasten zijn slechts zinvol wanneer eenheid gescheidenheid geworden is… Een bruidskamer is bij uitstek de plaats waarin de levensscheppende eenheid van man en vrouw symbolisch kan worden uitgedrukt. Dit beeld bevestigt dit van de eenheid van het zaad en de goede aarde, van het juk of van de gist in het brood, een eenheid die nog steeds onbewust aanwezig is in het bewustzijn van het kleine kind van zeven dagen. Zij is de onmiskenbare voorwaarde opdat het leven zich in een positieve creatieve evolutie zou kunnen manifesteren.

De omschakeling van een biologische naar een spirituele realiteit is evenwel voor twintig eeuwen christelijke theologie een onbeantwoorde uitdaging gebleven. De Kerk liet zich immers verleiden tot de naÔeve zelfverheerlijking als de bruid van bruidegom Christus…






Enkele nabeschouwingen




Het mag duidelijk zijn dat deze ontmoetingen met uitgelezen gidsen slechts beperkt en dus onvolledig zijn. Zij kunnen beschouwd worden als een religieuze, naar een “radix” gerichte excursie, die tot doel heeft de krachtlijnen in elk onderricht te onderscheiden en een vergelijkende studie te bevorderen. Uiteraard behoeft zo’n studie meer diepgaande persoonlijke investeringen. Indien opvallende en soms onverwachte overeenkomsten te bekennen zijn, kunnen ook belangrijke divergenties niet worden miskend. Gelet op onze culturele conditionering is het niet vanzelfsprekend een religieuze benadering bij te treden, die niet uitgaat van het concept van een goddelijke werkelijkheid, maar berust in zelfkennis en in een juist inzicht in de hoedanigheden die de levenswet ons toevertrouwt. Een dergelijk vertrekpunt betekent uiteraard een uitdaging ten aanzien van ons traditionele religieuze concept. De vrijheid waarover het bewustzijn beschikt is evenwel ons meest waardevolle bezit. Haar beheren in oprechtheid, liefde en intelligentie is ongetwijfeld onze belangrijkste opdracht.

Van elk onderricht is de aanleiding een specifieke problematische situatie : de morele patstelling van Arjuna voor Krishna, de confrontatie met het menselijke lijden voor de Boeddha en het misverstand omtrent het joodse concept van het koninkrijk voor Jezus. Zij waren de aanleiding tot de expressie van bijzondere inzichten in levenswaarden, die een religieuze dimensie impliceren. Want net als yoga refereert religie naar een verbondenheid, een eenheid waar we allen in betrokken zijn. Ongeacht onze natuurlijke, culturele of genetische profielen, onze persoonlijke eigenheden ook, zijn we immers allen op een gelijke wijze met eenzelfde levenswet verbonden. Gezien in die wet de harmonie een essentiŽle rol vervult, zou een correcte toepassing ervan moeten resulteren in broederlijkheid en solidariteit, niet in discriminatie en confrontatie. Het tweede aspect, dat bij het religieuze principe hoort, overstijgt de natuurlijke werkelijkheid en houdt in dat we allen ook met de transcendente en dus niet te bevatten bron van die levenswet verbonden zijn. Het is vooral die dimensie die in ons concept van religie overheerst.

Gezien de Boeddha zich niet liet verleiden tot het in beeld brengen van een absolute oorzaak van dit leven, kan het boeddhisme bezwaarlijk als een godsdienst worden erkend. Dit belet evenwel niet dat het wel een religieuze zoektocht en dus de erkenning van onze existentiŽle verbondenheid inhoudt. Hoewel de Boeddha zich niet investeerde in een utopische kennis van een niet te bevatten werkelijkheid, toch is zij impliciet aanwezig doorheen de dharma, de universele levenswet, waar we allen mee verbonden zijn. Sterker nog : door die werkelijkheid wel in beeld te brengen hebben de bijbelse godsdiensten het geloof gecreŽerd dat de mens totaal van zijn goddelijke bron gescheiden is. Voor Jezus betekent die gescheidenheid echter een fundamentele misvatting.

Wanneer Jezus het heeft over een Vader, die gemeenschappelijk is aan ieder van ons, die voor ons allen een inspiratiebron betekent, maar waarvan het wezen onze biologische realiteit overstijgt, maakt hij gebruik van een beeld. De functie van het beeld is een moeilijk te bevatten werkelijkheid iets meer toegankelijk te maken. Die werkelijkheid betreft een subtiele en oh zo moeilijk te definiŽren spirituele aanwezigheid, die hij benoemd als de pneuma, de Geest. Zo onderricht Jezus ons dat de Geest niet alleen aan de oorsprong ligt van het lichaam en zich blijvend doorheen het lichaam manifesteert, maar vooral dat we zijn inspiratie bewust kunnen ervaren. Hij erkent dus binnenin iedere mens een spirituele schakel en nodigt ons uit van die hoedanigheid bewust te worden.

Ook Krishna huldigt het principe van een transcendente aanwezigheid - het tijdloze Zelf, Brahma genaamd - waar ieder individueel zelf mee verbonden is. De opdracht van de mens bestaat er daarom in zijn ware natuur te erkennen doorheen een juistere perceptie van de wet die het leven stuurt. Het beginsel van verbondenheid of eenheid is dus gemeenschappelijk aan ieder van onze drie gidsen. Ook hun richtlijnen voor het gaan van een weg van bewustwording van die eenheid zijn vrijwel gelijklopend. Zij impliceren dat onze psyche zich hoort te herstellen van de verstorende gevolgen van zijn gehechtheden aan een relatieve werkelijkheid en van de egocentrische verlangens die hieruit voortvloeien. Die gehechtheden horen daarom te worden afgebouwd, teneinde de gevolgen ervan ongedaan te maken en onze originele vrijheid terug te vinden. Onthechting biedt zich dus aan als het voornaamste middel om een existentiŽle zoektocht tot een goed einde te brengen. We horen ons te ontdoen van bedrieglijke schijnwaarden, de wijn van onze dronkenschap uit te braken, teneinde een juistere perceptie en een meer consequente beleving van onze hoedanigheden te realiseren

De weg, die tot zo’n onthechting leidt, is eveneens eensluidend. Wat het bewustzijn ertoe kan aanzetten een evolutie van loslaten te induceren, is het herstel van een juistere harmonie in zijn structuren. Het aangewezen middel om dit te verwezenlijken is een tijdelijk isolement in een bewuste rust van een bijzondere kwaliteit. Rust heeft de eigenschap op een natuurlijke wijze harmonie herstellend te zijn. Een toegenomen innerlijke harmonie maakt het mogelijk een juistere perceptie te ontwikkelen zowel van essentiŽle waarden als van onze eigen zwakheden. Door die weg van innerlijke zuivering te gaan kunnen we ons bewust worden van de verstorende bindingen die we horen los te laten.

De ervaring leert evenwel dat in werkelijkheid een voortdurende wisselwerking gaande is tussen de beide voorgehouden middelen : onthechting en rust. Enerzijds veronderstelt een bewuste diepe rust de afwezigheid van gedachten en emoties, en dus het loslaten van hun oorzaak, wat een mentale onthechting inhoudt. Anderzijds is het harmonie herstellende effect van zo’n rust noodzakelijk om onze gehechtheid aan dwingende mentale invloeden af te zwakken, zo niet ongedaan te maken. Gezien het leven wordt beheerd door een wet, waarin harmonie een essentiŽle rol vervult, kan een juistere perceptie van onze integratie in die waarde een positieve evolutie in ons leven enkel ten goede komen. Zoals duisternis afwezigheid is van licht, zo ontstaat een disharmonie alleen wanneer harmonie afwezig is. Toch kan de onthulling van een meer originele en zuivere staat in het bewustzijn niet beletten dat het lijden steeds als een pijnlijke component in dit leven aanwezig zal zijn.

We hebben noch de intentie, noch de pretentie een oplossing aan te bieden voor het oh zo delicate probleem van het menselijke lijden. Toch willen we ook niet nalaten een bezinning voor te stellen omtrent het concept van karma, dat handeling betekent, en zowel in het hindoeÔsme als in het boeddhisme prominent aanwezig is. De bijbelse godsdiensten houden voor dat hun God zowel het principe van almacht als dit van ultieme rechter in zich verenigt. Aan het einde van dit leven zal hij immers een onverbiddelijk oordeel vellen over onze daden en zo onze tijdloze toekomst bepalen. In het oude India werd dit principe van rechtvaardigheid waargenomen door de wet van karma, die geÔntegreerd is in de dharma, de universele levenswet. Hoewel karma de wet uitmaakt die het rad van samsara en dus van de steeds terugkerende incarnaties draaiende houdt, houdt het vooral het inzicht in van een immanente of immer aanwezige principe van rechtvaardigheid. Elke handeling genereert gevolgen, waar niet enkel de handelende persoon maar ook zijn omgeving en zelfs de natuur kunnen bij betrokken worden. Het voornaamste probleem dat deze wet oproept is evenwel dat de subtiliteit van zijn toepassing onze inzichten ruim overstijgt.

Gezien het in deze schepping enkel de mens gegeven is zijn instincten te kunnen beheersen en zo over een vrijheid van handelen te beschikken, is hij ook de enige verantwoordelijke voor de gevolgen van zijn daden. De wet van karma stipuleert dat elke handeling onherroepelijke sporen nalaat, die zich uiten in zowel positieve als negatieve energieŽn. In dit perspectief verkrijgt ook het lijden een zinvolle plaats, want het fungeert als de verklikker van een veroorzaakte disharmonie. Anderzijds kunnen zowel elke positieve gedachte of gevoelen, als elke harmonische handeling, ook ageren als een lichtstraal die bij machte is de manifestatie van disharmonie in te perken, zo niet ongedaan te maken. Zoals geboorte, ouderdom en dood, maakt het lijden onherroepelijk deel uit van de levenswet. Het willen uitschakelen is, gezien de begrenzingen inherent aan onze menselijke natuur, geen realistische optie. Wat wel tot onze natuurlijke mogelijkheden behoort is de effecten ervan te milderen of de oorzaak ervan te vermijden.

Liefde en intelligentie zijn de dienaren van de harmonie, lijden is de kompaan van de disharmonie. Erkennen dat wij de oorzaak van onze disharmonische toestand in onszelf te zoeken hebben, is slechts een eerste stap. Een meer adequaat gebruik van de hoedanigheden, die de levenswet ons aanreikt, zou ons bovendien moeten in staat stellen het lijden efficiŽnter te beheersen. Door een passende integratie in die wet kunnen we ons tenslotte ook bewust worden van onze ware natuur, die geworteld is in een niet te bevatten bron. Die hoedanigheid kan ons een onvermoed potentieel in het bewustzijn reveleren :

jezus heeft gezegd ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien en wat het oor niet heeft gehoord en wat de hand niet heeft geraakt en wat het hart van de mens niet heeft beroerd (logion 17)

Ook de bewustzijnstoestand die de Boeddha ervoer en die hij nirwana noemde, is volgens hem met geen woorden te beschrijven, omdat zij met geen enkele bekende toestand van het bewustzijn te vergelijken is. Anderzijds stelt de wetenschap vast dat we slechts een beperkt gebruik maken van de neurologische structuren, die de natuur ons ter beschikking stelt. Sommigen suggereren zelfs dat ons hersenpotentieel zich nog in een pueriel stadium van zijn ontwikkeling zou bevinden. Maar, zelfs indien sommige personen ooit toegang zouden hebben gehad tot een nog onontgonnen gebied van hun bewustzijn, zullen hun getuigenissen weinig gehoor vinden bij een meerderheid van de gelovige bevolking. Want hun sluimerend religieuze bewustzijn blijkt nog steeds te verkeren in de ban van de magie van een goddelijke almacht. Uiteraard is het zo dat, ten aanzien van de onmetelijkheid van de schepping, iedere mens slechts een onooglijk kleine, tijdelijke en kwetsbare aanwezigheid voorstelt. De gedachte dat onze mentale vermogens ons in staat zouden kunnen stellen bewust te worden daadwerkelijk deel te hebben in een creatieve evolutie, kan enkel behoren tot een surrealistische waanvoorstelling… Want, zoals de Bijbel het ons voorhoudt, is niet verbondenheid maar gescheidenheid hier en nu ons fatale lot...

De enige consequente houding bestaat er dan ook in onze onderdanige eerbied ten aanzien van een almachtige Schepper uit te drukken in gebeden en rituelen, die sinds mensenheugenis deel uitmaken van de religieuze beleving. Blijkbaar beantwoorden zij aan een dwingende behoefte aan bescherming, hoop en troost. Bovendien vervullen zij een niet onbelangrijke sociale functie als de uiting van een verbondenheid met een gelovige gemeenschap. Als middel om een existentiŽle eenheid te verwezenlijken wordt hun nut nochtans door ieder van onze gidsen in vraag gesteld. Het gaan van een persoonlijke weg van ervaring en kennis maakt dergelijke praktijken in wezen overbodig. Het is weinig zinvol zich in te laten met menselijke verordeningen, ook al zouden zij de vervulling inhouden van een goddelijke wil.

De observatie van diverse rituele praktijken kan overigens verwarrende gevoelens oproepen. De door de islam aan haar gelovigen opgelegde rituelen - zoals de dagelijkse gebeden, het geven van aalmoezen, het eerbiedigen van het vasten tijdens de ramadan of de bedevaart naar Mekka - werden ooit geconcipieerd om hen te sterken in hun geloof in Allah en zijn profeet Mohammed. Dit geloof betekent immers de absolute voorwaarde om hen een plaats in het eeuwige paradijs te verzekeren. De katholieke rituelen, sacramenten genaamd, doen van hun kant beroep op een rechtstreekse goddelijke interventie, teneinde eenzelfde eeuwige toekomst veilig te stellen. Uiteraard beschikt iedereen over de vrijheid die rituelen te volgen die hem of haar zinvol lijken. Toch kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de magische goddelijke krachten, waarop sacramenten zich beroepen, verdachte gelijkenissen vertonen met oeroude praktijken, waarin de magie van hogere machten een prominente rol vervulde.

Nog steeds kennen vele gelovigen een naÔeve geloofwaardigheid toe aan profetische beloften, ondersteund door zowel stichtende verhalen als helse dreigingen. De natuurlijke evolutie waarin het leven zich uitdrukt, heeft evenwel een geleidelijke afgang ingeluid van een te infantiele lichtgelovigheid. In de westerse samenleving heeft het collectieve bewustzijn steeds meer moeite zich te verzoenen met dogmatische opgelegde “waarheden”. Elke religieuze perceptie is afhankelijk van het individuele bewustzijn, dat zelf onderhevig is aan een voortdurende evolutie. Dat een aantal archaÔsche voorstellingen, voorgehouden door een eeuwenoude religieuze traditie, niet langer beantwoorden aan een individuele religieuze behoefte, lijkt met die evolutie onvermijdelijk verbonden te zijn.

Zo tekende zich in de tweede helft van vorige eeuw een duidelijke gerichtheid af naar een meer persoonlijke spirituele beleving. Die behoefte laafde zich vooral aan bronnen uit het Oosten, zoals yoga, zen en diverse vormen van meditatie. Mede door het charisma van de Dalai Lama, kon het boeddhisme ook in het Westen een vast aanzien verwerven. We moeten evenwel erkennen dat die spirituele aspiratie slechts een minderheid van de bevolking raakt en vaak niet meer betekent dan een onschuldig windje, dat het rimpelloze oppervlak van het traditionele geloof nauwelijks beroert. Een stilzwijgende meerderheid van gelovigen lijkt zich inderdaad nog steeds te verzoenen met beschouwingen, die geen beroep doen op een dieper gelegen potentieel van onze mentale vermogens. De perceptie van bijzondere religieuze personages beperkt zich bovendien al te vaak tot een archetypisch beeld. Zo richt de aandacht voor de Boeddha zich vooral naar de perceptie van een in meditatie verzonken man, die het principe van een universeel mededogen symboliseert. De meest verspreide voorstelling van Jezus is die van de gekruisigde Christus, waarin zijn bevrijdende offer uit liefde voor ons allen levendig wordt gehouden. Uiteraard is het minder veeleisend geloof te hechten aan de verlossende waarde van het kruis, dan zelf die innerlijk bevrijdende weg te gaan, waartoe Jezus ons uitnodigt.

Deze overwegingen leiden ook spontaan tot de vraag welke reŽle effecten het onderricht van ieder van deze gidsen tenslotte heeft gegenereerd. Hoe werden hun boodschappen begrepen en aan welke concrete consequenties hebben zij vorm gegeven ? Het onderricht van Krishna werd niet alleen een inspiratiebron voor een groot aantal hindoes, het ligt bovendien aan de basis van wereldwijd verspreide praktijken van yoga en meditatie. Daar waar het boeddhisme een religieus concept voorhoudt, zonder evenwel een godsdienst te zijn, is de verspreiding ervan vaak gestoten op bestaande en hardnekkige volkse tradities. Uit die ontmoeting resulteerden praktijken, die weliswaar de Boeddha honoreren, maar vaak ook voorbijgaan aan zijn meest elementaire richtlijnen met betrekking tot het gaan van een persoonlijke weg, bevrijd van oude gebondenheden. Dit is onder meer het geval in Tibet, waar in de VIIIį eeuw Padmasambava geconfronteerd werd met een stevig vast geankerd bon geloof. Wanneer we op vandaag in Tibet of elders boeddhistische ceremonies meemaken, waarin goden en geesten allerhande hun opwachting maken, lijkt het voorbeeld van de Boeddha en het loslaten van buitennatuurlijke percepties heel ver verwijderd. Bovendien is het opmerkelijk dat, in het spoor van Padmasambava, talrijke en eerbare lama’s zich hebben ingelaten met metafysische bespiegelingen, waarvan het Tibetaanse dodenboek en ook meer recente boeddhistische geschriften getuigen. Dit bevestigt enkel dat het gaan van een vrije religieuze weg even evolutief is als het leven zelf.

Ook aan de boodschap in de Bergrede van Jezus werd een behoorlijk problematisch lot beschoren. Hoewel zij na zijn dood spontaan werd geÔntegreerd in het bijbelse geloof, kende haar verspreiding een vreemde evolutie. Het strategische centrum van het nieuwe geloof verplaatste zich immers van Palestina naar Rome. Die migratie is vooral toe te schrijven aan een zekere Paulus, die nochtans niet tot de discipelen van Jezus behoorde. Hoewel hij ontegensprekelijk een fascinerende persoonlijkheid bezat, is het vooral ontstellend vast te stellen in welke mate hij het onderricht van Jezus negeerde. Zijn diepste overtuiging was het dat Jezus zich als een goddelijke Messias had gemanifesteerd, waardoor de komst van het goddelijke koninkrijk heel weldra werkelijkheid zou worden. Een verwachting die utopisch is gebleken en bovendien haaks staat op het concept van het koninkrijk, waarvan Jezus ook in het Lucasevangelie (17,21) getuigt.

We kunnen niet om de vaststelling heen dat het beeld van Jezus, zoals het ons door de evangeliŽn werd geopenbaard en door de brieven van Paulus werd gemoduleerd, dit van een bijbelse en goddelijke verlosser, grondig verschillend is van wat Judas Thomas ons onthult. De voornaamste reden hiervoor is dat de impact van de gebeurtenissen, die het levenseinde van Jezus hebben gestigmatiseerd, emotioneel zoveel belangrijker zijn gebleken dan het juiste begrip van zijn onderricht. Het concept van een definitieve bevrijding, waardoor ieder van ons voortaan toegang zou hebben tot een eeuwig leven in een goddelijk koninkrijk, werd immers de beslissende factor in de verspreiding van het nieuwe geloof. Want die belofte betekende ooit de ultieme hoop voor de minst bedeelden in de romeinse achterbuurten.

En tenslotte is het een bijzondere vaststelling dat het menselijke lijden, dat het vertrekpunt was van de tocht die de Boeddha ondernam, in de persoon van Jezus werd verheerlijkt als het middel waarmee de ganse mensheid zou zijn verlost. Wie heeft het grote gelijk aan zijn zijde en wie niet…?

Zoals de erkenning van een noodzakelijke wereldwijde solidariteit een weliswaar nog broos bestaansrecht in ons collectieve bewustzijn heeft verkregen, zo is ook de aandacht voor een meer realistische benadering van de natuur en van de waarde die zij voor ons betekent evenzeer een bemoedigend verschijnsel in de evolutie van de mensheid. Want een verantwoorde appreciatie van de natuur, van haar wet van harmonie en van de eenheid waarin we met haar verbonden zijn, zou de aanzet kunnen betekenen tot een onverwachte religieuze bezinning. Hoewel die recente interesse vooral gedragen is door een legitieme bezorgdheid of angst voor de toekomst van onze planeet, brengt een passend respect voor de natuur en haar wetten, die tenslotte de meest zuivere expressie uitmaken van een “goddelijke wil”, hulde aan haar bron, ook al is zij door onze intelligentie niet te bevatten. Een dergelijke overweging maakt bovendien elke onenigheid tussen de aanhangers van Darwin en die van het bijbelse scheppingsverhaal volstrekt overbodig.



 

                  Home